Posts tonen met het label May Khoen's voorouders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label May Khoen's voorouders. Alle posts tonen

maandag 10 november 2025

May Khoen's voorouders ~ deel 20

  



 

Indisch bloed

May Khoen had een aantal 'inlandse' voormoeders, Indonesische vrouwen die, enkele eeuwen geleden, uit relaties met Chinese mannen kinderen kregen. Hoeveel dat er precies waren is niet bekend maar we kunnen gerust aannemen dat het er minstens een paar honderd waren.*1 Er bestaat sowieso maar weinig informatie over deze vrouwen, uit het collectieve geheugen van de Peranakan-gemeenschap (en hun nakomelingen in de diaspora) zijn ze zo goed als verdwenen en in oude documenten worden ze ook niet vaak vermeld. We kennen dus hun namen niet en ook weten we niet uit welke bevolkingsgroepen ze zoal afkomstig waren. Waarschijnlijk kwamen ze meestal van Java of Bali, al is herkomst van andere eilanden ook heel goed mogelijk.*2 Ze hoefden trouwens niet per se uit de Indonesische archipel afkomstig te zijn, uit andere delen van Zuid-Oost Azië - alsmede uit Afrika, Voor-Indië en het Midden-Oosten - kon eveneens het geval zijn. Het betreft dan vrouwen die als slavin in de kolonie terechtkwamen, met name in de 17e en 18e eeuw, toen de VOC in de regio van de Indische Oceaan een belangrijke faciliteerder van de slavenhandel was.*3 

Binnen de Peranakan-gemeenschap wordt tot op de dag van vandaag vrijwel geen aandacht aan dit onderwerp besteed, daar staat vooral het 'Chinees-zijn' op de voorgrond. Aan de gemengde afkomst wil men liever niet herinnerd worden, en ook niet aan de genetische en culturele implicaties van dat gegeven. Hetgeen natuurlijk regelmatig bijzonder ongemakkelijke situaties oplevert, met name in contacten met 'volbloed' Chinezen. Waarschijnlijk gaat mtDNA-onderzoek in de toekomst meer gedetailleerde informatie over deze hybride afkomst verschaffen, daarom lijkt het me nuttig om nu al wat meer aandacht aan de sociale aspecten van de ontstaansgeschiedenis van de Javaanse Peranakan-gemeenschap te besteden. HD



Chinese klontong en (zijn?) inlandse vrouw, 1890.


Chinese migratie

Uit allerlei bronnen blijkt dat er al eeuwenlang Chinese kooplieden aanwezig waren op Java, dus ook al voor de komst van de Europeanen, maar altijd betrof het dan kleine populaties. Vanaf de zeventiende eeuw vestigden zich steeds meer Chinese handelaren en ambachtslieden in de Javaanse kuststeden, daartoe vooral aangetrokken door de toegenomen handelsmogelijkheden tijdens het bewind van de VOC. Meestal waren ze afkomstig uit Fukien (Fujian), een provincie in Zuidoost-China waaraan ze ook hun versie van de Chinese taal, het Hokkien, ontleenden. Vrouwen maakten lange tijd nauwelijks deel uit van deze migratiegolven, hetgeen impliceert dat het in eerste instantie voornamelijk om alleenstaande mannen ging. De logische consequentie daarvan was dat velen van hen relaties aanknoopten met lokale vrouwen, waarmee ze vervolgens nakomelingen kregen.

Deze vermenging verliep bepaald niet zonder wrijvingen. De samenleving op Java was overwegend islamitisch van karakter, waardoor er tussen de Chinese en de Javaanse leefwijze grote religieuze en culturele tegenstellingen bestonden. De traditie van voorouderverering kende men op Java niet en het eten van varkensvlees, zoals bekend een centraal element in de Chinese eetcultuur, werd door de Javaanse moslims als 'haram' (verboden) beschouwd. De verhoudingen binnen de koloniale samenleving werden in sterke mate door de criteria 'ras' en 'status' bepaald, hierdoor konden veel Chinese nieuwkomers, 'sinkehs' genaamd, alleen relaties aangaan met vrouwen uit sociaal zwakke groepen, zoals slavinnen of dochters uit arme gezinnen. Verbintenissen met vrouwen behorend tot niet-islamitische bevolkingsgroepen, zoals bijvoorbeeld van Bali, kwamen ook veel voor. Al deze vrouwen hadden, volgens historica Mary Somers Heidhues, in de regel te weinig maatschappelijke status om hun kinderen volledig op te laten gaan in de lokale cultuur, zoals bijvoorbeeld in (het boeddhistische) Thailand wel het geval was. Zo ontstonden de eerste gemengde huishoudens die, hoewel ze in de Javaanse cultuur geworteld waren - qua voedingsgewoonten, kleding en taal - toch vaak binnen de Chinese culturele setting konden blijven functioneren, dus in de zin van religie, moraal, arbeidsethos en familieverhoudingen. Java was niet de enige plek waar dit gebeurde, in Maleisië en Singapore deden zich min of meer gelijksoortige ontwikkelingen voor.

 

Vrouw van West-Java (Soenda), 1902.

Juridische barrières

Aangezien de stroom van alleenstaande Chinese mannen in de 18e eeuw gestaag bleef groeien begon de koloniale overheid zich steeds meer zorgen te maken over dit soort relaties, onder meer omdat de keizer in Peking de 'overzeese' Chinezen nog steeds als zijn onderdanen beschouwde. Teneinde de strikte rassenscheiding in stand te houden, maar natuurlijk vooral om de explosieve Chinese bevolkingstoename een halt toe te roepen, werden gemengde huwelijken in 1780 dan ook bij wet verboden. De 'onwettige' kinderen die uit dergelijke relaties werden geboren zouden dan voortaan, per definitie, 'inlands' zijn. Deze juridische maatregel had tot gevolg dat een huwelijk tussen een Chinese man en een inlandse vrouw voortaan een zeer tijdrovende en kostbare aangelegenheid werd. De rechtsgeleerde P.H. Fromberg stelde zelfs dat er op Java nooit sprake geweest was van een Chinees die "met een inlandse vrouw, als ware deze een gelijke die voor hoofdvrouw in aanmerking kon komen, wettig gehuwd is."

Toch tonen documenten in de archieven van de Bataviase Kong Koan aan dat zulke huwelijken wel degelijk voorkwamen, zij het dat ze op een nogal ingewikkelde wijze tot stand kwamen. In haar dissertatie, getiteld Van koelies, klontongs en kapteins (Amsterdam, 2009), vermeldt Widjajanti Dharmowijono (geboren Tan Swie Ing Swie) hierover dat inlandse slavinnen, nadat ze waren 'gekocht', eerst officieel moesten worden 'vrijgemaakt'; een slavin kon namelijk niet trouwen, ook niet met een andere slaaf. In alle andere gevallen was het verkrijgen van een bruid overigens ook niet geheel kosteloos, maar als die fase eenmaal achter de rug was kon overgegaan worden tot de volgende noodzakelijke stap: het doorlopen van een adoptieprocedure, hetgeen inhield dat de vrouw in kwestie moest worden opgenomen in een bevriende Chinese familie. Pas wanneer de bruid juridisch als 'Chinees' gold, dus officieel bij een Chinees gezin hoorde en een Chinese naam had, kon het huwelijk door de bevoegde instanties worden goedgekeurd.

 

Njai - door Ernest Hardouin, ca. 1850.
 

De rol van njais

In de praktijk had deze omslachtige en geldverslindende procedure tot gevolg dat veel relaties 'onofficieel' bleven. Chinese mannen leefden samen met inlandse vrouwen zonder dat er sprake was van een huwelijksband. Zo'n vrouw werd een njai genoemd — een concubine die zowel partner als bestierder van het huishouden was. Ook veel Europese vrijgezellen, zoals bijvoorbeeld soldaten of employees van de VOC, leefden op die manier samen met inlandse vrouwen. De kinderen uit deze relaties kregen de 'inlandse' status van hun moeder, tenzij de vader hen erkende of liet adopteren. Ondanks hun onzekere juridische positie hadden veel njais aanzienlijke invloed op de gang van zaken, zowel binnenshuis als in de familiesfeer, zeker in steden als Batavia, Soerabaja of Semarang.

Ook werden sommige relaties uiteindelijk alsnog gelegaliseerd, vaak pas na jaren samenleven. Vanaf het midden van de negentiende eeuw - de koloniale overheid voerde toen een strikte administratieve en juridische indeling van de bevolking in drie etnische categorieën in, te weten: a. Europeanen, b. Vreemde Oosterlingen (waaronder Chinezen) en c. Inlanders - gebeurde dat meestal als er uit die relaties zonen geboren waren en de Chinese vader het wenselijk vond dat die officieel de status van 'Vreemde Oosterling' kregen. Daardoor kwamen ze in de tweede categorie terecht, wat hen meer rechten gaf dan inlanders (ze mochten bijvoorbeeld handel drijven, land verpachten en geld uitlenen)De man diende daarvoor toestemming te vragen aan zowel het lokale Chinese bestuur als de koloniale resident. Hij moest verklaren dat beide partners ongehuwd waren en aantonen dat er geen religieuze bezwaren bestonden. Na goedkeuring van het verzoek vond een bescheiden ceremonie plaats: het bruidspaar bracht offers aan de voorouders en dronk gezamenlijk thee - symbolen van een huwelijksvoltrekking in de Chinese traditie. De vrouw bleef officieel 'inlandse', maar werd in de koloniale administratie opgenomen als wettige echtgenote van een Chinees. De kinderen werden hierdoor wel officieel 'Chinees', waardoor ze toegang hadden tot Chinees onderwijs en onder het koloniale Chinese rechtssysteem vielen. Ook konden ze daardoor binnen de Chinese bevolkingsgroep trouwen.

 

Chinese vader met kind en baboe, 1911.


Polygynie en gezinsstructuren

Naast de juridische barrières speelde ook de huwelijksstructuur zelf een rol in de manier waarop Chinese mannen relaties aangingen met inlandse vrouwen. In de Chinese traditie, vooral onder welgestelde mannen, was 'polygynie' – het hebben van meerdere echtgenotes of concubines – niet alleen sociaal geaccepteerd maar ook een belangrijk statussymbool. Binnen de koloniale context kreeg dit gebruik een nieuwe vorm. De eerste, 'echte', echtgenote van een Chinees was meestal een vrouw van Peranakan-Chinese afkomst, bij de elite betrof het dan vaak een dochter uit een Chinese officiers-familie. Zij vervulde de rol van t’si, hoofdvrouw, die de voorouderlijn en erfopvolging waarborgde. Vrijwel altijd was er in deze situaties sprake van uithuwelijking, dus van een afspraak tussen de wederzijdse ouders en families. Daarnaast konden Chinese mannen ook een of meerdere ch’ieh of bijvrouwen hebben — vaak inlandse vrouwen of slavinnen die als concubine fungeerden. In deze gevallen maakte hij de keuze zelf.

Polygynie was niet alleen een uiting van status, maar kon ook een sociale strategie zijn. Voor mannen die zich op een bepaalde plek vanwege economische redenen hadden gevestigd bood een relatie met een inlandse vrouw toegang tot lokale netwerken, talen en handelscontacten. De inlandse vrouw vervulde daarbij zowel een persoonlijke als economische rol: zij bestierde het huishouden, onderhield sociale banden met de Javaanse omgeving en voedde de kinderen op. Soms leefden hoofdvrouw en bijvrouw onder één dak, vaker apart; in koloniale documenten worden zulke huishoudens wel eens beschreven als 'Chinees huis met inlandse bijvrouw'.

 


Chinese vrouw op Java, omstreeks 1867.

Deze situatie van meerdere vrouwen schiep een complexe hiërarchie binnen het gezin. De Peranakan-Chinese hoofdvrouw had juridische en ceremoniële voorrang, terwijl de inlandse bijvrouw en haar kinderen zich aan de marge bevonden van zowel het Chinese als het koloniale rechtssysteem. Kinderen van een concubine konden alleen de status van Chinees krijgen als de vader hen officieel legitimeerde, aangezien ze bij de geboorte de status van hun moeder kregen. Voor veel inlandse vrouwen betekende dit dat zij economisch afhankelijk bleven - ze waren letterlijk rechteloos - en dat hun kinderen vaak een onzekere etnische en juridische status hadden. Dit was nog sterker het geval als de vrouw in kwestie een slavin was, waardoor haar kinderen automatisch ook binnen die categorie vielen. Toch vormden deze 'tweede gezinnen' een wijdverspreid verschijnsel in de kuststeden van Java, met name in Batavia, Cirebon en Semarang.

Het bestaan van polygynie versterkte de asymmetrie van macht en status in gemengde relaties. De inlandse vrouw had zelden dezelfde rechten als de Chinese hoofdvrouw, maar zij oefende via haar rol als moeder en huishoudster vaak informeel wel grote invloed uit. In die zin bevestigde de koloniale praktijk van concubinaat en polygynie tegelijkertijd de ondergeschikte positie van de vrouw én haar onmisbare rol als culturele intermediair. Via haar leerde het kind de taal en de gewoonten (en soms ook de religie) van het land. De kinderen uit zulke relaties groeiden op in twee culturen tegelijk, maar hoorden nooit volledig bij één van beide. Ze waren niet helemaal Chinees en ook niet helemaal Javaans, maar dragers van een nieuwe, gemengde identiteit die de grenzen van ras en cultuur overschreed. Waarbij natuurlijk niet vergeten mag worden dat op de kinderen van 'inlandse' slavinnen niet alleen de taal en cultuur van hun moeders werd overgedragen maar ook de diepe trauma's die het leven van tot slaaf gemaakten kenmerkten.

 

Peranakans echtpaar met kind, ca. 1930.

De Peranakan-gemeenschap 

Uit de vermenging tussen Chinese mannen en inlandse vrouwen ontstond een bevolkingsgroep die later de Peranakan-Chinezen werd genoemd. Het woord peranakan betekent letterlijk 'lokaal geboren afstammeling' en duidt op de Chinezen die in de archipel waren geboren uit gemengde relaties en huwelijken. Ze spraken Maleis of Javaans, droegen batik kleding, vierden zowel Chinese als Javaanse feestdagen en combineerden voorouderverering en taoïstische en confuciaanse gebruiken met islamitische en lokale tradities. Ook wat ze dagelijks aten was voor een belangrijk deel op Javaanse eetgewoonten gebaseerd. Na een aantal generaties was deze gemeenschap inmiddels zo groot dat er genoeg vrouwelijke huwelijkspartners binnen de eigen groep beschikbaar waren, huwelijken met inlandse vrouwen kwamen daardoor vrijwel alleen nog onder totok-Chinezen voor, dus onder migranten die uit China kwamen en alleen Chinees spraken.*4 Mary Heidhues benadrukt dat de Peranakans geen 'geassimileerde inlanders' waren, noch 'pure Chinezen', maar een zelfstandige hybride groep die een sleutelrol speelde in de koloniale economie. Ze vormden de tussenlaag van kooplieden, tolken, landeigenaren en belastingpachters die de Europese koloniale wereld met de inlandse bevolking verbond.

Die tussenpositie was echter ook precair. In het koloniale systeem van etnische indeling - men zou het een voorloper van 'apartheid' kunnen noemen - stonden de Peranakan-Chinezen, in strikt juridische zin, onder de Europeanen, maar boven de inlanders. In werkelijkheid werden ze door beide groepen gewantrouwd omdat ze door hen als 'te vreemd en te afwijkend' werden ervaren. Door de totok-Chinezen van nieuwere migratiegolven werden ze bovendien vaak ook niet als soortgenoten gezien, voor die categorie waren ze zowel 'te inlands' als 'te on-Chinees', aangezien ze meestal geen Chinees spraken. Toch waren zij, zoals Heidhues het uitdrukt, de 'intermediary elite' waarop de koloniale samenleving draaide — economisch onmisbaar, cultureel ambigu.


Chinees gezin met bedienden, Batavia ± 1900.

Veranderende tijden

Vanaf ongeveer 1850 begon deze dynamiek te veranderen. De koloniale handel met China nam toe, mede door de introductie van stoomschepen, en met de nieuwe migratiegolven kwamen nu ook veel Chinese vrouwen naar de archipel. Hierdoor konden meer totok-Chinezen binnen hun eigen etnische groep trouwen. Voorheen was die mogelijkheid alleen weggelegd voor de Peranakan-Chinezen, aangezien die hun zonen en dochters aan elkaar uithuwelijkten. Door de toename van totok-Chinezen, die een veel directere band met China hadden, begon men binnen de Peranakan-gemeenschap afstand te nemen van polygynie en relaties met inlandse vrouwen, deels uit statusoverwegingen en deels ook uit angst om op te gaan in de omringende islamitische meerderheidscultuur. In 1860 werd bovendien de slavernij afgeschaft. Schaamte, vanwege de gemengde afkomst, begon eveneens een rol te spelen. In de beeldvorming werden inlandse vrouwen steeds vaker gekarakteriseerd als ‘moreel inferieur’ en 'slaafs', typeringen die sterk bijdroegen aan het sociaal onaantrekkelijk maken van relaties met deze vrouwen. Dat deze zienswijze, met terugwerkende kracht, ook op de eigen voormoeders van toepassing was deed kennelijk niet ter zake.

Omdat de koloniale overheid een strikte indeling van de bevolking in etnische categorieën had ingevoerd werd het vanuit juridisch en administratief oogpunt eveneens wenselijk dat de Chinezen - evenals andere Vreemde Oosterlingen zoals Arabieren en Klingalezen - zich duidelijk onderscheidden van de inlandse bevolking, zowel in officiële documenten als in het dagelijks leven. Zo werden ze bijvoorbeeld verplicht om in dezelfde wijk te wonen en om in de publieke ruimte, de voor hun groepering geldende, traditionele kleding te dragen. In de grotere steden op Java, zoals Batavia, Semarang en Soerabaja, ontstonden hierdoor 'Chinese kampen' waarin de Peranakan-bevolking, evenals de Chinese nieuwkomers, zich steeds meer concentreerden. Deze geografische scheiding had tot gevolg dat de sociale interactie met de inlandse bevolking aanzienlijk verminderde, wat vanzelfsprekend ook de kans op het ontstaan van gemengde relaties veel kleiner maakte.

 


Javaanse vrouw, 1865.

Mede door de komst van veel meer totok-Chinezen was er vanaf het midden van de negentiende eeuw sprake van een sterke 'sinificatie' van de hybride Peranakan-cultuur, een ontwikkeling die gepaard ging met een hernieuwde oriëntatie op China en het patriarchale, en patrilineaire, confucianistische gedachtengoed. Vrouwen die niet binnen die traditie waren opgegroeid, en de normen en waarden ervan dus ook niet konden doorgeven aan hun kinderen, werden daardoor steeds meer als 'ongeschikte partners' beschouwd. Binnen de Javaanse inlandse gemeenschappen vond er in die periode overigens eveneens een religieuze en culturele heropleving plaats, relaties met niet-moslims werden daardoor lang niet meer zo gemakkelijk geaccepteerd als voorheen.

Al deze processen leidden ertoe dat het aantal gemengde relaties binnen de Peranakan-gemeenschap, ooit een integraal onderdeel van hun identiteit en cultuur, in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk begon af te nemen. Rond 1900 vinden huwelijken inmiddels grotendeels binnen de eigen culturele setting plaats, vrijwel altijd op basis van uithuwelijking. De herinneringen aan de inlandse voormoeders verdwijnen dan al snel uit het collectieve geheugen, zo snel zelfs dat sommigen van hun nazaten, zoals bijvoorbeeld May Khoen's vader, kennelijk niet eens meer op de hoogte waren van hun bestaan.*5 Wat niet wil zeggen dat daarmee ook al hun sporen waren uitgewist, de taal, gebruiken en tradities die kenmerkend waren voor de Peranakan-cultuur op Java stamden immers voor een belangrijk deel van hen af. En vanzelfsprekend verdwenen de sporen ook niet in genetische zin, tot op de dag van vandaag vertonen veel Peranakan-Chinezen in hun fysieke verschijning uitgesproken 'Indische' trekken; ook bijvoorbeeld bij May Khoen was dat duidelijk het geval, hetgeen regelmatig misverstanden opleverde.*6 Gezien de grote betekenis die de Peranakan-gemeenschap voor de koloniale samenleving (en geschiedenis) heeft gehad, mag de inbreng van deze inlandse vrouwen dus onder geen beding gebagatelliseerd worden. Laat staan volkomen genegeerd. Meer aandacht en respect voor hun rol, invloed en nalatenschap lijkt me dan ook zeer gewenst.


©Huub Drenth

 


May Khoen Tan, 1952-2016.

 

*1 Voor de berekening van dit getal heb ik me gericht op het tijdvak 1700-1850. In deze periode leefden voorouders van May Khoen die zo'n zes tot tien generaties van haar verwijderd waren. In totaal waren dat ongeveer 2000 personen, waarvan de helft vrouwen. Vanzelfsprekend waren lang niet al deze vrouwen afkomstig van Java, of van andere plekken buiten China, daarom heb ik de voorzichtige schatting van twintig procent gehanteerd en kwam ik uit op minstens tweehonderd 'inlandse/niet-Chinese' voormoeders.

*Java werd bevolkt door verschillende etnische groeperingen waarvan de meerderheid islamitisch was. De grootste bevolkingsgroepen waren de Javanen uit Centraal- en Oost-Java, de Soedanezen uit het westen en de Madoerezen van het eiland Madoera, met elk hun eigen taal en tradities. Hoewel hun culturen op tal van punten verschilden deelden ze met elkaar een sterk geloof in geesten en magie, wat te maken had met de invloeden van animisme, hindoeïsme en boeddhisme. Ook de hindoeïstische religie op Bali was sterk animistisch van aard, anders dan in India het geval was namen de geesten van overleden voorouders in tal van rituelen en ceremonies een belangrijke plaats in. Vrouwen afkomstig van andere eilanden, zoals bijvoorbeeld Celebes of de Molukken, waren meestal tot slaaf gemaakten (zij werden door piraten geroofd of in oorlogen buitgemaakt en vervolgens op slavenmarkten verhandeld). Ook voor vrouwen afkomstig van Java en Bali gold overigens vaak dat ze de status van 'slavin' hadden.
*In Nederlands-Indië kwam op 1 januari 1860 een einde aan de slavernij. In Nederland wordt hier vrijwel nooit bij stilgestaan, en dat terwijl de slavernij in Oost-Indië eerder begon en omvangrijker was dan in de westelijke koloniën. In het jaar 1750 bijvoorbeeld waren er 75.000 slaven in vestigingen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) tegenover 64.000 in Suriname en de Cariben. Ga voor uitgebreide informatie hierover naar het artikel van Marjolein Overmeer op Kennislink. 
*4 Het Javaanse woord 'totok' ('volbloed') wordt gebruikt om personen met 'puur/onvermengd' bloed aan te duiden, in principe kan het betrekking hebben op alle etnische groepen, dus ook op Europeanen. De eerste golven van totok-Chinese migranten vermengden zich met de inlandse bevolking en hun kinderen werden Peranakan-Chinezen genoemd. De latere generaties nieuwkomers uit China hadden vaak Chinese vrouwen, ook hun kinderen waren daardoor totok-Chinezen (ze spraken Chinees en bleven gericht op China en de Chinese cultuur). Uiteindelijk was er op Java dus sprake van twee verschillende groepen Chinezen, elk met hun eigen taal en cultuur.

Van May Khoen's betovergrootvader Sih Khay Hie (1851-1936) weten we dat hij een totok-Chinees was, afkomstig uit China, zijn vrouw Liem Kiem Hong Nio (1864-1935) was van Peranakan-Chinese afkomst. Tjoa Tjiauw Nio (1775-1800), May Khoen's oudst bekende voormoeder, was waarschijnlijk een inlandse vrouw die door adoptie opgenomen werd in de familie Tjoa. Zij was getrouwd met Goei Poen Kong (1765-1806), de in China geboren stamvader van de Semarangse Goei-clan. Het betreft hier voorouders die acht generaties verwijderd zijn van May Khoen.
*5 Toevallig is het vandaag de geboortedag van May Khoen's vader Tan Swie Tong. In 1926 werd hij geboren in Semarang. Hij leeft nog steeds, dus inmiddels is hij 99. Sinds 1979 woont hij in Escondido, Californië.

*6 Vaak werd May Khoen aangezien voor een 'Indo'. De term 'Indo' is een afkorting van het woord 'Indo-Europeaan', zijnde een nazaat van een Europese (stam)vader en een Indische voormoeder. In Nederland wordt met 'Indo's' hoofdzakelijk gedoeld op de groep Nederlanders met een deels Zuidoost-Aziatische achtergrond in combinatie met een (vaak lange) familiegeschiedenis in het voormalige Nederlands-Indië. Veel Indo's stammen af van de 'gewettigde' nakomelingen van Europeanen en hun respectievelijke njais, ze hebben dan ook Europese voor- en achternamen. Net zoals dat bij de Peranakan-Chinezen het geval was vormden ze op den duur een aparte etnische en culturele groep binnen het koloniale bestel, met eigen hybride taalvormen zoals bijvoorbeeld Javindo en Petjo. Ze vervulden onder meer functies in het legerhet ambtenarenapparaat, de cultuur- en mijnbouw, evenals in de handel en het onderwijs. Omdat ze de Nederlandse nationaliteit hadden emigreerden veel Indo-Europeanen na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland (met name Den Haag), Australië, Canada en de VS.

Aanbevolen literatuur:

Eleazar Zorab, De publiekrechtelijke toestand der Vreemde Oosterlingen in Nederlandsch Oost-Indië (1890),
Claudine Salmon, Literature in Malay by the Chinese of Indonesia (1981),
Mary F. Somers Heidhues, Chinese Minorities in Southeast Asia (1992); Chinese Indonesians: A History of Assimilation and Resistance (2003),
Reggie Baay, De njai: Het concubinaat in Nederlands-Indië (2008),
Widjajanti Dharmowijono, Van koelies, klontongs en kapteins: het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza 1880-1950 (2009),
Guo-Quan Seng, The Gender Politics of Confucian Family Law: Contracts, Credit, and Creole Chinese Bilateral Kinship in Dutch Colonial Java, 1850s–1900 (2018),
David van Reybrouck, Revolusi: Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld (2020),
Patricia Tjiook-Liem, Chinezen uit Indonesië: De geschiedenis van een minderheid (2022). 

   

Chinese Kamp, Java 1890.

  

Dit was deel 20 van May Khoen's voorouders.

Zie voor deel 19 
(over Peranakan-huwelijksgebruiken): https://maykhoentan.blogspot.com/2024/07/may-khoens-voorouders-deel-19.html 

 

maandag 15 juli 2024

May Khoen's voorouders ~ deel 19

 


Bruidspaar, Singapore omstreeks 1930.

Over Peranakan-huwelijksgebruiken

Zijn er in eene familie twee kinderen, b.v. een zoon en eene dochter, dan wordt het als eene wet beschouwd, dat het oudste het eerst trouwt. Zoodra de zoon en de dochter getrouwd zijn, begint de grootmoeder voor het vrouwelijke kroost beschikkingen te maken, in dier voege dat de dochter van de getrouwde dochter met de zonen van den getrouwde zoon in het huwelijk treden mag. Daarentegen mogen de kinderen van broeders, tot in het vierde lid, niet onderling trouwen, want tot zoo ver strekt zich bij de Chinezen de naauwe verwantschap uit. Zoodra daarentegen eene dochter getrouwd is, wordt zij niet meer als tot de familie behoorende beschouwd.

Wanneer er in twee met elkaar bevriende families een zoon en eene dochter zijn, dan worden deze zonder hun weten door hunne ouders onderling verloofd. Als een regel geldt, dat een meisje met haar zestiende en een jongeling met zijn achttiende jaar moet verloofd zijn. Deze aldus in stilte door hunne ouders verloofden mogen elkaar tot op den dag van trouwen noch zien, noch leeren kennen. Maar op dien dag gaat de bruidegom in gala met groote staatsie, met muzijk (Europesche, Javaansche en Chinesche) en door den zoogenaamden koppelaar, een stokoud man, den oudsten, dien men vinden kan, en door veertien oude vrouwen vergezeld, naar het huis der bruid. Daar aangekomen zijnde, wordt de bruidegom door den vader en den oudsten broeder der bruid met groote staatsie ontvangen. Hij drinkt een kop thee al dansende en springende, verrigt daarna een gebed en wordt dan eerst door den vader en oudsten broeder der bruid, alsmede door zes ceremoniemeesters (zoo mogelijk neven, die in gala verschijnen) tot voor de deur der bruid gebragt, die hem daar gesluijerd hare opwachting maakt. Twee personen, die met een vreesselijk geweld op het bekken slaan, gaan den bruidegom in de bruidkamer voor en stellen zich naast het bed (eene soort van eerbewijzing voor den bruidegom). In de bruidkamer gekomen zijnde, neemt de bruidegom der bruid den sluijer af en nu zien zij elkaar voor de eerste maal en beide begroeten vervolgens het bed, hetgeen eveneens eene soort van eerbewijs is, drinken daarna arak en thee te zamen en zetten zich aan eene tafel, waarop de fijnste en uitgezochtste Chinesche geregten voorgediend worden, wier getal op 16 bepaald is, die echter niet te gelijk, maar vier aan vier op tafel komen. Aan tafel mag slechts de kamenier der bruid bedienen, echter in tegenwoordigheid der verwanten en van eene groote menigte gasten.

 


Peranakans huwelijksbed en -kamer, Penang begin 20e eeuw.

 

Koppelaars en astrologen

Bovenstaand fragment uit een artikel van prins Aquasi Boachie in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, uit 1856, geeft een beeld van de huwelijksgebruiken bij de Peranakan-Chinezen op Java in het midden van de negentiende eeuw.*1 In grote lijnen kwamen die overeen met de huwelijksgebruiken van de Peranakan-gemeenschappen in de rest van Indonesië en ook van die in Maleisië, Singapore en het Thaise Phuket. Wat niet vermeld wordt is dat het huwelijksfeest in die tijd wel twaalf dagen kon duren, met op elke dag een ander ritueel of ceremonie, en dat rijke families soms vele honderden gasten uitnodigden. Vijftig jaar later was het aantal dagen inmiddels teruggebracht tot twee à drie, maar ik kan me voorstellen dat het feest min of meer op die traditionele en overdadige manier verliep toen May Khoen's betovergrootvader Oey Tiang Lam omstreeks 1860 trouwde met Tan Soe Nio, de dochter van Luitenant Tan Tjoen Tiat, een zeer vermogend man die een paar jaar later tot Majoor van de Kong Koan in Batavia benoemd zou worden.

Er was altijd sprake van uithuwelijking, trouwen uit liefde kwam niet voor, soms werd dan ook een beroep gedaan op een koppelaar(ster). Om te bepalen of de jongen en het meisje, die elkaar meestal niet kenden, bij elkaar pasten werd de hulp van een astroloog ingeroepen. Als deze tot de conclusie kwam dat er, op basis van de horoscopen, niet gesproken kon worden van een goede match ging het huwelijk niet door, waarna er naar een nieuwe huwelijkspartner op zoek gegaan moest worden. Was die match er wel dan waren de twee vanaf dat moment met elkaar verloofd en konden de voorbereidingen voor het huwelijksfeest van start gaan. Ook het bepalen van de meest geschikte huwelijksdag werd aan de astroloog overgelaten (zie de afbeelding hieronder, de astroloog had die gegevens kennelijk nodig inzake het huwelijk van May Khoen's oom Louis met Lena Liem in 1949). Niet alleen de zegen van de ouders maar ook die van de hemelse machten was dus onontbeerlijk voor het sluiten van een huwelijk. Wat echter geenszins wil zeggen dat zo'n verbintenis vervolgens automatisch een doorslaand succes werd want of de twee nieuwbakken echtelieden met elkaar op konden schieten moest natuurlijk nog blijken...

 

Astrologische gegevens Louis Oey en Lena Liem.

Veranderende tradities

De codes en gedragsregels van de Peranakan-gemeenschappen in de diaspora waren in het algemeen minder rigide dan in China het geval was. Dit kwam onder meer doordat er vanaf de 17e eeuw een min of meer afgebakende mengcultuur ontstond, waarin weliswaar het Chinese element de boventoon voerde maar die tevens gekenmerkt werd door  sterke inheemse en Europese invloeden. Dit laatste gold bijvoorbeeld voor de wijze waarop huwelijken tot stand kwamen - in een volgende post ga ik hier verder op in - en ook voor wat men 'huwelijksrecht' zou kunnen noemen. Het feit dat op een gegeven moment meer vrouwen dan mannen verzoeken tot echtscheiding bij de Kong Koan van Batavia indienden vormt een overtuigend bewijs voor de nogal afwijkende regels die op dit vlak in Nederlands-Indië golden. In China hadden vrouwen namelijk überhaupt niet het recht om echtscheiding aan te vragen.*2
Binnen de sociale geledingen van de Peranakan-gemeenschap op Java kenden veel mensen elkaar, direct of indirect en vaak zelfs over grote afstanden. Huwelijken vonden dan ook vrijwel altijd binnen de eigen culturele groep plaats. Doordat ze een etnische minderheid vormden, bovendien met een eigen taal, ontwikkelden ze een sterk gevoel van identiteit, want ondanks de verbintenissen die Chinese mannen in de 17e, 18e en 19e eeuw met inheemse vrouwen aangingen hadden veel Chinese gebruiken toch stand weten te houden. De band met het moederland was nooit helemaal verloren gegaan, waardoor het confucianisme nog steeds de boventoon voerde, zij het wel op een wat gematigder manier dan in China het geval was, dit natuurlijk vanwege de totaal andere sociaal-politieke verhoudingen. Ondanks al die 'vreemde', en later ook 'moderne' invloeden bleef, tot ongeveer de jaren dertig van de twintigste eeuw, uithuwelijking het regulerende principe als het om het sluiten van echtverbintenissen ging. Daarna verschoof de ideale huwelijksleeftijd weliswaar naar ergens begin twintig, en kregen jonge mensen meer recht op een eigen keuze, maar ook dan was toestemming van de ouders nog steeds een absolute vereiste.


Hedendaags 'traditioneel' Peranakan-huwelijk in de stad Malakka.

De bruidsschat

Vaak huwden kennissen en zakenrelaties hun zonen en dochters aan elkaar uit, om op die manier de banden tussen de families te verstevigen. In de regel werd er op heel jonge leeftijd getrouwd: meisjes waren 15 of 16 jaar, jongens een paar jaar ouder. Ook 'dubbelhuwelijken' kwamen geregeld voor, een zoon en een dochter van de ene familie trouwden dan met de dochter en zoon van een andere familie. Bruidsschatten hoefden dan niet te worden betaald en andere onkosten, zoals bijvoorbeeld die van de zeer uitgebreide feestmalen (voor heel veel gasten), konden eveneens worden gedeeld. Een dergelijke situatie deed zich ook voor in May Khoen's familie. Toen May Khoen's oma (Nel) Ko Kiong Nio in september 1921 trouwde met Willy Oey was zij 16 en hij 18. In diezelfde tijd trouwde haar oudere broer Ko Hong Liem met Willy's jongere zus Corry, ook hun leeftijden verschilden ongeveer twee jaar. Het kan bijna niet anders of beide bruiloften vonden op hetzelfde tijdstip plaats; hoogstwaarschijnlijk was daartoe besloten door de vaders Ko Djie Soei en Oey Tjien To, die elkaar goed kenden uit het Semarangse zakencircuit.   
Als de familie rijk was vormde de bruidsschat geen probleem, het lag echter anders als iemand arm was, zonder bruidsschat immers geen huwelijk en dus ook geen zicht op nageslacht. Sinkehs, alleenstaande jongemannen die uit China afkomstig waren, moesten eerst genoeg geld verdienen om een bruidsschat te kunnen betalen en dat kon vele jaren duren. Voor hen kon het daarom profijtelijk zijn om zich te laten adopteren door een familielid (met dezelfde familienaam) met alleen maar dochters, dus door een gezin waar een wettige erfgenaam ontbrak. De mannelijke lijn van die tak kon dan alsnog worden voortgezet en ook was op die manier de uitvoering van de rituelen om de voorouders te eren, voor het huisaltaar, in de tempel of bij het graf, gewaarborgd voor de toekomst. Vanzelfsprekend hoefde de nieuwe zoon zich over de bruidsschat dan geen zorgen meer te maken, aangezien er zo spoedig mogelijk kleinzonen geboren dienden te worden.

 

Chinees bruidspaar, Ternate 1870.

Over incest, bijvrouwen en concubines

Huwelijken tussen leden van families met dezelfde familienaam waren niet toegestaan, aangezien dit als een vorm van incest werd beschouwd. Waarschijnlijk zondigde May Khoen's vader tegen deze oude confucianistische regel toen hij met zijn tweede vrouw, een totok Chinese, trouwde. Haar familienaam is Tjien en die spelling was de Nederlandse schrijfwijze van de Mandarijn-Chinese naam Chén. Tan, de familienaam van May Khoen's vader, is de Hokkien-versie van deze zelfde familienaam. Het Chinese karakter ervoor is . In de hoogtijdagen van de Bataviase Kong Koan was de straf voor een dergelijke verboden verbintenis 60 stokslagen, en dat gold niet alleen voor de man en vrouw in kwestie maar ook voor de getuige. Het huwelijk werd nietig verklaard en huwelijksgeschenken werden door de Kong Koan geconfisqueerd.

Het hebben van bijvrouwen, en dus van veel kinderen (lees: zonen), werd gezien als een belangrijk statussymbool en kwam tot in het begin van de twintigste eeuw nog regelmatig voor. Ook May Khoen's overgrootvader Ko Djie Soei had meerdere vrouwen, waarschijnlijk gold dat zelfs voor zo'n beetje al haar verre mannelijke voorouders. De eerste vrouw werd gekozen door de ouders en die verbintenis werd groots gevierd, zij bleef dan ook altijd de bijzondere status van hoofdvrouw houden. De andere vrouwen werden gekozen door de man zelf, en soms ook door zijn hoofdvrouw, op die keuzes hadden zijn ouders dus geen invloed meer. Van Oei Tiong Ham, in zijn tijd verreweg de rijkste man van Zuidoost-Azie en ook de persoon aan wie May Khoen's overgrootvader Ko Djie Soei zijn vermogen voor een groot deel te danken had, is bekend dat hij, naast Goei Bing Nio aan wie hij door zijn ouders uitgehuwelijkt was, nog zeven bijvrouwen had. In totaal verwekte hij zesentwintig kinderen bij hen. Behalve die acht 'officiële' vrouwen zou hij ook nog minstens achttien concubines hebben gehad.*3


©Huub Drenth

 

Bong Lap Sine en echtgenote, West-Borneo omstreeks 1930.*4
 
*1 Aquasie Boachi,  Mededeelingen over de Chinezen op het Eiland Java. Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, Volume 4, nr 2, pag. 287-288 (1856). Ga voor meer informatie over prins Aquasi Boachie naar Wikipedia.
*2 Chinese vrouwen mochten volgens de traditie niet voor de tweede keer trouwen en dat gebeurde dan ook niet vaak. Het hertrouwen van een vrouw werd in het algemeen als een schande gezien. Het is belangrijk om te weten dat kinderen, volgens confucianistisch recht, bij de familie van de man hoorden en dat ze die dan kwijtraakte. In het geval dat zij wel hertrouwde, moest zij bij de Kong Koan verklaren hoe haar eerste huwelijk was geëindigd, door het overlijden van haar echtgenoot of door een echtscheiding. Indien zij een echtscheiding achter de rug had, moest zij verklaren wat de reden daarvan was geweest, de naam en het woonadres van haar voormalige echtgenoot opgeven alsmede de tijdsduur van het vorige huwelijk en eventueel de namen en de levensomstandigheden van de kinderen. Een dergelijke verklaring werd dan bijgeschreven in het huwelijksregister. Informatie over het vorige huwelijk van een man werd daarentegen zelden genoteerd.
De aanvragers van de 499 echtscheidingszaken tussen 1843 en 1865 waren 387 vrouwen (78 procent) tegenover slechts 112 mannen (22 procent). Dit verschil werd veroorzaakt door het feit dat de levensomstandigheden van de Chinezen in Batavia nogal afweken van die in hun stamland. Hoewel zowel de officieren van de Kong Koan als de gemeenschap in het algemeen de Chinese moraal wilden handhaven, werden zij tegelijkertijd ook sterk beïnvloed door de koloniale wetten en de complexe sociaal-culturele setting waar ze deel van uitmaakten. Echtscheidingen kwamen namelijk op veel grotere schaal voor onder de inheemse bevolking en eveneeens bij andere zogeheten 'vreemde oosterlingen' zoals b.v. Arabieren, Maleiers en Brits-Indiërs. Dit impliceerde dat een Chinese vrouw, als het om het aanvragen van echtscheiding ging, vaak beïnvloed (en gesteund) werd door haar moeder of grootmoeder, wanneer die een inheemse achtergrond hadden.
Bron: Chen Menghong, De Chinese gemeenschap van Batavia, 1843-1865: een onderzoek naar het Kong Koan-archief, Leiden 2011 (pag. 150 e.v.).
*3 Volgens May Khoen's oma (Nel) Ko Kiong Nio was het niet ongewoon binnen de Chinese gemeenschap dat wanbetalers een dochter aan de schuldeiser afstonden als ze niet aan hun financiële verplichtingen konden voldoen. Mogelijk is dat de verklaring voor het grote aantal concubines dat Oei Tiong Ham bezat (sommige bronnen noemen zelfs het getal vijftig). Over hoe die vrouwen/meisjes leefden, of wat hun positie precies was binnen de Peranakan-gemeenschap, is helaas weinig bekend.

*4 De Chinezen van West-Borneo vormden een nogal afwijkende etnische groep binnen het koloniale bestel. Voordat de VOC op Borneo vestingen had waren zij daar reeds prominent aanwezig, voornamelijk in de zogenaamde Chinese districten in het westen (op het grondgebied van de vorsten van Sambas, Mampawa, Landak en Pontianak). Het merendeel van de immigranten bestond uit Hakka-Chinezen, afkomstig uit de provincie Fukien/Fujian. Wat de Wester-afdeling op Borneo zo aantrekkelijk voor hen maakte was de aanwezigheid van rijke goudaders daar ter plekke. De gouddelvers verenigden zich in de achttiende eeuw in kongsi's die als quasi-onafhankelijke republiekjes, naast en ten opzichte van de Maleise sultans in wier territoria zij gevestigd waren, een eigen politiek voerden. Ook met het Nederlands gouvernement onderhandelden ze als waren ze een soevereine staat. In de negentiende eeuw leidde dit tot een aantal gewapende conflicten met Batavia, waaraan voorgoed een einde kwam toen de goudaders uitgeput raakten en de Chinezen gedwongen waren om naar een andere vorm van broodwinning op zoek te gaan. (Bron: W. Dharmowijono; Van koelies, klontongs en kapiteins.)

 

Chinees echtpaar met kind, Java 1870.

Advies: Bezoek de website van de tentoonstelling Verbinding van culturen, in 2015-2016 georganiseerd door het Museum Volkenkunde te Leiden, voor wat meer informatie over Peranakan-huwelijksgebruiken op Java (met name bij één familie uit de upper class, het verschaft dus geen representatief beeld). Ook op de website van het CIHC is enige informatie te vinden.

Zowel in Singapore als Maleisië is tegenwoordig sprake van een revival van een huwelijksfeest in ouderwetse Peranakan-stijl (zie ook het filmpje boven). Op deze Singaporese site is een overzicht te vinden van de rituelen die dan uitgevoerd worden. Sowieso is er in Maleisië en Singapore veel meer kennis over dit soort onderwerpen aanwezig, evenals over tal van andere Peranakan-gerelateerde zaken. 'Baba Nyonya culture' heet het daar, men hoeft bijvoorbeeld alleen maar de termen 'baba', 'nyonya' en 'wedding' in te voeren op Google of YouTube en men stoot meteen op een schat aan informatie. Kortom: het 'leeft' daar en ook bestaan er speciale musea die het culturele erfgoed in ere houden. In Indonesië en Nederland is dat, op die schaal, niet het geval, mogelijk heeft dit met de onderdrukking en vernietiging van de Chinese cultuur in Indonesië - die meteen na de onafhankelijkheid begon en ten tijde van het Suharto-regime zeer extreme vormen aannam - te maken.

 


Bakul Siah, Singapore.

 

vrijdag 21 juni 2024

Betty Oey




 

Those were the days

Vandaag honderd jaar geleden werd May Khoen's moeder Betty Oey Kiem Lian geboren in Semarang. Ze overleed in 1970, in Amsterdam, ze was toen 46. Betty is de persoon rechts op de (ingekleurde) foto, de andere twee zijn haar broer Louis en haar schoonzus Lena. In januari 1950 vertrok ze met haar echtgenoot Tan Swie Tong naar Nederland, Louis en Lena zou ze daarna nooit meer terugzien.*1

De foto dateert van eind jaren veertig. Hoe onbezorgd zag het leven er toen nog uit! Betty had geen andere broers of zussen, dus ongetwijfeld zal ze Louis en Lena erg gemist hebben nadat ze uit Indonesië vertrokken was. Temeer omdat Lena in verwachting van haar eerste kind was toen Betty en haar man naar Europa afreisden. Waarschijnlijk leed ze permanent aan heimwee, omdat haar leven in Nederland en op Aruba totaal anders verliep dan ze had verwacht.

In Semarang behoorde ze tot de lokale Chinese elite en leefde ze in weelde, maar in Nederland werd ze geconfronteerd met allesbehalve luxueuze omstandigheden en soms ook met openlijke discriminatie, zoals bijvoorbeeld in trams of in winkels. Ook moest ze de zorg voor het huishouden, evenals die voor de kinderen, op zich nemen, hetgeen een groot contrast vormde met Indië waar dat soort taken, in het milieu waarin zij opgegroeid was, grotendeels overgelaten werd aan kokkies, baboes en andere inlandse bediendes. Zonder de hulp van haar moeder, die bij het gezin van Betty en haar man inwoonde, zou ze het dan ook zeker niet gered hebben. Heel lang schreef ze haar broer en schoonzus nog geregeld brieven maar midden jaren zestig hield ze daarmee op. Waarna Louis zich steeds vertwijfelder, dat blijkt uit brieven aan zijn moeder, afvroeg of het wel goed ging met zijn zus.


©Huub Drenth




Betty en Lena op bezoek in Bandung, ca. 1948.


 *1 Zie ook mijn post over de verloving van Louis en Lena in augustus 1948, evenals May Khoen's voorouders ~ deel 18.