donderdag 11 november 2021

Alleen de dingen zingen



 

 

 

 

 

 

 

 

De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.

En donker zingt mijn bloed,
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen
Gods stilte tegemoet.
Met U zijn er geen verten meer
en alles is nabij.
Des levens aanvang glinstert weer,
geen gisteren en geen morgen meer,
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren;
en alle angst voorbij,
verlost van schaduw en van schijn,
wordt pijn en smart tot vreugd verheven!
Hoe kan het zoo eenvoudig zijn!
Hoe kan het leven Hemel zijn,
met U, o kern van alle leven!
Ik weet het niet, ik vind geen naam,
ik krijg het met geen woorden saam
wat er nu omgaat in mijn ziele.
Is het soms blijdschap? Is ‘t verdriet?
Of allebei? En ook weer niet…
Ik kan slechts zwijgend knielen.

                                             Felix Timmermans

 


Een mysticus

Felix Timmermans (1886-1947) is een beroemde Vlaamse schrijver en dichter. Zijn bekendste werk is Pallieter (in feite een streekroman) dat werd uitgebracht in 1916 en vele herdrukken en vertalingen kende. Mede door het internationale succes van dit boek werd hij meerdere malen voor de Nobelprijs voor Literatuur genomineerd.

Bovenstaand gedicht kwam tot stand gedurende de jaren 1945 en 1946, toen Timmermans kampte met ernstige gezondheidsproblemen en het besef tot hem begon door te dringen dat hij waarschijnlijk niet lang meer te leven had. Hij was een mysticus die 'God' en 'hemel' omschreef in termen van stilte en oneindigheid, hetgeen nogal afweek van de opvattingen van de kerk, waarin vooral de begrippen 'zonde', 'schuld', 'boete' en 'hel' een prominente rol vervulden als het over de essentie van het leven en het hiernamaals ging. Uit de woorden van de dichter blijkt duidelijk dat hij niet onder de indruk is van dit christelijke horrorscenario maar dat hij in plaats daarvan, weliswaar met een door heimwee bezwaard gemoed, 'langs regenbogen zeilt, Gods stilte tegemoet.'

 

 

Licht en donker

De vier foto's die ik in deze post opgenomen heb zijn van de hand van May Khoen. Ze maakte ze in de wintermaanden van 2016, dus minder dan een half jaar voor haar dood; de bovenste in een bos bij Dalfsen, de onderste door het achterraam van onze woning. Op de andere twee zijn glasobjecten te zien die ze omstreeks diezelfde tijd vervaardigde. 'Licht' is onmiskenbaar de thematiek waarmee ze zich in die laatste periode bezighield, waaruit af te leiden valt dat ze, net als Timmermans, haar einde voelde naderen.

Ook Khoen voelde vaak een sterke hang naar het mystieke, hetgeen zich onder andere manifesteerde in haar liefde voor de natuur en in de meditatieve en creatieve manier waarop ze in het leven stond, terwijl ze tegelijkertijd heel sociaal ingesteld was. Ze had best nog wel een tijdje willen blijven, in wat ze als het aards paradijs beschouwde, maar net zoals de dichter uit Vlaanderen wist ze dat dit helaas niet langer mogelijk was.


©Huub Drenth

 





vrijdag 5 november 2021

The land of light

 

 

Key West
McKinley hollered, McKinley squalled
Doctor said, "McKinley, death is on the wall
‪Say it to me, if you got something to confess"
‪I heard all about it, he was going down slow ‬
‪I heard it on the wireless radio ‬
From down in the boondocks

way down in Key West
‪I’m searching for love, for inspiration ‬
On that pirate radio station
‪Coming out of Luxembourg and Budapest

‪Radio signal, clear as can be
‪I'm so deep in love that I can hardly see ‬
Down on the flatlands, way down in Key West


Key West is the place to be ‬
‪If you're looking for immortality ‬
‪Stay on the road, follow the highway sign ‬
‪Key West is fine and fair
‪If you lost your mind, you will find it there
‪Key West is on the horizon line

‪I was born on the wrong side of the railroad track
‪Like Ginsberg, Corso and Kerouac
‪Like Louis and Jimmy and Buddy and all the rest ‬
‪Well, it might not be the thing to do ‬
‪But I'm sticking with you through and through ‬
‪Down in the flatlands, way down in Key West
‪I got both my feet planted square on the ground ‬
‪Got my right hand high with the thumb down ‬
‪Such is life, such is happiness
‪Hibiscus flowers, they grow everywhere here
‪If you wear one, put it behind your ear
‪Down in the bottom, way down in Key West ‬
‪Key West is the place to go
‪Down by the Gulf of Mexico ‬
‪Beyond the sea, beyond the shifting sand
‪Key West is the gateway key ‬
‪To innocence and purity ‬
‪Key West, Key West is the enchanted land

‪I've never lived in the land of Oz ‬
‪Or wasted my time with an unworthy cause ‬
‪It’s hot down here, and you can't be overdressed
‪Tiny blossoms of a toxic plant ‬
‪They can make you dizzy,
I'd like to help you but I can't
‪Down in the flatlands, way down in Key West ‬
‪Well, the Fishtail Palms, and the orchid trees
‪They can give you that bleeding heart disease
‪People tell me I ought to try a little tenderness
‪On Amelia Street, Bayview Park ‬
‪Walking in the shadows after dark ‬
‪Down under, way down in Key West ‬
‪I played Gumbo Limbo spirituals
‪I know all the Hindu rituals ‬
‪People tell me that I'm truly blessed ‬
Bougainvillea blooming in the summer, in the spring
Winter here is an unknown thing
Down in the flat lands, way down in Key West
Key West is under the sun, under the radar,
under the gun
You stay to the left, and then you lean to the right
Feel the sunlight on your skin,
and the healing virtues of the wind
Key West, Key West is the land of light


Wherever I travel, wherever I roam
I'm not that far from the convent home
I do what I think is right, what I think is best
Mystery Street off of Mallory Square
Truman had his White House there
East bound, West bound, way down in Key West
Twelve years old, they put me in a suit
Forced me to marry a prostitute
There were gold fringes on her wedding dress
That's my story, but not where it ends
She's still cute, and we're still friends
Down on the bottom, way down in Key West
I play both sides against the middle
Trying to pick up that pirate radio signal
I heard the news, I heard your last request
Fly around, my pretty little Miss
I don't love nobody, give me a kiss
Down on the bottom, way down in Key West
Key West is the place to be
If you're looking for immortality
Key West is paradise divine
Key West is fine and fair
If you lost your mind, you'll find it there
Key West is on the horizon line

 



Voor Dery (1952-1988)

Drums: Matt Chamberlain
Hammond Organ: Benmont Tench

 

dinsdag 2 november 2021

Día de los Muertos




 

Viva la Vida!

Día de los Muertos, de dag van de doden, is een Mexicaanse feest dat elk jaar gevierd wordt op Allerheiligen en Allerzielen. Men gelooft dat de zielen van de gestorvenen dan kortstondig ontwaken uit hun eeuwige slaap. De Mexicanen trekken op die dagen met de hele familie naar het kerkhof om hen te verwelkomen en op een aangename manier wat tijd met elkaar door te brengen. Ook worden er in of vlak bij het huis speciale gedenkplekken, een soort altaartjes, voor de doden ingericht. 's Avonds vinden er in de straten processies plaats, met deelnemers waarvan de meesten een doodskop op hun gezicht hebben laten schminken.

Op 1 november, de dag van Allerheiligen, worden de graven van de gestorven kinderen met een bezoek vereerd; de dag erna, op Allerzielen, dus vandaag, zijn de graven van de volwassenen aan de beurt. Men neemt drank en etenswaren mee, evenals bloemen en geschenken; meestal precies die waar de doden tijdens hun aardse bestaan erg van hielden. Men viert hun leven, zogezegd. De avond en de nacht worden doorgebracht op en rond de grafzerken, te midden van brandende kaarsen. Eerst kunnen de overledenen zich te goed doen aan de meegebrachte spijzen en drinkwaren, op 'spirituele' wijze vanzelfsprekend, daarna mogen de aanwezige familieleden toetasten. Terwijl men eet en drinkt haalt men herinneringen op aan de gestorvenen en worden er liederen gezongen, in de volle overtuiging dat de doden ondertussen meegenieten. Elk jaar is er op die dag dus letterlijk sprake van een familiereünie.



Mictecacihuatl

Het feest vind zijn oorsprong in de religieuze tradities van onder andere de Azteken. Bij dit volk was het gebruikelijk om gedurende de maand augustus de gestorven voorouders te herdenken. Men bewaarde hun schedels en liet deze figureren in rituelen die dood en wedergeboorte symboliseerden. Zo bleven de doden, op een 'actieve manier', deel uitmaken van de wereld van de levenden. De festiviteiten waren vooral gewijd aan Mictecacihuatl, de koningin van de onderwereld. Na de komst van de Spanjaarden werd de viering geïntegreerd in het Mexicaanse katholicisme en gingen de rituelen, in enigszins gewijzigde vorm, deel uitmaken van Allerheiligen en Allerzielen.

Mictecacihuatl heeft sindsdien een behoorlijke gedaanteverandering ondergaan en wordt tegenwoordig vereerd als Santa Muerte, ofwel Heilige Dood, een vrouwelijke beschermheilige die meestal wordt afgebeeld als een skelet - gehuld in een lange mantel en voorzien van een zeis en een globe - waarvan de cultus, ondanks strenge veroordeling door de Kerk, de laatste decennia steeds grotere aanhang heeft gekregen. Want niet alleen onder leden van Mexicaanse drugskartels en criminele bendes is ze erg populair, ook bij 'gewone burgers' is dat in toenemende mate het geval, zowel in Mexico als daarbuiten. Vaak betreft het dan mensen aan de rand van de samenlevig of personen die psychisch zijn vastgelopen.

De rituelen van de cultus lijken weliswaar sterk op katholieke geloofsuitingen, door bijvoorbeeld het gebruik van rozenkransen en het houden van processies, maar bij de verering van Nuestra Señora de la Santa Muerte gaat het om een vorm van religie die duidelijk te herleiden valt naar precolumbiaanse tijden, toen het inroepen van de hulp van geesten en goden, in allerlei situaties, nog een normale gang van zaken was. Door haar volgelingen wordt ze onder meer geassocieerd met genezing, bescherming, financieel welzijn en de verzekering van een plaats in de hemel. De overtuiging dat ze wonderen kan verrichten speelt dan ook een zeer belangrijke rol in haar verering (zie Wikipedia).

 



Wat nog rest

Over de directe aanwezigheid van de dood gesproken: de urn met de as van May Khoen staat al ruim vijf jaar bij mij in de woonkamer. Ik brand er zo af en toe een kaarsje voor, op haar sterfdag bijvoorbeeld, of als ik haar heel erg mis. Ik praat nog regelmatig tegen haar en ik denk dat ze soms ook wel eens antwoord geeft. Niet letterlijk maar een soort van. Want ze is er nog steeds, even vluchtig en ongrijpbaar als de ijle ochtendnevel die over een zomers weiland trekt.

©Huub Drenth


vrijdag 29 oktober 2021

Een stadsidylle




 

Mijn vorige post sloot ik af met een recente foto van het badhuis, gelegen in wat zonder meer het leukste buurtje van Groningen genoemd kan worden: de Badstratenbuurt. Zowel May Khoen als ik hebben een groot deel van ons volwassen leven in dit 'dorpje middenin de stad' gewoond en daarom lijkt het me zinvol om aan deze bijzondere plek wat uitgebreider aandacht te besteden.

In het filmpje wandelt Mirre van de Klok, reporter van OOG-tv, samen met 'stadshistoricus' Beno Hofman*1, begin mei 2021, letterlijk door de geschiedenis van het wijkje heen en ondertussen krijgt de kijker ook nog eens een goede indruk van de gemoedelijke sfeer die er altijd heerst. Iets wat vroeger trouwens ook al het geval was, blijkens de foto hieronder.

 

Kleine Badstraat met aan het eind de Niemeyerfabriek (± 1925).

De Badstratenbuurt ligt op loopafstand van zowel het Hoofdstation, de Grote Markt als het Stadspark. Binnen een kwartier ben je op de fiets in De Onlanden, een prachtig Noord-Drents natuurgebied. Via het Emmaviaduct zit je zo op de snelweg en ben je in een oogwenk in Assen of Zuidlaren. Kortom: een mooiere uitvalsbasis bestaat er niet.
May Khoen en ik hebben er soms wel eens over gedacht om te gaan verhuizen. Naar een woning die wat meer comfort te bieden had. Want na al die jaren leefden we nog steeds als studenten en dat vonden we soms best wel enigszins gênant, helemaal als we ons huis vergeleken met de kapitale panden waarin sommige vrienden van ons inmiddels woonden. Toch besloten we dan steeds om te blijven zitten waar we zaten, gewoon omdat we vonden dat dit buurtje, waar voornamelijk jonge mensen woonden en iedereen zijn eigen ding deed, heel erg bij ons paste.


Vroegere bedrijfsactiviteit in de buurt.

Gedurende al die jaren heeft de Badstratenbuurt natuurlijk wel een aantal zeer ingrijpende veranderingen ondergaan, met name langs het Noord-Willemskanaal en ook in het gebied tussen de spoorlijn en de oorspronkelijke woonwijk (waar het zwembad ooit lag en dat daarna eigendom van Niemeyer was). Zo hebben we de huizen aan de Marwixkade gebouwd zien worden, evenals die aan de Marwixhof. Voor die tijd stond aan de loskade langs het kanaal een hele serie bedrijfsgebouwen, evenals in het laatste stuk van de Marwixstraat (waar wij woonden). Zoals de linker foto hierboven laat zien had daar toen de VOP, een firma die in oud papier handelde, een paar grote loodsen (l) en een kantoorpand (r) in gebruik. De gebouwen aan het water werden in de jaren zeventig gesloopt, die aan het eind van de Marwixstraat verdwenen in de jaren tachtig.

 


Het badhuis werd geflankeerd door woonhuizen (klik op foto) en ook die vielen ten prooi aan de slopershamer, waarna er nieuwbouw voor in de plaats kwam. Op de plek waar nu de supermarkt aan de Paterswoldseweg gevestigd is, tegenover de ingang van Niemeyer, bevond zich vroeger in het hoekpand een lampenzaak. Waar die van kon bestaan is me altijd een raadsel gebleven want je zag er nooit een klant. Er waren toen trouwens sowieso veel van dat soort 'spookwinkels' in de stad. De buurt heeft dus wel substantiële uitbreiding ge-kend, qua woningen en inwonertal, maar op het karakter ervan heeft dat absoluut geen negatieve uitwerking gehad. Integendeel, de sfeer is er alleen maar beter door geworden.

May Khoen heeft overigens ook nog een paar jaar aan het Van Brakelplein gewoond. Dat was midden jaren zeventig, toen ze nog Zweeds studeerde en
een relatie had met Rob O., met wie ze  in Amsterdam op de middel-bare school had gezeten. Die straat (het is allesbehalve een plein) ligt in de Zeeheldenbuurt, pal aan de overkant van de Paterswoldseweg, en derhalve dichtbij de plek waar ze later zou komen te wonen. Het uitzicht dat ze daar had was uiterst riant maar ze zei vaak dat ze zich er nooit echt thuis gevoeld had. Niet zoals in de Badstratenbuurt althans, waar het leefklimaat nu eenmaal een stuk minder 'beklemmend' en 'burgerlijk' was.

©Huub Drenth



Van Brakelplein.

 

*1 Stadshistoricus Beno Hofman (1954) is op 28 december 2023 na een kort ziekbed overleden. Beno maakte meer dan 400 afleveringen over de geschiedenis van de stad Groningen voor stadsomroep OOG. Ook werkte hij voor RTV Noord en is hij de auteur van een aantal boeken. In aflevering 57 van de serie De Stadswandeling (mei 2022) bracht hij een bezoek aan de Zuiderbegraafplaats aan de Hereweg en sprak toen met Mirre van de Klok ook over zijn eigen dood.


zondag 24 oktober 2021

Groningen anno 1919

 



Een dwarsdoorsnede van de stad

Op dit YouTube-filmpje werd ik onlangs door een vriendin geattendeerd. Het geeft een goede indruk van het straatbeeld in Groningen zo'n 100 jaar geleden. Dan hebben we het over de tijd waarin mijn ouders ter wereld kwamen, weliswaar niet in Groningen maar dat is hier niet zo van belang, ikzelf woon immers al vijftig jaar in deze stad en mag mijzelf inmiddels dus gerust een Groninger noemen. Het filmpje begint met een rit van het spoorwegviaduct op de Hereweg naar de Grote Markt, via het Hereplein en de Herestraat. Aan het slot van het filmpje zit nog zo'n tocht richting de Grote Markt, maar dan via de Nieuwe en de Oude Ebbingestraat. Het middengedeelte bestaat uit beelden die her en der in de binnenstad zijn gemaakt, aangevuld met opnames vanaf de Martinitoren.

 


De paardenkeuring, Otto Eerelman (1920).

Hoeden en petten

Een van de eerste dingen die me opvielen was dat er omstreeks 1919 nog vrijwel geen auto's te zien waren in de Groningse straten. Wel veel voetgangers, fietsers en politieagenten. Ook reden er al elektrische trams door de stad (de film-camera staat opgesteld naast de bestuurder), voorheen bestonden er enkel paardentrams. Koetsen zie je eveneens een paar keer voorbijkomen, die fungeerden toen als taxi. Goederenvervoer geschiedde nog voornamelijk met handkarren of met paard en wagen. Een niet onbelangrijk deel van het werk van straatvegers bestond daarom uit het opruimen van paardenvijgen. Je had mannen met hoeden en mannen met petten en die hoofddeksels stonden onmiskenbaar symbool voor totaal verschillende werelden, helemaal als de hoed ook nog eens een paraplu bij zich had.

Gefilmd worden was iets zeer ongewoons in die tijd, dat valt goed af te lezen van de nieuwsgierige en starende gezichten, vooral op die van de kinderen. Op een bepaalde manier oogt het allemaal heel recent, wat natuurlijk ook komt door de toegevoegde geluids- en kleureffecten, daardoor besef je niet direct dat iedere persoon die je ziet waarschijnlijk al geruime tijd niet meer in leven is.

 

Zicht op de Waagstraat, april 1945.
Na de slag

Als de camera eenmaal het laatste stuk van de Herestraat heeft bereikt wordt meteen duidelijk hoezeer het gebied rond de Grote Markt sindsdien veranderd is. Hele blokken en huizenrijen zijn verdwenen en toegangswegen verbreed. Hetgeen te maken heeft met de felle strijd die daar heeft plaatsgevonden in de laatste dagen van de oorlog, toen de Canadezen de stad kwamen bevrijden en op hevige Duitse tegenstand stootten. Een groot deel van de statige panden aan het plein en in de aangrenzende straten lag daarna in puin, alleen het stadhuis kwam tamelijk ongeschonden uit de strijd (midden op de foto zien we de ruïnes van de huizen die uiterst links op het schilderij van Otto Eerelman afgebeeld staan). Gedurende de jaren vijftig werd vervolgens tot een volledig nieuwe invulling van dat gebied besloten, in plaats van uit te gaan van de historische situatie. Een beslissing die, afgaande op deze filmbeelden, zonder meer als een gigantische bestuurlijke en stedenbouwkundige blunder kan worden beschouwd.

 


 
Contouren

Vanaf de Martinitoren is goed te zien wat omstreeks 1920 de contouren van de stad zijn. Die verschilden eigenlijk maar weinig van de eeuwen daarvoor, zoals uit bovenstaande kaart uit 1925 blijkt (klik op afbeelding). De meeste mensen wonen duidelijk nog steeds in het gebied binnen de oude vestinggrachten, terwijl het inwonertal van Groningen gedurende de laatste honderd jaar meer dan verviervoudigd was.

Ook het Stadspark, linksonder op de kaart, stelt eigenlijk nog maar weinig voor, helemaal vergeleken met hoe het nu is. Mijn huis staat vlakbij het zwart omlijnde vierkantje iets erboven, tussen 1881 en 1955 was daar, tussen de Kleine Badstraat en het spoor, een 'Gemeentelijke bad- en zweminrichting' gevestigd, een combinatie van badhuis en zwembad. Het directiegebouw staat er nog steeds, nu biedt het onder meer onderdak aan het buurthuis. In de Piet Heinstraat, die op ongeveer dezelfde hoogte aan de overzijde van de Paterswoldseweg lag (en later grotendeels opgeslokt werd door de uitbreiding van tabaksfabriek Theodorus Niemeyer), woonde vanaf begin jaren twintig tante Rika, de jongere zus van mijn grootmoeder. Aan het eind van haar straat begonnen toen nog de weilanden, terwijl ze in een kwartier tijd naar de Grote Markt kon lopen... *1



Links het Badhuis in 1903, rechts de Piet Heinstraat omstreeks 1912.

Mijn grootmoeder Tecla Wessels stamde uit een gezin met vijf kinderen waarvan het merendeel in 1919 nog steeds in de stad Groningen woonde. Het valt daarom niet uit te sluiten dat er verre familieleden van mij in dit filmpje te zien zijn. Maar de vraag of dat ook daadwerkelijk zo is zal vermoedelijk altijd wel onbeantwoord blijven.

©Huub Drenth

 

*1 Over mijn oudtante Henderika Joanna (Rika) Wessels werd in mijn jeugd verteld dat ze op latere leeftijd met een uit Indië teruggekeerde rijke 'koloniaal' was getrouwd. Dat verhaal bleek onjuist te zijn. Op 2 januari 1922 trad ze in het huwelijk met Johannes Christiaan (Jan) Hubert, een weduwnaar met vijf opgroeiende kinderen, de jongste nog maar een kleuter. Hij was boekhouder van beroep en overleed in 1942. Tante Rika stierf eind 1967, ze was toen negentig. In de rouwadvertentie in De Volkskrant werd ze 'onze lieve moeder, grootmoeder en overgrootmoeder' genoemd. Op de foto hiernaast staat ze afgebeeld met de twee jongsten van haar stiefkinderen, te weten Johanna Maria Christina Hubert, geboren in 1911, en Geertruida Cornelia Hubert (Truus), geboren in 1917. Mogelijk is de foto op haar trouwdag gemaakt, die tevens haar 45e verjaardag was; over twee maanden is dat precies honderd jaar geleden. Truus, die haar eigen moeder maar amper gekend had, zou in 1946 haar dochter Henrica Clara Maria Aeneae Venema (roepnaam Claire) dan ook naar haar stiefmoeder vernoemen.  

 
 
 
Zie ook mijn post over de Badstratenbuurt in Groningen.

 

vrijdag 1 oktober 2021

Adieu mon amoureuse joye

 


 
Adieu mon amoureuse joye
Et mon plus plaisant souvenir,
Adieu l'eslite et la mon joye
De mon plus heureux advenir.
Je ne scau mais que devenir,
Puisque j'eslonge vo beaulté,
Madame par ma leaulté.

Car c'est tout le bien que j'avoye
Et l'outrepasse de mon desir,
Ne je n'ai espoir que ja voye
Dame qui me puist esjoir
Si non vous, a qui obeir
Vueil de parfaite volenté
Madame par ma leaulté.

Penser dont a la douleur moye,
Belle se c'est vostre plaisir,
Et gardez le coer que j'avoye
Dont amours me fait deschachier
Pour vous donner dont le choisir
Eulx vostre gratieuseté
Madame par ma leaulté.

 

München
Op 1 oktober 1984 werd May Khoen 'getransplanteerd', dus vandaag exact 37 jaar geleden. Ik merk dat het nog steeds onmogelijk voor me is om daar geen aandacht aan te besteden, ook al zou ik dat willen. Vooral natuurlijk omdat die datum, elke seconde van haar verdere leven, voor Khoen ontzettend belangrijk zou blijven. Niet in het minst omdat ze heel goed besefte dat haar plotselinge voorspoed het directe gevolg was van het trieste feit dat diezelfde dag, ergens in de buurt van München, een jonge vrouw een ernstig verkeersongeluk niet had overleefd. 's Morgens vroeg was dat gebeurd en 's avonds laat werd May Khoen geopereerd en kreeg ze een nieuwe nier. Nadien voelde ze vaak een diepe behoefte om de nabestaanden te bedanken voor het grote geschenk dat ze had mogen ontvangen maar die optie bestond jammer genoeg niet. HD

***

Brussel
De afgelopen tijd ben ik, gedurende de speurtocht naar mijn voorzaten, regelmatig in de late middel-eeuwen terechtgekomen. En daardoor eveneens in de muziek en schilderkunst die kenmerkend waren voor die periode. Dan heb ik het met name over Vlaanderen, Brabant en Henegouwen, gewesten waaruit een aantal van mijn verre voorouders afkomstig bleek te zijn. Het beginpunt werd gevormd door Sint-Pieters-Leeuw, vlak bij Brussel, de plaats waar mijn voorvader Willem van Cutsem van Zuene omstreeks 1450 ter wereld kwam.*1 We hebben het dan over de tijd dat achtereenvolgens Filips de Goede, Karel de Stoute en Maria van Bourgondië over de Lage Landen heersten.

Ter nagedachtenis aan zowel May Khoen als haar jonge anonieme nierdonor heb ik vandaag, enigszins geïnspireerd door mijn verre stamvader uit Vlaams-Brabant, het lied Adieu mon amoureuse joye van Gilles Binchois (1400-1460) opgenomen in deze aflevering van mijn blog, en wel in een uitvoering van het Antwerpse muziekensemble Graindelavoix. De hoofse liefde wordt erin bezongen, een genre dat in de 15e eeuw aan de Bourgondische hoven in Brugge, Brussel en Dijon zeer geliefd was.*2 Het intrigerende schilderij in de videoclip, Portret van een jonge vrouw getiteld, werd omstreeks 1470 vervaardigd door de Vlaamse meester Petrus Christus (1410-1475). De identiteit van de door hem vereeuwigde jongedame is tot op heden nog steeds niet geheel duidelijk, met recht is zij dan ook het gezicht van deze post.*3

©Huub Drenth

 


May Khoen in Hamburg, juli 2015


*1 De familie Van Cutsem zou naar verluidt afstammen van een buitenechtelijke zoon van Hendrik II, hertog van Brabant (1207-1248). Deze zoon werd tot ridder geslagen en kreeg een leen, Cuetssem Velde geheten, nabij Sint-Pieters-Leeuw toebedeeld. Om misverstanden met naamgenoten te voorkomen voegde Willem van Cutsem tweehonderd jaar later de naam van het gehucht waar hij woonde, Zuene, het tegenwoordige Zuun, nog aan zijn familienaam toe.

Sindsdien lopen er duizenden Van Cutsems op de wereld rond. Ik stam af van Arnoldus van Cutsem (1798-1870), een militair afkomstig uit Brussel die omstreeks 1820 in mijn geboortestad Kampen gelegerd was en daar tot zijn dood zou blijven wonen. Hetgeen niet vreemd was want België, Nederland en Luxemburg vormden ten tijde van koning Willem I een staatkundig geheel.

Ik ontdekte dat een andere verre nazaat van Willem van Cutsem, Edward van Cutsem - onze laatste gezamelijke voorouders waren Renier van Cutsem en Margriet Walravens die in het midden van de 17e eeuw leefden - in 2004 trouwde met lady Tamara Grosvenor, dochter van de puissant rijke 6e hertog van Westminster. Edwards vader, Hugh van Cutsem (1941-2013), was een zeer goede vriend van prins Charles. Zijn vier kinderen, met name zijn zonen Edward en William, groeiden dan ook samen op met prins William en prins Harry en zijn tot op de dag van vandaag nog steeds hechte vrienden.HD
*2 Een (Engelse) vertaling van het lied Adieu mon amoureuse joye is te vinden op de site van LiederNet.

*3 Petrus Christus wordt gerekend tot de Vlaamse Primitieven. Op Wikipedia is meer informatie te vinden over zijn schilderstuk Portret van een jonge vouw. Ook over haar mogelijke identiteit is daar informatie te vinden.

 

zondag 26 september 2021

De leste mooie dag



 

 

Op fietse

'K trap de fietse deur 't buulzand hen
Op 'n zandpad tussen Slien en Erm
En as ik dalijk eben in Diphoorn ben dan fiets ik deur
Langs Ermerzand goa'k op Veenoord an
Neij Amsterdam en dan langs 't Dommerskanaal
En as ik dan dalijk de kassen zie dan fiets ik deur
Want ik wul aal wieder ik wul alles zien
De leste mooie dag van 't joar mieskien
Alhoewel 't met de winterdag ok donders mooi kan wezen
Ik wul aal wieder deur noar Weiteveen
Want achter op 't veld daor ma 'k graag wee'n
A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim
Dan giet 't haost vanzölf
Wie döt mij wat, wie döt mij wat
Wie döt mij wat vandage
'K heb de banden vol met wind
Nee ik heb ja niks te klagen
Wie döt mij wat, wie döt mij wat
Wie döt mij wat vandage
'K zol haost zeggen, jao het mag wel zo


Trap de fietse deur 't buulzand hen
Op 'n zandpad langs de Duutse grens
Ik denk da'k dalijk even kieken gao in't buutenland
De gruppe over, op naor Schöningsdorf
Ik stao eben te kieken bij'n iemenkörf
En ik stao hier even te denken wat za'k nou doen links of recht deur
Want ik wul aal wieder nog naor Hebelmeer
'N kaorte he'k nie neudig want ik ken 't hier
Want a'k daor dalijk over 'n slootie
Gao dan ben'k weer terug in Nederland
Ik wul aal weer wieder nog naor Barger-Compas
Naor Klazienaveen-Noord en 't Oostersebos
A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim
Dan giet 't haost vanzölf...
Refrein
En nou gao'k over Barger-Oosterveld
Over 't schoelpattie kort daor bij de Honeywell
En dan recht deur tot de brugge van Oranjedorp
'N stukkie Bladderswieke en dan de Herendiek
En a'k Pastoorse bos en de toren zie
Dan fiets ik deur want 't weijt nie slim

'T giet vandaag vanzölf...

Refrein

 

Daniël Lohues

Ik luister regelmatig naar de podcast van Gijs Groenteman en daarin kwam op 4 augustus jl. een lang interview met singer-songwriter Daniël Lohues (1971) voorbij.
Een nogal opvallend aspect aan Daniëls persoon wordt gevormd door het feit dat hij altijd trouw is gebleven aan zijn roots. Hij woont nog steeds in Zuidoost-Drenthe, de streek waar hij ooit geboren is, terwijl hij best wel een grote naam heeft in de Neder-landse muziekwereld, niet alleen als zanger en liedjesschrijver maar ook als producent. In de jaren negentig richtte hij de band Skik op, een popgroep waarvan het repertoire grotendeels uit nummers in de streektaal bestond. Op fietse uit 1997, over een fietstocht in de omgeving van Emmen en door een stukje Duitsland, is daar een prachtig voorbeeld van en vormde toen min of meer zijn landelijke doorbraak.

Ook hier in Groningen was het vandaag misschien de laatste mooie dag van het jaar en dus heb ik, geïnspireerd door deze muzikale ode, de fiets gepakt en vervolgens een rondje in de omgeving van de stad gemaakt, inclusief een klein uitstapje naar Drenthe. Ongeveer dezelfde route die May Khoen en ik vroeger vaak  aflegden als het mooi weer was. Ik deed het weliswaar in een iets trager tempo dan Daniël Lohues maar ook ik had de banden vol met wind en verder niks te klagen. Ik zou daarom willen zeggen dat het, wat mij betreft, wel vaker zo mag. Ja, zelfs straks in de herfst en de winter.

©Huub Drenth



dinsdag 14 september 2021

Zeg niet dat het een droom was





Antonius door zijn god verlaten

Wanneer, om middernacht, je plotseling
een onzichtbare stoet voorbij hoort trekken
met stemmen en betoverende muziek -
treur dan niet nutteloos om de fortuin
die van je wijkt, je werken die mislukten,
je plannen voor het leven die allemaal illusies bleken.
Je moet, als was je lang voorbereid en moedig,
vaarwel zeggen aan het Alexandrië dat jou verlaat.
Bedrieg vooral jezelf niet, zeg niet dat
het een droom was, dat je gehoor je misleidde:
laat zo'n vergeefse hoop niet tot je toe. Je moet,
als was je lang voorbereid en moedig,
zoals jou, die zo'n stad was vergund, past,
beheerst naar het venster toegaan
en luisteren, met ontroering, niet met
lafhartig klagen en jammeren, in een laatst genieten,
naar de klank der betoverende instrumenten
van de geheime stoet die voorbijtrekt,
en vaarwel zeggen aan het Alexandrië dat je verliest.

Konstantinos P. Kaváfis

 

Vertalers: Hans Warren en Mario Molengraaf.
Afbeelding: fresco met
maenade en sater, blootgelegd in het huis van Lucius Caecilius Iucundus te Pompeï.
Muziek:
Παῦσις/Pausis Ancient Music Ensemble (Rui Fu: zang, Nikos Varelas: bendir, Theodore Koumartzis: antieke Griekse lier).
Voordracht: Huub Drenth.

Kaváfis' gedicht refereert aan de situatie en gemoedstoestand waarin Marcus Antonius, heerser over het oostelijk deel van het Romeinse Rijk en geliefde van de Egyptische koningin Cleopatra, verkeerde op 1 augustus van het jaar 30 v.Chr., nadat Octavianus (de latere keizer Augustus) hem twee keer had verslagen en er niets anders meer voor hem opzat dan zelfmoord te plegen. Plutarchus schreef daarover later dat Marcus Antonius door zijn persoonlijke god, Bacchus, verlaten was. De onzichtbare geheime stoet (van maenaden/bacchanten) die 's nachts uit Alexandrië wegtrekt verwijst naar dat moment.

Zie ook:
https://www.poetrybyheart.org.uk/poems/the-god-abandons-antony/
https://www.youtube.com/watch?v=3j1267BYexc


Huub Drenth

Konstantinos Kaváfis (1863-1933).


zaterdag 11 september 2021

Ella Sigander




I am from
By Ella Sigander

I am from soft beds,
From books and blankets.
I am from beautiful brick houses
And just baked cookies.
I’m from the luscious pink flowers on my favorite tree,
Which I remember every spring.

I’m from a far off place and cobblestone streets,
From mom, to brother, and dad, to me.
I’m from bright colors and long hikes,
From new places to bike.

I’m from castles and dragons,
From prayers and songs.
I’m from Lusia.
I’m from Sweden and Oregon,
Lusia rolls,
And tall cherry trees from grandma’s backyard,
And splashing in the pool,
And little glass fairies on the living room mantle.

This is me.

 

 


 

 

Vlinder en leeuwin

Ella Sigander is een jongedame die in de Amerikaanse staat Oregon woont. Al op vroege leeftijd bleek ze te beschikken over een heel zuiver taalgevoel en een haarscherp waarnemingsvermogen. Bovenstaand gedicht schreef ze bijvoorbeeld toen ze nog maar tien jaar oud was. Alles klopt en is in evenwicht. Als een vlinder met fluwelen vleugels landt ze op de woorden en stijgt dan sierlijk weer op, met haar voelsprieten vluchtig speurend naar nieuwe beelden en betekenissen. Het poëtische talent en de intelligentie spatten er vanaf.

Ella is dyslectisch, een genetische eigenschap die ze met veel andere mensen deelt en die zich met name openbaart op het vlak van spelling en van lezen. Op school leverde dat vaak problemen voor haar op, zowel in de contacten met medeleerlingen als met onderwijzers. Als je het hebt wordt er immers al snel het etiket 'dom' op je geplakt, iets wat in de regel grote implicaties heeft voor het zelfvertrouwen. Gelukkig heeft ze inmiddels geleerd hoe ze op een meer ontspannen manier met haar dyslexie om kan gaan, waardoor het haar leven niet langer volledig bepaalt. Want behalve dwarrelen als een vlinder kan Ella ook vechten als een leeuw indien dat noodzakelijk blijkt. Hetgeen op zich niet zo heel verwonderlijk is want ze is een achternichtje van May Khoen en ze hebben dus veel DNA gemeen.

 


I am going to

In november 2020 heeft Ella een Zoom-interview gegeven aan de site Different & Able. Daarin vertelt ze op zeer eloquente en verhelderende wijze over de problemen en kwetsbaarheden waarmee ze te maken heeft gehad door haar 'andersheid', zoals bijvoorbeeld gepest en uitgelachen worden in de klas. Ella's moeder ontdekte dat er in de jaren zeventig door Carl Ferreri een methode was ontwikkeld om afwijkingen in het zenuwstelsel te behandelen en deze intensieve, lichaamsgerichte, benadering - Neural Organization Technique (NOT) genaamd - heeft, wat Ella's dyslexie betreft, tot zeer positieve resultaten geleid. Ze presteert sindsdien op school veel beter en durft nu zelfs van een toekomst als counselor te dromen. Gezien haar artistieke talent valt echter ook niet geheel uit te sluiten dat ze uiteindelijk schrijver of beeldend kunstenaar zal worden. Je weet immers maar nooit...

Ella's moeder, Jessi Hansen Sigander, is trouwens eveneens door D&A geïnterviewd, in de rol van zowel ouder als deskundige. Ook dat gesprek is zeer de moeite waard, vooral voor mensen die geen idee hebben van de impact die dyslexie op iemands leven heeft, met name op dat van een schoolgaand kind.

 ©Huub Drenth

 

https://differentandable.org/stories/our-interview-ella-sigander
https://differentandable.org/resources/our-interview-dr-jessi-sigander

Schilderij: Corneille