maandag 22 juni 2020

Zomer ~ Martinus Nijhoff





De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. 
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.


De brug

Vandaag precies vier jaar geleden is May Khoen gestorven. Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat ze er helemaal niet meer is. Zolang ze herinnerd wordt bestaat ze, zo simpel is het. Dit is de periode van midzomer, de tijd dat de dagen het langst duren en de nachten het kortst. Er is veel licht en warmte, alleen dat al maakt dat je aan haar moet denken.

In het beroemde sonnet De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff (uit 1934) komt alles samen: deze en gene zijde, plus de brug die beide zijden verbindt. Een schip vaart eronderdoor terwijl een vrouw bij het roer psalmen zingt. Haar stem doet heden en verleden met elkaar versmelten. Voor enkele seconden...



De Kamper IJsselbrug met aan de overkant het station, jaren zestig.

De rivier

Ik ken die brug. Een soort vage afspiegeling ervan, althans. Ik heb mijn jeugd doorgebracht in Kampen en daar had je, over de IJssel, de 'Lange brug'. In Kampen stond de kerk maar aan de overkant, in IJsselmuiden, lag het kerkhof. Daar werd iedereen begraven en dat gold voor alle gezindten, inclusief de atheïsten.*1 Vrijwel elke doordeweekse dag kon je op de IJsselkade wel een rouwstoet zien rijden, stapvoets meestal en begeleid door doodbidders, die wij 'kraaien' noemden. Eenmaal bij de brug aangekomen werd al het verkeer stilgelegd - vanaf beide zijden, meen ik me te herinneren. Als er dus werd gezegd dat iemand 'de brug was overgegaan' werd daarmee bedoeld dat die persoon gestorven was en inmiddels ook begraven. "Ik hoef nog lang niet de brug over," zei mijn vader daarom vaak; en daar bleef hij bij, zelfs toen hij de honderd naderde.

Behalve het kerkhof lag aan de overzijde van de IJssel ook het openluchtbad Seveningen. En niet te vergeten: het NS-station van het lijntje naar Zwolle, waar ik op de HBS zat. Om daar te komen moest je dus ook eerst over die brug
, op de fiets of lopend. In mijn jonge jaren heb ik vaak aan de reling gestaan om naar de rijnaken onder me te kijken. Want als ze zwaar beladen waren hoefde het hefdeel niet voor ze op. Het water stroomde soms over de gangboorden, zo diep lagen ze dan. Ik weet nog dat ik ook wel eens, heel stoer, een vrouw achter het stuurwiel heb zien staan en dat ik me daar toen zeer over verwonderde.

Een psalm waar de zinsnede 'Prijs God, Zijn hand zal u bewaren' in voorkomt bestaat niet, maar dit terzijde. De moeder van de dichter was heilsoldate en in die paar woorden heeft hij haar hele evangelie samengevat. Zij vaart richting de eindbestemming, de hand vast aan het roer, haar gemoed vol overgave en vertrouwen. Het beeld dat het gedicht bij mij oproept is niet zozeer dat van mijn moeder, die erg gelovig was en graag het Ave Maria zong, maar vooral dat van May Khoen. Op het moment dat ze, heel vastberaden, aan de finale oversteek begon.


©Huub Drenth

 

May Khoen, zomer 1985.


Het gedicht De moeder de vrouw werd begin september 2018 voorge-lezen door Arianne ter Beek in de kerk van de Hervormde Gemeente te Bunschoten. Het schip in het filmpje is de Oude Jan uit Hasselt, op het Eemskanaal bij Groningen. Dit is de laatste aflevering in de cyclus 'De vier jaargetijden', die ik vorig najaar opende met het gedicht Herfstdag van Rainer Maria Rilke. De herfst was May Khoen's favoriete seizoen, voor mijzelf is dat de zomer.

*1 Het kerkhof lag/ligt in IJsselmuiden op een oude alluviale zandrug, dus in hoger gelegen gebied. In het verleden, toen de Zuiderzee nog bestond, kwamen er soms overstromingen voor in Kampen en omgeving maar op die plek bleef het altijd droog.

Zie ook mijn post van 24 juni 2019: Een grafsteen over onze zuster



zaterdag 13 juni 2020

May Khoen's voorouders ~ deel 7



Chinese jonken op de rede van Singapore, begin 19e eeuw.

Mijn naspeuringen naar May Khoen's familiegeschiedenis verlopen in de regel behoorlijk moeizaam. Dit heeft vooral te maken met het feit dat ik geen toegang heb tot archieven waar geboortes, overlijdens en huwelijken op een overzichtelijke manier zijn vastgelegd. Die archieven bestaan trouwens ook niet maar op het internet valt gelukkig zo af en toe toch wel wat te ontdekken. Ook het gegeven dat veel namen nogal op elkaar lijken maakt het bepaald niet simpeler, om maar te zwijgen over de verschillende schrijfwijzen van een en dezelfde naam. Ook levert de duiding van het gevonden materiaal vaak problemen op, omdat de gegevens afkomstig zijn uit een ander tijdsgewricht en een andere culturele setting. Toch ben ik inmiddels best wel ver gekomen. In het begin wist ik bijna niks en nu weet ik iets meer. Ook neemt daardoor het besef toe van wat er allemaal nog meer te weten valt. Waarna zich automatisch de vraag aandient of ik dat nog ga uitzoeken of niet. Vaak zeg ik tegenwoordig dan nee, omdat ik ondertussen geleerd heb dat de kans groot is dat mijn speurwerk niks op gaat leveren, of dat ik in het, vaak schemerige, labyrint van de koloniale geschiedenis terechtkom. HD


Peranakan 'adel'

Bij Oey Tjien To, May Khoen's overgrootvader van moederskant, heb ik het zoeken echter niet opgegeven en dat is een goede beslissing geweest want uiteindelijk is het me toch gelukt om zijn voorouderlijke lijnen bloot te leggen (klik op de afbeelding hieronder). En wat blijkt: Oey Tjien To behoorde tot wat de Cabang Atas (Tjabang Atas, letterlijk: hoogste tak) genoemd werd, oftewel het peranakan-patriciaat, een gesloten en geprivilegieerde Chinese klasse waarvan de levensstijl door veel bestuurlijke macht (binnen de eigen etnische groep) en grote materiële rijkdom gekenmerkt werd. Hetgeen impliceert dat ook zijn vrouw Liem Ko Nio uit deze sociale laag afkomstig was, aangezien uithuwelijking binnen dezelfde kaste nu eenmaal de norm was. De leden van deze elite verkregen, indien ze door het gouvernement ingestelde bestuurlijke functies uitoefenden, de rang van Luitenant, Kapitein en Majoor der Chinezen (ook al was er geen sprake van een leger). Het waren rangen die ook titulair toegekend konden worden, als een soort hoge onderscheiding. Al hun (mannelijke) nazaten bezaten het erfelijke recht om de titel 'Sia' achter hun eigennaam te zetten, waardoor iedereen meteen wist tot welke stand ze behoorden.*1 Veel van hun bezittingen, rechten en privileges hadden ze zich vaak al in de 18e (en soms zelfs 17e) eeuw verworven, dus we kunnen er zonder meer van uitgaan dat de geschiedenis van hun aanwezigheid in de Indische gewesten in sterke mate gekoppeld is aan die van de VOC.

 


Luitenant Oeij Tiang Lam

In mijn post van 7 mei jl. schreef ik dat het Bataviaasch Nieuwsblad van 15 juli 1902 meldt dat de dag erna het stoomschip Van Diemen uit Batavia zal vertrekken met aan boord Oei Tjin To en echtgenote, en eveneens een persoon die Oei Tian Lam heet. Ik zat me toen af te vragen of dat wellicht de naam van zijn vader was, aangezien het stel nog erg jong was. Welnu, dat blijkt inderdaad het geval te zijn.

Oeij Tiang Lam (± 1846 - 1902) is de zoon van Oeij Ing Soan/Oeij Eng Swan, tot 1876 Kapitein der Chinezen in Pekalongan (daarna mag hij, vanwege bewezen diensten, de titel Kapitein-titulair voeren). Ook
Oeij Tiang Lams broer Oeij Tiang Goan is Kapitein der Chinezen in Pekalongan (van 1876 tot 1888). Van deze Oeij Tiang Goan weten we dat hij onder andere in hout handelde en over opslagplaatsen beschikte in de haven van Batavia en eveneens in Sendang, een dorpje in het regentschap Kendal (niet ver van Krengseng, zie onder). Hij was tevens erfpachter van grote arealen landbouwgrond in de residentie Pekalongan. Oeij Tiang Goan overlijdt eind 1888 en wordt op 13 maart 1889 opgevolgd door zijn jongere broer, Oeij Tiang Hoa, die op die datum (van Luitenant) tot Kapitein der Chinezen bevorderd wordt. Hun broer Oeij Tiang Lam, May Khoen's betovergrootvader, had zelf de titulaire rang van Luitenant der Chinezen. Waarschijnlijk was hij de jongste van de drie.

 

Brief aan Kapitein Oeij Eng Swan/Oeij Ing Soan, oktober 1873.


We kunnen op basis van het voorgaande gevoeglijk aannemen dat Oeij Tiang Lam geboren is in de stad Pekalongan, en er ook zijn jeugd heeft doorgebracht. Hij is daar echter niet blijven wonen want op een gegeven moment verhuist hij naar Batavia, hetgeen waarschijnlijk te maken heeft met bepaalde 'politieke' ontwikkelingen binnen de Bataviase Chinese gemeenschap.

Omstreeks 1862 trouwt Oeij Tiang Lam met Tan Soe Nio (geboren ± 1845), dochter van Tan Tjoen Tiat (陳濬哲, 1816 - 1880), Kapitein der Chinezen in Batavia, en diens gade Liem Bian Nio.*2 In 1865 wordt schoonvader Tan Tjoen Tiat door het gouvernement tot Majoor der Chinezen benoemd. Daardoor komt hij aan het hoofd te staan van de Bataviase Kong Koang, de Chinese Raad, en bekleedt hij in feite de allerhoogste bestuurlijke functie die een Chinees kan bereiken in de kolonie.*8 Dat klinkt veel mooier dan het is want al snel krijgt hij binnen dat orgaan met veel tegenwerking en gekonkel te maken.


Majoor Tan Tjoen Tiat.

Bataviase avonturen

Vermoedelijk is Oeij Tiang Lam, na zijn huwelijk, in Pekalongan blijven wonen en verliet zijn bruid Tan Soe Nio het ouderlijk huis in Batavia om zich bij hem te voegen. Dat was namelijk de gewoonte bij peranakan-echtverbintenissen. Na 1865, toen zijn schoonvader Majoor der Chinezen in Batavia was geworden, kwamen de kaarten echter anders te liggen. Omdat de benoeming van Tan Tjoen Tiat, door het gouvernement, niet was verlopen conform het advies van de Chinese Raad - die doorgaans in Batavia bestond uit één majoor, twee of drie kapiteins en een aantal luitenants - kreeg hij te maken met interne tegenstand binnen dat instituut, waarna hij zijn positie probeerde te versterken. Het is daarom heel goed mogelijk dat hij zijn schoonzoon heeft gevraagd zich in Batavia te vestigen met het oogmerk hem in de officiersrangen te laten opnemen, waardoor hij automatisch lid van de Kong Koan zou worden. Zowel in 1872 als in 1878 deed hij daartoe een voordracht maar beide keren werd zijn verzoek afgewezen.*3 Oeij Tiang Lam werd dus geen lid van de Chinese Raad maar kreeg in 1882, zijn schoonvader is dan inmiddels overleden, wel het recht om zich Luitenant-titulair der Chinezen te mogen noemen, dit vanwege bewezen diensten.




Twee Chinese dames en vier kinderen

In 1893 keert Oeij Tiang Lam weer terug naar de residentie Pekalongan. Op 15 augustus 1893 meldt het Bataviaasch Nieuwsblad dat de volgende dag per s.s. Speelman naar Pekalongan zal vertrekken: 'de Luitenant der Chinezen Oeij Tiang Lam met twee Chinese dames en vier kinderen'. Bovenstaande advertentie staat een maand later in dezelfde krant. Hij verkoopt z'n hele hebben en houden, inclusief pianino (piano), orgel, ledikanten, brandkast, palankijn (draagstoel voor vrouwen/meisjes), tentwagen (rijtuig met baldakijn) en Coupé Clarence (koets). Waarom hij precies vertrekt is onbekend maar gezien de weelde waarin hij overduidelijk leefde kunnen we er gerust van uitgaan dat hij ergens anders niet in een leeg klein huisje terechtgekomen is. Ook mogen we inmiddels concluderen dat zijn zoon Oey Tjien To, May Khoen's overgrootvader, in 1885 in Batavia geboren is, aangezien Oeij Tiang Lam daar minstens vanaf 1870 gewoond heeft.*4


Vendutie in Batavia, door J.C. Rappard.

Op de site MyHeritage valt informatie te vinden over de kinderen van Oeij Tiang Lam en Tan Soe Nio: Oey Tjin San (1863), Oey Yan Hie (1867, dochter) en Oey Tjin Whee (1870). Mij zijn echter ook nog bekend: Oey Tjin Ho (1871) en Oey Tji(e)n To (1885). De laatste is May Khoen's overgrootvader. In Indië bestond geen burgerlijke stand zoals in Nederland, er zouden dus nog meer nakomelingen kunnen zijn (zoals ook het krantenbericht uit 1893 suggereert). Dat zou dan mogelijk ook de verklaring vormen voor het grote leeftijdsverschil tussen Oey Tjien To en de andere kinderen (als zijn geboortejaar juist is, tenminste).

Er zou echter ook iets anders aan de hand kunnen zijn, en dan doel ik op polygynie. Tot ongeveer 1900 was het volstrekt normaal dat een rijke Chinees meerdere 'wettige echtgenotes' had, een hoofdvrouw en een aantal bijvrouwen, en soms ook nog een serie concubines. En bijgevolg heel veel kinderen. Waarschijnlijk speelt dat ook hier een rol, dus wellicht had Oey Tjien To een andere moeder.

Het speelde in ieder geval een rol in het leven van de dochter van Oeij Tiang Lam (en zus van Oey Tjien To), Oey Yan Hie, die getrouwd was met Khouw Kim Po (1863 – 1908), Kapitein der Chinezen in Batavia. Bij vier vrouwen verwekte hij in totaal veertien kinderen. Khouw Kim Po was de oudere broer van Khouw Kim An (許金安), die van 1910 tot 1945 (de laatste) Majoor der Chinezen in Batavia was.*5 En deze was weer een zoon van de negende concubine van zijn vader Khouw Tjeng Tjoan. De Khouw-clan werd, in de tweede helft van de negentiende eeuw, beschouwd als een van de machtigste en rijkste Cabang Atas-dynastieën op Java en dat kon mede afgeleid worden uit het grote aantal nazaten van stamvader Khouw Tjoen, die omstreeks 1770 de oversteek uit Fukien had gemaakt. Via het huwelijk van zijn zus was May Khoen's overgrootvader Oey Tjien To dus gerelateerd aan deze dynastie, de familie Khouw van Tamboen genaamd, die een aantal grote landerijen rond Batavia bezat (onder andere het particuliere land Molenvliet).


Majoor Khouw Kim An.

Oey Tjin Ho

Hoe de levens zijn verlopen van de eerste vier kinderen van May Khoen's betovergrootvader Oeij Tiang Lam heb ik niet kunnen achterhalen. Ik veronderstel dat ze allemaal in Batavia zijn achtergebleven toen hij in 1893 met z'n gezin naar de residentie Pekalongan vertrok, omdat ze toen ongetwijfeld inmiddels getrouwd waren en kinderen hadden. Van Oey Tjin Ho (1871 - 1946), de jongste van de vier, vond ik nog wel wat sporen.*9 Op 15 maart 1906 reist hij met s.s. Koningin Wilhelmina naar Singapore, samen met twee broers van zijn zwager Kapitein Khouw Kim Po, te weten Khouw Kim Siong en Khouw Kim An, alsmede Tan Tjoen Hong, gewezen Luitenant der Chinezen te Buitenzorg.*5 Op 29 maart 1906 keert het gezelschap met s.s. van Swoll weer terug in Batavia.

Jaren later, op 28 september 1918, is er een vendutie in zijn huis op Molenvliet-Oost te Batavia (in Tanki, nabij de Chinese wijk Glodok). Mogelijk maakt het deel uit van het perceel waar zijn overleden zwager Khouw Kim Po woonde (op Molenvliet). Dat grondstuk, met bebouwing, is een paar maanden eerder, na jarenlang gesoebat, voor 150.000 gulden aan de gemeente Batavia verkocht om infrastructurele redenen. Het ligt dus voor de hand dat Oey Tjien To, die zich op basis van zijn afkomst Tjien To Sia mocht laten noemen, hier gewoond heeft toen hij de Koning Willem III-HBS in Batavia bezocht.


Molenvliet, Batavia jaren twintig.

Gebang Anom en Piet

Op 13 april 1895 meldt dagblad De Locomotief: "Aan den Chinees Oey Ting Lam, erfpachter der percelen Gebang Anom I, II en III, gelegen in het district Keboemen, afdeeling Batam, residentie Pekalongan, is tot wederopzeggens vergunning verleend om voor de rijstcultuur op het perceel Gebang Anom III gebruik te maken van het water uit de langs en over dat perceel stroomende leidingen." In een artikel in diezelfde krant van tien jaar eerder, 26 oktober 1885, dat handelt over de erfpachtpercelen in de residentie Pekalongan, wordt melding gemaakt van het feit dat het land Gebang Anom (Krengseng), waar padi verbouwd wordt, ook reeds in handen is gevallen van Chinezen, die kennelijk de Europese planters in Pekalongan aan het verdringen zijn. Het zou dus kunnen dat Oeij Tiang Lam in 1895 al minstens tien jaar de (erf)pachter is van die percelen en dat Cornelis Pechler, lid van een bekende Indo-Europese familie in de residentie Pekalongan, de onderneming al die tijd voor hem heeft geadministreerd, aangezien Oeij Tiang Lam tot 1893 in Batavia woonde.
*6

Hierna wordt het stil rond Oeij Tiang Lam. Hij overlijdt in de nacht van 24 op 25 mei 1902 te Pekalongan en daarvan doen zijn zonen Oeij Tjin Ho en Oeij Tjin To kond aan de wereld in De Locomotief en het Bataviaasch Nieuwsblad.
*7 Ook in de Haagsche Courant van 3 juli 1902 wordt zijn overlijden gemeld. Over de andere leden van de familie Oey komen we niets te weten in de rouwadvertentie en dat is eigenlijk best jammer. Waar we wel achter komen is dat Oey Tjien To zich in zijn jonge jaren Piet liet noemen, een naam die je totaal niet bij hem had verwacht.


©Huub Drenth



Bataviaasch Nieuwsblad, 29 mei 1902.


*1 https://en.wikipedia.org/wiki/Sia_(title)

*2 Zie voor een levensbeschrijving van Tan Tjoen Tiat: https://en.wikipedia.org/wiki/Tan_Tjoen_Tiat

*3 Monique Erkelens, Leiden 2013, The decline of the Chinese Council of Batavia (pag. 158/159): "In the late nineteenth century the close connection between certain elite families and the position of Chinese officer encountered increasing resistance from within colonial government circles. Although there was still a preference for candidates from respectable and well-off families, the appointment of candidates who were closely related to officers still in office was regarded as questionable. In 1872 the governor-general raised his objection to the residents nomination of Oeij Tiang Lam to the post of lieutenant, as he was the son-in-law of Major Tan Tjoen Tiat. The governor-general argued that eene familie regering onder alle hemelstreken de slechtste is (in every country, a family government is the worst possible scenario) and he accused the resident of giving in to the majors persistent pleas to appoint his son-in-law. It appears that the Chinese major had repeatedly pleaded with the resident that if none of his family members were appointed he would be laughed at and unable to exercise influence in his community. This kind of nepotism was a common feature in the appointment of Chinese officers and it was a way to consolidate and maintain power within family circles and it was exactly this practice that the colonial government now strongly disapproved. The nomination was cancelled. In 1878 Oeij Tiang Lam was nominated for the post of lieutenant once again, only to be met with objections from the advisor for Chinese affairs, who claimed that the Chinese Council in its present composition already seemed to be an association of family and friends. At his urging, Oeij Tiang Lam was rejected again."

NB  De titel/functie van Majoor was in 1837 speciaal in het leven geroepen voor de drie Kong Koangs op Java (respectievelijk gevestigd te Batavia, Soerabaja en Semarang), later kon hij ook uit eerbetoon toegekend worden (aan iemand die reeds de rang van Kapitein had).

*4 Van de aanwezigheid van Oeij Tiang Lam in Batavia rond die tijd vinden we bewijzen in de berichtgevingen van de Java-Bode. Op 3 juni 1870 meldt de krant dat hij, vanuit Batavia, voor f. 20.000 aan specie naar Singapore uitgevoerd heeft. Op 4 oktober 1871 verzendt hij een zeer grote lading goederen naar Pekalongan. 

*5 Zie voor een levensbeschrijving van Khouw Kim An: https://en.wikipedia.org/wiki/Khouw_Kim_An

*6 Erfpacht voor land toebehorend aan het gouvernement gold voor een periode van 75 jaar, voor gewone pacht was dat 20 jaar.

*7 Dit impliceert dat iemand anders, onder zijn naam, op 16 juli 1902 in Batavia aan boord ging van s.s. Van Diemen, mogelijk zijn zoon Oeij Tjin Ho.


Ingang wooncomplex Kapitein Khouw Yauw Kie, Molenvliet ± 1872.


*8 Voor een beter begrip van de functie van de Kong Koan binnen de Chinese gemeenschap van Batavia, en van de werkzaamheden van haar officieren, juist in dat tijdsgewricht, verwijs ik graag naar de dissertatie van Cheng Menghong, Leiden 2009: De Chinese gemeenschap van Batavia, 1843-1865 : een onderzoek naar het Kong Koan-archief (https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/14501). En eveneens naar de dissertatie van Monique Erkelens, Leiden 2013: The decline of the Chinese Council of Batavia: the loss of prestige and authority of the traditional elite amongst the Chinese community from the end of the nineteenth century until 1942 (https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/21954).

*9 (13/03/2023) Later ontdekte ik nog dat Oeij Tjin Ho getrouwd was met Gouw Tjay Kin. Zij kregen in 1904 een zoon die Oey Jauw Tjong heette. Deze Oey Jauw Tjong trouwde vlak na de oorlog met Jeannette Elisabeth Hoogendoorn, afkomstig uit een Indo-Europese familie (en weduwe van Pieter Brandenburg, die in september 1944 als krijgsgevangene was omgekomen bij de scheepsramp van de Junyo Maru). Hun zoon Oen Swan (Jim) Oey stichtte een gezin in Nederland, samen met de uit Den Haag afkomstige Lucie (Loes) de Zwart. Zonder het te weten had May Khoen dus verre verwanten in Nederland die, net zoals haar moeder Betty, de achternaam Oey droegen. 

Dit was deel 7 van May Khoen's voorouders.
Zie voor deel 6: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/05/may-khoens-voorouders-deel-6.html

Zie voor deel 8: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/08/may-khoens-voorouders-deel-8.html


donderdag 21 mei 2020

Iederièn bluuft i ze kot





Katrien uit Vlaanderen

Tijdens de verplichte corona-quarantaine in België nam de Vlaamse zangeres Katrien Verfaillie, vanuit haar kot, het lied Kunnik nemi na joen komn op. Katrien komt oorspronkelijk uit Stavele in de Westhoek, vlakbij zee en pal tegen de Franse grens, maar is tegenwoordig woonachtig in Gent.
*1

Ik heb ooit, via internet, een boek verkocht aan een vrouw in Stavele. Ze vertelde me dat ze, vanuit haar dakraam, een Franse kerktoren kon zien. Ook de kerkklokken kon ze horen. Dat vond ik toen erg intrigerend, omdat ze letterlijk op de grens van de Germaanse en Romaanse talen woonde (ook al spraken ze in dat stukje Frankrijk vroeger eigenlijk ook Vlaams). Stavele ligt aan de rivier de IJzer, in een gebied waar na de Eerste Wereldoorlog geen steen meer op de andere stond en de aarde nog lang bezaaid lag met schroot en munitie. Al dat spul is natuurlijk zo goed mogelijk opgeruimd maar tegenwoordig ontploffen er ook nog wel eens granaten, bijvoorbeeld als boeren aan het ploegen zijn. Omdat er daardoor nog altijd dodelijke slachtoffers vallen duurt het oorlogsleed in die streek eindeloos voort. De twintig euro voor dat boek heb ik trouwens nooit ontvangen. De Vlaamse dame had het per brief verstuurd, dus ik denk dat een medewerker van de posterijen het achterover heeft gedrukt.



De brug over de IJzer bij Stavele, omstreeks 1912.

In haar lied spoort Katrien iedereen aan om begrip op te brengen voor de quarantainemaatregelen, die in België overigens veel strenger waren dan in Nederland. Bij mij was dat begrip er aanvankelijk ook wel, maar intussen begint het me de keel uit te hangen dat ik nog steeds niet 'echt' naar buiten kan. Want afgezien van de winkels is in feite alles nog steeds gesloten. Binnenkort mag wel iets meer maar heel veel is dat welbeschouwd eigenlijk ook weer niet, ook dan geldt de onderlinge afstand van anderhalve meter immers nog steeds. De winter heeft, wat mij betreft, lang genoeg geduurd. Ik begin me eenzaam te voelen, iets wat ik, sinds Khoen overleden is, niet eerder zo heb ervaren. Daar komt nog bij dat 'COVID-19' in Noord-Nederland, en zeker in Groningen, hele lage statistieken kent, iets waar ze tot op heden in Den Haag, op advies van onderkoning Jaap van Dissel, geen rekening mee wensen te houden.
*2

Katrien Verfaillie heeft de tekst van haar lied op de muziek van Het dorp van Wim Sonneveld gezet, dus de nostalgie naar 'hoe het vroeger was' klinkt in alles door. Als je een beetje je best doet is het West-Vlaams goed te volgen, al zitten er wel een paar zinsneden in de tekst die, voor iemand die niet uit die streek afkomstig is, problemen op kunnen leveren.*
3

De meeste Nederlandse en Vlaamse dialecten kennen een veel grotere klankenverscheidenheid dan het Standaardnederlands (het vroegere ABN). Door het oprukken van het Standaardnederlands, dat sterk op de 'Hollandse' (West-Nederlandse) dialecten gebaseerd is, is die grote diversiteit aan klanken en intonaties steeds meer aan het verdwijnen. Persoonlijk beschouw ik dat als een enorm verlies maar gelukkig is de schoonheid van vroeger nog niet helemaal teloor gegaan. E pertank ol hièlega nie i Vloandern, goddank.  
  

©Huub Drenth



*1 De Westhoek, een streek in de provincie West-Vlaanderen, en de exclave Baarle-Hertog (in Nederland) waren de enige stukken Belgisch grondgebied die niet door de Duitsers bezet waren gedurende WO I.

*2 NB Vanuit een virologisch standpunt gezien bleek dat juist te zijn, de pandemie greep namelijk razendsnel om zich heen. Later zou echter blijken dat het
Outbreak Management Team (OMT) wel degelijk van elke vorm van empathie was gespeend. Vooral de bewoners van verzorgings- en verpleegtehuizen zouden dat (letterlijk) aan den lijve gaan ondervinden, want die kwamen in een totaal isolement terecht. 

*3 Zie voor de tekst en vertaling: https://www.frankverhallen.nl/frank-verhallen/gedicht-gedacht.html/5142/3-4-katrien-verfaillie-kunnik-nemi-na-joen-komn/


Covid-19, ziekenhuisopnames tot op heden.



donderdag 7 mei 2020

May Khoen's voorouders ~ deel 6



Tussen twee werelden

 

Ik heb de afgelopen tijd veel nagedacht over hoe ik de persoon Oey Tjien To, May Khoen's overgrootvader van moeders kant, nader zou gaan belichten (zie ook mijn post van 11 maart jl.). En ik kwam er niet uit, eerlijk gezegd. Want enerzijds is hij iemand waar best veel informatie over te vinden is, terwijl hij anderzijds ook een persoon is waar je absoluut geen hoogte van krijgt. Hij verkeert van jongs af aan in de hoogste (koloniale) kringen, maar waarom dit zo is heb ik tot op heden niet kunnen ontdekken. Aan hem voorbijgaan is onmogelijk want in feite heeft hij de vaderrol voor May Khoen's moeder vervuld, nadat haar eigen vader (zijn zoon Willy Oey) zich van het leven had beroofd. Tegelijkertijd is het zo dat ook haar oma, zijn schoondochter, door wie May Khoen mede is opgevoed, meer dan dertig jaar deel van zijn huisgezin heeft uitgemaakt, dus ook op haar leven heeft hij een belangrijke stempel gedrukt. Eenzelfde invloed kan natuurlijk toegeschreven worden aan zijn echtgenote Liem Ko Nio.
Hieronder zet ik op een rij wat ik zoal over hem te weten gekomen ben. Om het overzichtelijk te houden beperk ik me in eerste instantie tot de periode 1885 - 1921, de tijd waarin hij opgroeide, trouwde, een gezin stichtte en nauwe banden met suikermagnaat Oei Tiong Ham onderhield. De periode erna (hij stierf in 1947) zal ik behandelen in een volgende post. Veel van de gevonden informatie is afkomstig uit kranten en tijdschriften. Al met al geeft het enigszins een beeld van het soort leven dat hij leidde en van de wereld waar hij deel van uitmaakte. HD


14 september 1885
Oey Tjien To/Oei Tjin To, wordt geboren. Plaats van geboorte: onbekend (zie ook mijn post van 13 juni 2020, inmiddels heb ik dan zijn geboorteplaats wel ontdekt).
15 augustus 1886
Liem Ko Nio wordt geboren. Ze wordt ook wel Lim/Liem Kotjie Nio genoemd. Plaats van geboorte: Batavia. Zij is de latere echtgenote van Oey Tjien To. 

11 mei 1901
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch Indië meldt dat Oey Tjin To, op de Koning Willem III-School (KW III) te Batavia, is bevorderd van het tweede naar het derde leerjaar van de HBS. 
15 juli 1902
Het Bataviaasch Nieuwsblad kondigt aan dat de volgende dag de s.s. Van Diemen, een lijnboot van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM)*1, uit Batavia zal vertrekken met aan boord onder andere Oei Tjin To en echtgenote. Van de twaalf hutpassagiers zijn er acht Europeanen (waaronder ene mejuffrouw J. J. van Gogh). Het schip doet de Javaanse havens Semarang, Soerabaja en Soemenep aan en heeft als eindbestemming Bandjermasin op Borneo. Het vaartuig kan 56 hutpassagiers (eerste en tweede klas) en 500 dekpassagiers vervoeren (alleen de reizigers die eerste klas reisden - en dus behoorden tot de rijke bovenlaag - werden met hun naam in de koloniale kranten vermeld).

KPM-schip bij een aanlegsteiger aan de kust.

Over de afkomst van Oey Tjien To is (tot op heden) niets bekend. We kennen dus niet de namen van zijn ouders, grootouders, of van zijn eventuele broers of zusters. Ook weten we niet waar hij geboren is. Wel weten we dat hij in Batavia de (Nederlands-talige) HBS heeft bezocht en op de s.s. van Diemen eerste klas reisde (daarom werd zijn naam vermeld in de krant). We kunnen dus gerust concluderen dat hij uit een zeer welgesteld en ontwikkeld peranakan-milieu afkomstig was. Ook blijkt dat hij in juli 1902 inmiddels getrouwd is, hij is dan ruim 16 jaar. Zijn bruid Liem Ko Nio/Lim Kotjie Nio is op dat moment nog net geen 16 jaar. Dergelijke jeugdige leeftijden waren beslist niet abnormaal binnen de peranakan-cultuur, het ging immers om gearrangeerde huwelijken. Het is aannemelijk dat hij in 1902 de 3-jarige HBS afgerond heeft, hetgeen recht gaf op een getuigschrift. Of hij daarna ook de resterende twee jaar heeft volgemaakt is niet bekend (een jaar later wordt zijn eerste kind geboren maar dat hoefde niet per se een beletsel te zijn). Op de hutpassagierslijst staat ook de naam 'Oei Tian Lam' vermeld, mogelijk is dat zijn vader of een ander familielid, want het stel was natuurlijk nog wel erg jong. Waarschijnlijk reisden ze naar een plaats aan de Javaanse noordkust maar ook dat is vanzelfsprekend allesbehalve zeker. HD

4 juli 1903
Willy (m), het eerste kind van Oey Tjien To en Liem Ko Nio wordt geboren. Zie ook mijn post over Willy Oey.
30 november 1904
Corry (v), het tweede kind van Oey Tjien To en Liem Ko Nio wordt geboren. 
1 januari 1905
In de Regeeringsalmanak voor Nederlandsch-Indië staat Oei Tjin Too als administrateur van de rijstlanden Gebang Anom I, II en III in het district Soebah vermeld. Ondernemer is de N.V. Cultuur en handelmaatschappij Kim Siang. 
16 maart 1906
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië meldt dat Oei Tjin To 'landhuurder' (van het gouvernement) is geworden in de residentie Pekalongan op Midden-Java. 


Oude schoolplaat.

15 augustus 1906 
Oeij Tjien To gaat, wederom volgens Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, in Batavia aan boord van de s.s. Pahud die, met tussenstops in havens langs de Javaanse kust, richting de Molukken vaart. 
24 augustus 1906
Het Bataviaasch Nieuwsblad meldt dat in Batavia, met het stoomschip van Swoll, zijn aangekomen Oei Tjien To met echtgenote. 
1909
De heer Oey Tjien To publiceert, op aanbeveling van G.L. Gonggrijp, resident van Rembang, een artikel in het Tijdschrift voor het Binnenlands Bestuur (deel 38) met als titel 'Nota over eenige bijzonderheden van den Rijstbouw' (hij is de eerste Chinees die een artikel in dit tijdschrift publiceert).

2 november 1909
De Locomotief meldt dat Oei Tjin Too, wonende te (district) Soebah, (regentschap) Batang (in de residentie Pekalongan), als lid is toegetreden tot de Semarangsche Auto-Club. (Een zeer blank, elitair en kapitaalkrachtig genootschap. Leden moesten in het bezit zijn van een automobiel of een motorfiets. HD). 
9 januari 1910
Dagblad De Telegraaf (NL) meldt dat op het land Karang Serang Laoet, liggende in de afdeling Tangerang van de residentie Batavia, een malaria-epidemie is uitgebroken. Karang Serang is ruim 3000 hectare groot en er wonen bijna 9000 zielen. Huurder van het land is Oey Tjin To. 


Stoomtram-station Djomblang van de S.J.S., Semarang 1915.

23 juni 1910
In De Locomotief wordt medegedeeld dat de heer Carpentier Alting, handelende voor 'de Chinees Oey Tjien To', bij de Gewestelijke Raad van Rembang een request heeft ingediend voor de aanleg van een tramlijn van de kust over Lassem, Pamotan, Djatirogo naar Toeban, met een zijtak van Toeban naar Babat, benevens de aanleg van een afvoerplaats op de kust.

24 juni 1910
De Locomotief publiceert een schrijven van de resident van Rembang, G.L. Gonggrijp, aan de Gouverneur Generaal te Batavia, betreffende het door hem voorgestelde plan voor een tramnet ten oosten van Rembang (zie hierboven). Drie gegadigden hebben zich aangemeld voor de uitvoering, waaronder de heer Oeij Tjien To, 'oud-leerling van het Gymnasium Willem III te Batavia'. Aangezien het sinds 1900 bij wet verboden is om een spoor- of tramconcessie te verlenen aan Chinezen heeft notaris Carpentier Alting uit Batavia voor Oeij Tjien To getekend. Ook meldt resident Gonggrijp dat Oeij Tjien To inmiddels om 'gelijkstelling met Europeanen' heeft verzocht.
18 augustus 1910
In het Staatsblad van Nederlandsch-Indië wordt het besluit gepubliceerd van de 'Gelijkstelling' *2 van Tjien To Oey en Ko Nio Liem, evenals die van hun twee kinderen. Als woonplaats wordt in het besluit Semarang genoemd.


Gelijkstellingen, Staatsblad van N.I. (fragment), 18 augustus 1910.

Mogelijk was Oey Tjien To al eerder van plan om zich deze rechtspositie/(juridische) status te verwerven en heeft hij daarom zijn beide kinderen, tegen alle Chinese tradities in, bij de geboorte enkel een 'Europese' persoonsnaam gegeven. De Nederlandsch-Indische samenleving was een op raciale (en racistische) scheidslijnen gebaseerd geheel waarin hij steevast als 'de Chinees Oey Tjien To' werd gestereotypeerd. Zo omstreeks 1920 was daar een kentering in gekomen en werd er in kranten en tijdschriften meestal aan hem gerefereerd als 'de heer Oey' of 'T.T. Oey'. HD

20 juni 1911
De Indische Mercuur deelt mee dat Oey Tjien To een maand eerder een aanvraag ingediend heeft voor een vergunning voor mijnbouwkundige opsporingen op een terrein in het district Sedan, afdeling Rembang (mogelijk was hij op zoek naar kalium, voor de productie van kunstmest, HD). 
31 juli 1912
Het Bataviaasch Nieuwsblad meldt dat bij gouvernementsbesluit d.d. 17 juli 1912 de concessies voor de spoor- en tramwegen in de residentie Rembang (zie boven) zijn toegewezen aan de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij (N.I.S.) en aan de Semarang-Joana Stoomtrammaatschappij (S.J.S.). Ook meldt de krant dat het voorstel ingediend door G.H. Carpentier Alting (namens Oey Tjien To) is afgewezen.
13 maart 1913
In het Bataviaasch Handelsblad maakt columnist 'Opheffer' (pseudoniem voor G.L. Gonggrijp, resident te Rembang) gewag van een gesprek dat hij had op het rijstland Krengseng met 'de Chinees Oei Tjin To' over de zaadveredeling van rijst. 
1914/1915
In De lijst van 1914, deel I, inzake particuliere ondernemingen op door het gouvernement verhuurde gronden voor landbouwdoeleinden, wordt Oey Tjien To opgevoerd als ondernemer (eigenaar) en C. Pechler als administrateur van de Mij. Stoomrijstpellerij Krengseng in de residentie Pekalongan, regentschap Batang. (C. Pechler wordt eveneens vermeld als administrateur van de rijstlanden Gebang Anom, door het gouvernement verpacht aan de onderneming N.V. Cultuur en Handelmaatschappij Kim Siang, zie ook 1 januari 1905).



Oey Tjien To was eigenaar van de Stoomrijstpellerij Krengseng. De landerijen die hij van het gouvernement pachtte voor de paditeelt vielen onder de desa Gebang Anom in het district Soebah (tegenwoordig Rowosari), niet ver van de kust. De onderneming heeft altijd een rode draad gevormd in zijn volwassen leven. In een volgende post zal ik hier nader op ingaan. HD

1 januari 1918
Het Staatsblad van Nederlandsch-Indië meldt dat Verpondingsnummer 1145 toebehoort aan Tjien To Oey, deels wonende te Semarang. Het gaat om 154 percelen in Krapiak te Semarang waarover (winst)belasting moet worden betaald.
22 november 1918
Dagblad De Locomotief bericht dat er ernst gemaakt gaat worden met de terugbrenging (onteigening) van een 19-tal percelen behorende tot acht particuliere landen*3 in de gemeente Semarang. In het bericht wordt ook het particuliere land Krapiak genoemd, dat eigendom is van Tjien To Oei te Semarang.
8 maart 1919
De Locomotief meldt dat
de heer Tjien To Oey, te Semarang, bij de Gewestelijke Raad te Pekalongan vergunning heeft aangevraagd tot het aanleggen van een weg nabij zijn erfpachtperceel Gebang Anom te Batang.
1 januari 1920
Het Indisch tijdschrift van het recht doet verslag van twee rechtzaken tussen Oey Tjien To en de gemeente Semarang, inzake een kwestie die zich in april 1919 heeft afgespeeld rond de rivier Kali Garang op het particulier land Simongan. Hij wint het ene geding maar verliest het andere . Als zijn woonadres wordt Randoesari vermeld (een chique straat/wijk in Semarang, HD). Zie mijn post van 11 maart 2020.
  

Woning in Randoesari, ± 1910.

10 februari 1920
Dagblad De Locomotief laat weten hoe ver het staat met de plannen van het leger om een vliegveld aan te leggen in het deel van Semarang dat Krapijak heet. Het terrein is eigendom van T.T. Oey (zie het bericht van 1 januari 1918), het ligt aan de Grote Postweg en beslaat ongeveer 1000 x 500 meter. Het leger wil het van hem overnemen.
21 augustus 1920
Het Staatsblad van Nederlandsch-Indië meldt de ordonnantie betreffende de gedeelten van het particuliere land Krapiak in Semarang die tot het landsdomein zullen worden teruggebracht (onteigend).
27 juni 1921
De Locomotief meldt dat het leger een vliegterrein aan het inrichten is op 'het land Simongan' in Semarang. De afmetingen zijn 600 x 200 meter. Het legerbestuur heeft het terrein gehuurd van de eigenaar van Simongan, de heer T.T. Oey (deze hele berichtgeving is onjuist, het leger heeft een deel van het terrein gehuurd van het begrafenisfonds Kian Gwan, eigenaar van het land Simongan, en een ander deel van Oey Tjien To).


  Vliegveld Simongan in 1928, een Fokker F-VII stijgt op.

Het geplande vliegveld kwam er in juni 1921 inderdaad, het werd echter niet op het terrein vlakbij de Grote Postweg aangelegd - dit was een foute melding van de krant - maar een paar kilometer zuidelijker (zie kaartje onder).*4 In december 1924 werd de start- en landingsbaan verlengd, zodat het voortaan ook geschikt zou zijn voor de burgerluchtvaart. Het vliegveld Simongan, waarvan de totstandkoming dus onder andere aan Oey Tjien To te danken was, zou tot 1940 dienst blijven doen. Toen werd het verplaatst naar de kust, waar het minder heuvelachtig was, en kreeg het ook een andere naam: Kalibanteng. HD

Zie voor het tweede deel betreffende het leven van Oey Tjien To mijn post van 4 augustus 2020: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/08/may-khoens-voorouders-deel-8.html
Zie voor zijn afkomst: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/06/may-khoens-voorouders-deel-7_13.html

©Huub Drenth


*1 De Koninklijke Pak(k)etvaart Maatschappij (1891 - 1966) was een Nederlandse rederij met een operationeel hoofdkantoor in Batavia. In hoofdzaak richtten de activiteiten van de KPM zich op het onderhouden van scheepvaartverbindingen tussen de eilanden in Nederlands-Indië en op het vervoer tussen de kolonie en andere belangrijke bestemmingen. De KPM beschikte daartoe over een grote moderne vloot.

*2 Gelijkstelling De rechtspositie van de verschillende bevolkingsgroepen in Nederlands-Indië werd vastgesteld in het Regerings-reglement (RR). In art. 109 RR werd de bevolking van Nederlands-Indië verdeeld in twee hoofdgroepen, de Europeanen en de Inlanders. Hetgeen er op neer kwam dat Europeanen blank en christen waren, en Inlanders niet. Het was mogelijk voor Inlanders, en de met hen gelijkgestelden zoals "Arabieren, Moren (Indiërs) en Chinezen", om hun rechtspositie te verbeteren door over te gaan naar de rechtspositie van de ‘met Europeanen gelijkgestelden’. Een dergelijke wijziging van rechtspositie werd ‘gelijkstelling’ genoemd en verleend door de Gouverneur-Generaal, waarna publicatie in het Indisch Staatsblad volgde. 

Zie voor verdere uitleg over dit staatkundig-juridische onderwerp, met name over de specifieke situatie van Chinezen in Nederlandsch-Indië: http://www.tongtong.nl/indische-school/contentdownloads/tjiook.pdf

*3 Particuliere landen zijn grote stukken grond die in het verleden op Java door het gouvernement aan particulieren zijn verkocht (Krapiak in 1811 voor 11621 rijksdaalders zilvergeld). Op die landgoederen bevonden zich vaak ook kampongs waarvan de bewoners tot herendiensten gedwongen konden worden. De eigenaar mocht zich 'landheer' noemen. In het begin van de twintigste eeuw staan dit soort grondstukken de uitbreiding van stedelijke agglomeraties, evenals de modernisering van de infrastructuur, in de weg en derhalve wordt tot onteigening (van delen ervan) overgegaan. Zie voor gedetailleerde informatie over de situatie in Semarang: http://colonialarchitecture.eu/islandora/object/uuid%3A723905da-8350-41df-bfe0-9ee270cc6229/datastream/PDF/view

*4 Volgens gegevens uit 1932, toen het vliegveld inmiddels een veel groter oppervlak besloeg, lag 7 hectare op het land Simongan, toebehorend aan het begrafenisfonds Kian Gwan (in feite het Oei Tiong Ham Concern, zie mijn post van 11 maart jl), en 17 hectare op het land Krapiak, waarvan Oey Tjien To de eigenaar was.


Dit was deel 6 van May Khoen's voorouders.

Zie voor deel 5: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/03/may-khoens-voorouders-deel-5_11.html

Zie voor deel 7: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/06/may-khoens-voorouders-deel-7_13.html