Je vliegt boven de wei en krast. Alleen. Je bent ook in mij, als een gedicht, een haiku, als een grondtoon of een middelpunt waarin ik me kan terugtrekken en tegelijk met al het zijnde verbonden weet. Een punt dat alle punten insluit. Een bron. De wetten van de ruimte gelden er niet en dan vallen die van de tijd ook weg. Je krast boven de wei. Jij bent mijn houvast om bij deze bron terug te keren. Mijn archimedisch punt. Als je dit punt in je ontdekt, weet je tegelijk, dat is het paradoxale, dat je geen punt nodig hebt om je aan af te meten of om je af te zetten. Jij krast boven de wei, alleen, er komt geen antwoord. Het is zomer. Het is herfst. Een schone lei.
Kraai, je bent er.
Donald Niedekker
Aanzegger en voorbode
De foto aan het begin van deze post maakte ik afgelopen zondagmiddag in het Stadspark. Op een locatie die als de bloementuin bekend staat, een plek waar May Khoen en ik vroeger vaak kwamen maar die er nu nogal kaal en verlaten bij lag. Voor alle duidelijkheid: het is een kleurenfoto en de vogel in de boom is een kraai. Het was nogal mistig die dag.
De openingstekst is afkomstig uit het boek Kraai van Donald Niedekker. Om precies te zijn: het is de laatste pagina van die novelle. Ik leerde Niedekker kennen door zijn roman Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost, waarin hij op poëtische wijze gestalte geeft aan een fictief bemanningslid van de beruchte expeditie van Willem Barentsz in 1596. Ik vond dat boek erg goed en kocht daarom ook Kraai. Het is een soort dagboek, met allerlei poëtische en filosofische observaties over de
natuur rond Niedekkers woonstee, en dan met name
over de kraai. Wat ik toen nog niet wist, is dat hij het voor een groot deel geschreven heeft terwijl hij aan Waarachtige beschrijvingen werkte. Hij beschouwt de kraai als een inspiratiebron en helper om te kunnen schrijven. Telkens als hij worstelt met de roman waaraan hij bezig is zijn het de kraaien die hem van belangrijke inzichten voorzien.
Kraaien zijn wezens die in tal van mythologieën en geloofssystemen een bijzondere rol spelen, zowel in positieve als in negatieve zin. In sommige culturen worden ze vooral als aankondigers van de dood beschouwd, of als tricksters die onrust en chaos veroorzaken, terwijl ze op andere plekken vaak gezien worden als de voorbodes van spirituele transformaties, of als de brengers van wijze raad. Hun gekras prikkelt de intuïtie en opent zo de poort naar archetypische inhouden en kennis waar de ratio geen toegang toe heeft.
Maldad pura
Vijf maanden geleden kwam ik plotseling op de spoedafdeling cardiologie van het Universitair Medisch Centrum terecht. Ik vertoonde symptomen van een hartinfarct. Dat bleek niet het geval te zijn en van een longembolie was gelukkig ook geen sprake. De vervolgonderzoeken brachten evenmin uitsluitsel over de klachten die ik had. Ik bevond me in een spanningsveld van negatieve energieën, zei Adelina, mijn Chileense profesora Spaans. Het was 'maldad pura', afkomstig van een paar getormenteerde zielen die eropuit waren om mij ernstig onheil te berokkenen. Misschien een ietwat raadselachtige diagnose, maar toch ook niet iets om zomaar aan voorbij te gaan, Adelina heeft het namelijk behoorlijk vaak bij het rechte eind.
Wat de betekenis is van de kraai die zondag mijn pad kruiste weet ik niet. Ik nam hem pas waar toen hij, schuin boven mijn hoofd, luidkeels begon te krassen. Daar ging hij een tijdje mee door, tot hij plotseling opvloog en op een tak een tiental meters verderop landde. Ineens was hij toen niet meer alleen, want daar bleek nog een kraai te zitten, heel stilletjes. Zijn vrouwtje, veronderstel ik. Waarschijnlijk probeerde hij hun territorium te beschermen.
Het is winter. En straks wordt het weer lente. Een schone lei, dat is wat nodig is. Een uitgemeste stal. Een veilig territorium. Adelina opperde trouwens ook al zoiets. Ik ben dan ook zeer geneigd om het gebeuren in de bloementuin van afgelopen zondag als een gunstig voorteken te zien.
Leaving Santiago always feels like shedding a layer. The city’s sharp edges—glass towers, traffic, urgency—fall away as the highway carries travelers northwest. Dry hills and wide valleys replace concrete, their colors muted and sun-worn. Vineyards and small towns pass in a steady rhythm, each kilometer loosening the grip of the capital.
For many, Viña del Maris the first coastal greeting. The road descends toward a city alive with motion: tall buildings face the sea, traffic circles roundabouts, cafés and hotels hum with voices. Waves crash harder here, louder, competing with music drifting from open windows. Viña feels elegant but energetic—a place of festivals, busy beaches, and long promenades where the ocean becomes a spectacle.
A short pause at the archeological and historical museum offers a more contemplative experience. Inside, the pace slows as pre-Columbian artifacts and carefully preserved histories trace lives lived long before the city and the coast took their modern shape. It is reminding travelers that this lively shoreline rests on much deeper layers of time.
The journey continues. Beyond Viña, the road grows quiet again. The coastline stretches wider, less crowded, the towns space themselves farther apart. Papudo slips by, then La Laguna, until the landscape turns greener and the curves soften. The air cools. Conversations lower.
The final descent into Zapallar remains subtle. No skyline announces it, no noise rises to meet the traveler. Instead, the bay reveals itself slowly—a perfect curve of sand cradled by rocky arms. Houses hide among trees, gardens spilling down the hillsides as if trying not to disturb the view.
Here, time behaves differently. Mornings belong to walks along la rambla, where the sea murmurs instead of roars. Afternoons unfold on the beach, unhurried, the water cold and clear. Offshore, seabirds gather on distant rocks, unmoved by human schedules.
In the evening, as the sun dips low, the contrast becomes clear. Viña del Mar glitters somewhere down the coast, lively and awake. Zapallar dims its lights instead, turns inward, letting the sound of the waves take over. In the plaza, an old fountain whispers stories from centuries past, and dinners stretch long beneath a cooling sky.
Both places face the same ocean. But where Viña embraces the world, Zapallar offers refuge from it. And for those who drive the road all the way from Santiago, passing through one to reach the other, the difference is not just geographic—it is a change of pace, of breath, of way of being.
Narrative: HD & ChatGPT Photos: Adelina Luna Music: Peia Luzzi
Toen ze
aan de beurt was om een kind te krijgen, wilde ze er een.
Maar God wilde het
niet.
Een goede echtgenoot vormt het ware geluk van een vrouw.
Maar God
wilde het niet.
~ Haan Nayan Héé Nayan
Toen haar trouwdag aanbrak, wilde ze een man.
Maar God wilde het niet.
Toen het haar beurt was om een kind te krijgen, wilde ze er een.
Maar de Almachtige wilde het niet.
De dag van het lachen brak aan en ze wilde plezier maken.
Maar plezier maken kon ze niet.
~ Haan Nayan Héé Nayan
We roepen ze!
We roepen ze als er problemen zijn.
We roepen de vrouwen als er tegenspoed is.
We roepen ze als er problemen zijn.
We roepen ze bij belangrijke beslissingen.
~ Hé Sata han Nayan
~ Hé Nayan hé Sata
~ Han Nayan hé Sata
Fatoumata Diawara(1982) is
een Malinese zangeres en songwriter. Ze begon haar carrière als filmactrice. Ze zingt in het
Bambara, een Mandétaal die door meer dan zes miljoen mensen gesproken wordt,
niet alleen in Mali maar ook in Burkina Faso, Ivoorkust en Gambia. Samen met
het Dioula en Maninka vormt het Bambara de taalfamilie van het Mandekan.
Fatoumata Diawara's songs gaan vaak over sociale en politieke thema's zoals vrouwenrechten, zelfbeschikking en cultuurbehoud. In haar liedteksten spreekt ze zich krachtig uit tegen fenomenen als genderongelijkheid en vrouwenbesnijdenis, tussen de regels door valt daarin soms ook kritiek op de Islam te horen.
Het lied Nayan gaat over een tante van
Fatoumata Diawara. Ze was
een goede zangeres en had een moeilijk leven als vrouw. Fatoumata schreef dit
nummer ter nagedachtenis aan haar. In een
interview zei ze eens dat zij probeerde waar te maken wat haar tante Nayan niet was
gelukt.
Donald Trump has hinted he could walk away from
supporting Ukraine as he doubled down on his administration’s recent
criticism of Europe, describing it as “weak” and “decaying” and claiming
it was “destroying itself” through immigration.
In a rambling and sometimes incoherent interview with Politico, a transcript
of which was released on Tuesday, the US president struggled to name
any other Ukrainian cities except for Kyiv, misrepresented elements of
the trajectory of the conflict, and recycled far-right tropes about
European immigration that echoed the “great replacement” conspiracy theory.
Trump
called for Ukraine’s president, Volodymyr Zelenskyy, to accept his
proposal to cede territory to Russia, arguing that Moscow retained the
“upper hand” and that Zelenskyy’s government must “play ball”.
His
envoys have given Zelenskyy days to respond to a proposed peace deal
under which Ukraine would be forced to accept territorial losses in
return for unspecified US security guarantees, according to the
Financial Times, which reported on Tuesday that the US leader was hoping
for a deal “by Christmas”.
In his often
halting remarks, Trump swerved from subject to subject while rehearsing
familiar grudges and conspiracies. He also declined repeatedly to rule
out sending American troops into Venezuela as part of his effort to bring down the president, Nicolás Maduro.
“I don’t want to rule in or out. I don’t talk about it,” Trump said, adding he did not want to talk about military strategy.
The
US president repeatedly described what he said were Europe’s problems
in entirely racial terms, calling some unnamed European leaders “real
stupid”.
“If it keeps going the way it’s
going, Europe will not be … in my opinion … many of those countries will
not be viable countries any longer. Their immigration policy is a
disaster. What they’re doing with immigration is a disaster. We had a
disaster coming, but I was able to stop it.”
The interview followed the release last week of a new US national security strategy that claimed Europe faced “civilisational erasure” because of mass migration and offered tacit support for far-right parties.
The
recent interventions by Trump and his administration on Europe have
been greeted with mounting dismay among European leaders, after
similarly disparaging remarks by the US vice-president, JD Vance, at the
Munich Security Conference in February.
Did you ever want it? Did you want it bad? Ohhh, my It tears me apart Did you ever fight it? All of the pain So much pride Running through my veins Bleeding, I'm bleeding My cold little heart Oh I, I can't stand myself And I know In my heart, in this cold heart I can live or I can die I believe if I just try You believe in you and I In you and I In you and I In you and I
Did you ever notice I've been ashamed All my life I've been playing games We can try and hide it It's all the same I've been losing you One day at a time Bleeding, I'm bleeding My cold little heart Oh I, I can't stand myself And I know In my heart, in this cold heart I can live or I can die I believe if I just try You believe in you and I In my heart, in this cold heart I can live or I can die I believe if I just try You believe in you and I In you and I In you and I... Maybe this time I can be strong But since I know who I am I'm probably wrong Maybe this time I can go far But thinking about where I've been Ain't helping me start
Cold Little Heart is a song by British singer/songwriter Michael Kiwanuka, from his second studio album, Love & Hate. It was released as the fourth and final single from the album on February 24th, 2017. A music video to accompany the release of "Cold Little Heart" as a single was first released onto YouTube on 23 March 2017, where it has reached over 250 million views as of November 2025.
In a review of the album, Alexis Petridis of The Guardian
states "It takes confidence to open an album with a song that lasts
over 10 minutes, the first five of them entirely instrumental. That
confidence could obviously be wildly misplaced – a five minute
instrumental overture replete with strings, wordless backing vocals and
melancholy slide guitar that sounds not unlike the work of Pink Floyd’s
David Gilmour could be an exercise in terrible hollow pomposity. But
instead, Cold Little Heart proceeds with a stately assurance: the moment
where the song suddenly pulls into focus is really thrilling." (Wikipedia)
President Trump's 28-point plan for peace
in Ukraine would force Kyiv to give up additional territory in the
east, cap the size of its military, and agree it will never join NATO,
according to a draft obtained by Axios and verified by a Ukrainian
official, a U.S. official and a source familiar with the proposal.
In addition to the
territorial concessions asked of Ukraine, the document says there would
be a "decisive coordinated military response" in the event of further
Russian incursions onto Ukrainian territory. It does not say what role
the U.S. would play in such a response.
A
senior White House official acknowledged the plan is "not easy" for
Ukraine but said the U.S. believes the war must end and that if it
doesn't, Ukraine is likely to lose even more territory.
The plan was drafted by Trump's envoy Steve Witkoff with input from Secretary of State Marco Rubio and Trump's son-in-law Jared Kushner.
Witkoff
also consulted with Russian envoy Kirill Dmitriev on the plan. Dmitriev
told Axios he is optimistic about it because unlike past efforts, "we
feel the Russian position is really being heard." President Vladimir
Putin has not publicly endorsed the plan.
The 28 points below
reflect the current U.S. plan as of Thursday, barring minor changes to
the language as it has been amended. It includes annotations from Axios
in italics for the purposes of clarity.
Kirill Dmetriev and Steve Witkoff.
The full plan
1. Ukraine's sovereignty will be confirmed.
2.
A comprehensive non-aggression agreement will be concluded between
Russia, Ukraine and Europe. All ambiguities of the last 30 years will be
considered settled.
3. It is expected that Russia will not invade neighboring countries and NATO will not expand further.
4.
A dialogue will be held between Russia and NATO, mediated by the United
States, to resolve all security issues and create conditions for
de-escalation in order to ensure global security and increase
opportunities for cooperation and future economic development.
5. Ukraine will receive reliable security guarantees.
Update: A separate document details
the terms of the security guarantee. The U.S. and its NATO allies would
treat an attack on Ukraine as an attack on the entire "transatlantic
community."
6. The size of the Ukrainian Armed Forces will be limited to 600,000 personnel.
Note:
Ukraine's army currently has 800,000-850,000 personnel, and had around
250,000 before the war, according to a Ukrainian official.
7.
Ukraine agrees to enshrine in its constitution that it will not join
NATO, and NATO agrees to include in its statutes a provision that
Ukraine will not be admitted in the future.
8. NATO agrees not to station troops in Ukraine.
Note:
NATO countries including France and the U.K. have been working on
separate proposals that would include small numbers of European troops
on Ukrainian soil after the war. This plan appears to disregard that
possibility.
9. European fighter jets will be stationed in Poland.
10. The U.S. guarantee:
The U.S. will receive compensation for the guarantee;
If Ukraine invades Russia, it will lose the guarantee;
If
Russia invades Ukraine, in addition to a decisive coordinated military
response, all global sanctions will be reinstated, recognition of the
new territory and all other benefits of this deal will be revoked;
If Ukraine launches a missile at Moscow or St. Petersburg without cause, the security guarantee will be deemed invalid.
11.
Ukraine is eligible for EU membership and will receive short-term
preferential access to the European market while this issue is being
considered.
12. A powerful global package of measures to rebuild Ukraine, including but not limited to:
The
creation of a Ukraine Development Fund to invest in fast-growing
industries, including technology, data centers, and artificial
intelligence.
The United States will cooperate with Ukraine to
jointly rebuild, develop, modernize, and operate Ukraine's gas
infrastructure, including pipelines and storage facilities.
Joint
efforts to rehabilitate war-affected areas for the restoration,
reconstruction and modernization of cities and residential areas.
Infrastructure development.
Extraction of minerals and natural resources.
The World Bank will develop a special financing package to accelerate these efforts.
13. Russia will be reintegrated into the global economy:
The lifting of sanctions will be discussed and agreed upon in stages and on a case-by-case basis.
The
United States will enter into a long-term economic cooperation
agreement for mutual development in the areas of energy, natural
resources, infrastructure, artificial intelligence, data centers, rare
earth metal extraction projects in the Arctic, and other mutually
beneficial corporate opportunities.
Russia will be invited to rejoin the G8.
14. Frozen funds will be used as follows:
$100 billion in frozen Russian assets will be invested in US-led efforts to rebuild and invest in Ukraine;
The
US will receive 50% of the profits from this venture. Europe will add
$100 billion to increase the amount of investment available for
Ukraine's reconstruction. Frozen European funds will be unfrozen. The
remainder of the frozen Russian funds will be invested in a separate
US-Russian investment vehicle that will implement joint projects in
specific areas. This fund will be aimed at strengthening relations and
increasing common interests to create a strong incentive not to return
to conflict.
15. A joint American-Russian working group on
security issues will be established to promote and ensure compliance
with all provisions of this agreement.
16. Russia will enshrine in law its policy of non-aggression towards Europe and Ukraine.
17.
The United States and Russia will agree to extend the validity of
treaties on the non-proliferation and control of nuclear weapons,
including the START I Treaty.
Note: New START, the last major U.S.-Russia arms control treaty, is due to expire in February.
18. Ukraine agrees to be a non-nuclear state in accordance with the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons.
Zaporizhzhia Nuclear Power Plant.
19.
The Zaporizhzhia Nuclear Power Plant will be launched under the
supervision of the IAEA, and the electricity produced will be
distributed equally between Russia and Ukraine — 50:50.
20. Both
countries undertake to implement educational programs in schools and
society aimed at promoting understanding and tolerance of different
cultures and eliminating racism and prejudice:
Ukraine will adopt EU rules on religious tolerance and the protection of linguistic minorities.
Both
countries will agree to abolish all discriminatory measures and
guarantee the rights of Ukrainian and Russian media and education. (Note: Similar ideas were incorporated into Trump's 2020 Israel-Palestine peace plan).
All Nazi ideology and activities must be rejected and prohibited.
21. Territories:
Crimea, Luhansk and Donetsk will be recognized as de facto Russian, including by the United States.
Kherson
and Zaporizhzhia will be frozen along the line of contact, which will
mean de facto recognition along the line of contact.
Russia will relinquish other agreed territories it controls outside the five regions.
Ukrainian
forces will withdraw from the part of Donetsk Oblast that they
currently control, and this withdrawal zone will be considered a neutral
demilitarized buffer zone, internationally recognized as territory
belonging to the Russian Federation. Russian forces will not enter this
demilitarized zone.
22. After agreeing on future territorial
arrangements, both the Russian Federation and Ukraine undertake not to
change these arrangements by force. Any security guarantees will not
apply in the event of a breach of this commitment.
23. Russia will
not prevent Ukraine from using the Dnieper River for commercial
activities, and agreements will be reached on the free transport of
grain across the Black Sea.
24. A humanitarian committee will be established to resolve outstanding issues:
All remaining prisoners and bodies will be exchanged on an 'all for all' basis.
All civilian detainees and hostages will be returned, including children.
A family reunification program will be implemented.
Measures will be taken to alleviate the suffering of the victims of the conflict.
25. Ukraine will hold elections in 100 days.
26.
All parties involved in this conflict will receive full amnesty for
their actions during the war and agree not to make any claims or
consider any complaints in the future.
27. This agreement will be
legally binding. Its implementation will be monitored and guaranteed by
the Peace Council, headed by President Donald J. Trump. Sanctions will
be imposed for violations.
Note: This is the same general structure Trump proposed to govern the Gaza peace agreement.
28.
Once all parties agree to this memorandum, the ceasefire will take
effect immediately after both sides retreat to agreed points to begin
implementation of the agreement.
May Khoen had een aantal 'inlandse' voormoeders, Indonesische vrouwen die, enkele eeuwen geleden, uit relaties met Chinese mannen kinderen kregen. Hoeveel dat er precies waren is niet bekend maar we kunnen gerust aannemen dat het er minstens een paar honderd waren.*1 Er bestaat sowieso
maar weinig informatie over deze vrouwen, uit het collectieve geheugen
van de Peranakan-gemeenschap (en hun nakomelingen in de diaspora) zijn ze
zo goed als verdwenen en in oude documenten worden ze ook niet vaak vermeld. We kennen dus hun namen niet en ook weten we niet
uit welke bevolkingsgroepen ze zoal afkomstig waren. Waarschijnlijk kwamen ze meestal van Java of Bali, al is herkomst van andere eilanden ook heel goed mogelijk.*2 Ze hoefden trouwens
niet per se uit de Indonesische archipel afkomstig te zijn, uit andere
delen van Zuid-Oost Azië - alsmede uit Afrika, Voor-Indië en het Midden-Oosten - kon eveneens het geval zijn.
Het betreft dan vrouwen die als slavin in de kolonie terechtkwamen, met name in de 17e en 18e eeuw, toen de VOC in de regio van de Indische Oceaan een belangrijke faciliteerder van de slavenhandel was.*3
Binnen
de Peranakan-gemeenschap wordt tot op de dag van vandaag vrijwel geen
aandacht aan dit onderwerp besteed, daar staat vooral het 'Chinees-zijn'
op de voorgrond. Aan de gemengde afkomst wil men liever niet herinnerd
worden, en ook niet aan de genetische en culturele implicaties van dat
gegeven. Hetgeen natuurlijk regelmatig bijzonder ongemakkelijke
situaties oplevert, met name in contacten met 'volbloed' Chinezen. Waarschijnlijk gaat mtDNA-onderzoek in de toekomst meer gedetailleerde informatie over deze hybride afkomst verschaffen, daarom lijkt het me
nuttig om nu al wat meer aandacht aan de sociale aspecten van de
ontstaansgeschiedenis van de Javaanse Peranakan-gemeenschap te besteden.
HD
Chinese klontong en inlandse vrouw, 1890.
Chinese migratie
Uit allerlei bronnen blijkt dat er al eeuwenlang Chinese kooplieden aanwezig
waren op Java, dus ook al voor de komst van de Europeanen, maar altijd
betrof het dan kleine populaties. Vanaf de zeventiende eeuw
vestigden zich steeds meer Chinese handelaren en ambachtslieden in de
Javaanse kuststeden, daartoe vooral aangetrokken door de toegenomen handelsmogelijkheden tijdens het bewind van de VOC. Meestal waren ze afkomstig uit Fukien (Fujian), een provincie in Zuidoost-China waaraan ze ook hun versie van de Chinese taal, het Hokkien, ontleenden. Vrouwen maakten lange tijd nauwelijks deel uit van deze migratiegolven, hetgeen
impliceert dat het in eerste instantie voornamelijk om alleenstaande mannen ging. De logische consequentie daarvan was dat velen van hen relaties aanknoopten met lokale vrouwen, waarmee ze vervolgens nakomelingen kregen.
Deze vermenging verliep bepaald niet zonder wrijvingen. De samenleving op Java was overwegend islamitisch van karakter, waardoorer tussen de Chinese en de Javaanse leefwijze grote religieuze en culturele tegenstellingen bestonden.
De traditie van voorouderverering kende men op Java niet en het eten
van varkensvlees, zoals bekend een centraal element in de Chinese
eetcultuur, werd door de Javaanse moslims als 'haram' (verboden) beschouwd. De verhoudingen binnen de koloniale samenleving werden in sterke mate door de criteria 'ras' en 'status' bepaald, hierdoorkonden veel Chinese nieuwkomers, 'sinkehs' genaamd, alleen relaties aangaan met vrouwen uit sociaal zwakke groepen, zoals slavinnen of dochters uit arme gezinnen. Verbintenissen met vrouwen behorend tot niet-islamitische bevolkingsgroepen, zoals bijvoorbeeld van Bali, kwamen ook veel voor. Al deze vrouwen hadden, volgens historica Mary Somers Heidhues, in de regel te weinig maatschappelijke status
om hun kinderen volledig op te laten gaan in de lokale cultuur, zoals
bijvoorbeeld in (het boeddhistische) Thailand wel het geval was. Zo
ontstonden de eerste gemengde huishoudens die, hoewel ze in de Javaanse
cultuur geworteld waren - qua voedingsgewoonten, kleding en taal - toch vaak binnen de Chinese culturele setting konden blijven functioneren, dus in de zin van religie, moraal, arbeidsethos en familieverhoudingen. Java was niet de enige plek waar dit gebeurde, in Maleisië en Singapore deden zich min of meer gelijksoortige ontwikkelingen voor.
Vrouw van West-Java (Soenda), 1902.
Juridische barrières
Aangezien de stroom van alleenstaande Chinese mannen in de 18e eeuw gestaag bleef groeien begon de koloniale overheid zich steeds meer zorgen te maken over dit soort relaties, onder meer omdat de keizer in Peking de 'overzeese' Chinezen nog steeds als zijn onderdanen beschouwde. Teneinde de strikte rassenscheiding in stand te houden, maar natuurlijk vooral om de explosieve Chinese bevolkingstoename een halt toe te roepen, werden gemengde huwelijken in 1780 dan ook bij wet verboden. De 'onwettige' kinderen die uit dergelijke relaties werden geboren zouden dan voortaan, per definitie, 'inlands' zijn. Deze juridische maatregel had tot gevolg dat een huwelijk tussen een Chinese man en een inlandse vrouw voortaan een zeer tijdrovende en kostbare aangelegenheid werd. De rechtsgeleerde P.H. Fromberg stelde zelfs dat er op Java nooit sprake geweest was van een Chinees die "met een inlandse vrouw, als ware deze een gelijke die voor hoofdvrouw in aanmerking kon komen, wettig gehuwd is."
Toch tonen documenten in de archieven van de Bataviase Kong Koan aan dat zulke huwelijken wel degelijk voorkwamen, zij het dat ze op een nogal ingewikkelde wijze tot stand kwamen. In haar dissertatie, getiteld Van koelies, klontongs en kapteins (Amsterdam, 2009), vermeldt Widjajanti Dharmowijono (geboren Tan Swie Ing Swie) hierover dat inlandse slavinnen, nadat ze waren 'gekocht', eerst officieel moesten worden 'vrijgemaakt'; een slavin kon namelijk niet trouwen, ook niet met een andere slaaf. In alle andere gevallen was het verkrijgen van een bruid overigens ook niet geheel kosteloos, maar als die fase eenmaal achter de rug was kon overgegaan worden tot de volgende noodzakelijke stap: het doorlopen van een adoptieprocedure, hetgeen inhield dat de vrouw in kwestie moest worden opgenomen in een bevriende Chinese familie. Pas wanneer de bruid juridisch als 'Chinees' gold, dus officieel bij een Chinees gezin hoorde en een Chinese naam had, kon het huwelijk door de bevoegde instanties worden goedgekeurd.
Njai - door Ernest Hardouin, ca. 1850.
De rol van njais
In
de praktijk had deze omslachtige en geldverslindende procedure tot
gevolg dat veel relaties 'onofficieel' bleven. Chinese mannen leefden
samen met inlandse vrouwen
zonder dat er sprake was van een huwelijksband. Zo'n vrouw werd een njai
genoemd — een concubine die zowel partner als bestierder
van het huishouden was. Ook veel Europese vrijgezellen, zoals
bijvoorbeeld soldaten of employees van de VOC, leefden op die manier samen met inlandse vrouwen.
De kinderen uit deze relaties kregen de 'inlandse' status van hun moeder,
tenzij de vader hen erkende of liet adopteren. Ondanks hun onzekere
juridische positie hadden veel njais aanzienlijke invloed op de gang van zaken, zowel binnenshuis als in de familiesfeer, zeker in steden als Batavia, Soerabaja of Semarang.
Ook werden sommige relaties uiteindelijk alsnog gelegaliseerd, vaak
pas na jaren
samenleven. Vanaf het midden van de negentiende eeuw - de
koloniale overheid voerde toen een strikte administratieve en
juridische indeling van de bevolking in drie etnische categorieën in, te
weten: a. Europeanen, b. Vreemde Oosterlingen (waaronder
Chinezen) en c. Inlanders - gebeurde dat meestal als er uit die relaties zonen
geboren waren en de Chinese vader het wenselijk vond dat die officieel
de status van 'Vreemde Oosterling' kregen. Daardoor kwamen ze in de tweede categorie terecht, wat hen meer rechten gaf dan inlanders (ze mochten bijvoorbeeld handel drijven, land verpachten en geld uitlenen). De man diende daarvoor toestemming te vragen aanzowel het lokale Chinese bestuur als
de koloniale resident. Hij moest verklaren dat beide partners ongehuwd
waren en
aantonen dat er geen religieuze bezwaren bestonden. Na goedkeuring van het verzoek vond
een bescheiden ceremonie plaats: het
bruidspaar bracht offers aan de voorouders en dronk gezamenlijk thee - symbolen van een huwelijksvoltrekking in de Chinese traditie. De vrouw
bleef
officieel 'inlandse', maar werd in de koloniale administratie opgenomen als
wettige echtgenote van een Chinees. De kinderen werden hierdoor wel
officieel 'Chinees', waardoor ze toegang hadden tot Chinees onderwijs en
onder het koloniale Chinese rechtssysteem vielen. Ook konden ze
daardoor binnen de Chinese bevolkingsgroep trouwen.
Chinese vader met kind en baboe, 1911.
Polygynie en gezinsstructuren
Naast de juridische barrières speelde ook de huwelijksstructuur zelf een rol in de manier waarop Chinese mannen relaties aangingen met inlandse vrouwen. In de Chinese traditie, vooral onder welgestelde mannen, was 'polygynie' – het hebben van meerdere echtgenotes of concubines – niet alleen sociaal geaccepteerd maar ook een belangrijk statussymbool. Binnen de koloniale context kreeg dit gebruik een nieuwe vorm. De eerste, 'echte', echtgenote van een Chinees was meestal een vrouw van Peranakan-Chinese afkomst, bij de elite betrof het dan vaak een dochter uit een Chinese officiers-familie. Zij vervulde de rol van t’si, hoofdvrouw, die de voorouderlijn en erfopvolging waarborgde. Vrijwel altijd was er in deze situaties sprake van uithuwelijking, dus van een afspraak tussen de wederzijdse ouders en families. Daarnaast konden Chinese mannen ook een of meerdere ch’ieh of bijvrouwen hebben — vaak inlandse vrouwen of slavinnen die als concubine fungeerden. In deze gevallen maakte hij de keuze zelf.
Polygynie was niet alleen een uiting van status, maar kon ook een sociale strategie zijn. Voor mannen die zich op een bepaalde plek vanwege economische redenen hadden gevestigd bood een relatie met een inlandse vrouw toegang tot lokale netwerken, talen en handelscontacten. De inlandse vrouw vervulde daarbij zowel een persoonlijke als economische rol: zij bestierde het huishouden, onderhield sociale banden met de Javaanse omgeving en voedde de kinderen op. Soms leefden hoofdvrouw en bijvrouw onder één dak, vaker apart; in koloniale documenten worden zulke huishoudens wel eens beschreven als 'Chinees huis met inlandse bijvrouw'.
Chinese vrouw op Java, omstreeks 1867.
Deze situatie van meerdere vrouwen schiep een complexe hiërarchie binnen het gezin. De Peranakan-Chinese hoofdvrouw had juridische en ceremoniële voorrang, terwijl de inlandse bijvrouw en haar kinderen zich aan de marge bevonden van zowel het Chinese als het koloniale rechtssysteem. Kinderen van een concubine konden alleen de status van Chinees krijgen als de vader hen officieel legitimeerde, aangezien ze bij de geboorte de status van hun moeder kregen. Voor veel inlandse vrouwen betekende dit dat zij economisch afhankelijk bleven - ze waren rechteloos - en dat hun kinderen vaak een onzekere etnische en juridische status hadden. Dit was nog sterker het geval als de vrouw in kwestie een slavin was, waardoor haar kinderen automatisch ook binnen die categorie vielen. Toch vormden deze 'tweede gezinnen' een wijdverspreid verschijnsel in de kuststeden van Java, met name in Batavia, Cirebon en Semarang.
Het
bestaan van polygynie versterkte de asymmetrie van macht en status in
gemengde relaties. De inlandse vrouw had zelden dezelfde rechten als de
Chinese hoofdvrouw, maar zij oefende via haar rol als moeder en
huishoudster vaak informeel wel grote invloed uit. In die zin bevestigde
de koloniale praktijk van concubinaat en polygynie tegelijkertijd de
ondergeschikte positie van de vrouw én haar onmisbare rol als culturele
intermediair.
De Franse antropoloog Noël Salomon beschreef deze relaties in zijn boek Le Sang et le Bambou
(1970) als een proces van biologische én culturele vermenging. De
inlandse vrouw, zo stelt hij, was niet enkel een gezellin, maar ook een
culturele bemiddelaar. Via haar leerde het kind de taal en de gewoonten (en soms ook de religie) van het land; zij vormde de brug tussen twee werelden. De
kinderen uit zulke relaties groeiden op in twee culturen tegelijk, maar
hoorden nooit volledig bij één van beide. Ze waren niet helemaal Chinees
en ook niet helemaal Javaans, maar dragers van een nieuwe, gemengde
identiteit die de grenzen van ras en cultuur overschreed.
Peranakans echtpaar met kind, ca.1930.
De
Peranakan-gemeenschap
Uit de vermenging tussen Chinese mannen en inlandse vrouwen ontstond een bevolkingsgroep die later de Peranakan-Chinezen werd genoemd. Het woord peranakan
betekent letterlijk 'lokaal geboren afstammeling' en duidt op de
Chinezen die in de archipel waren geboren uit gemengde relaties en
huwelijken. Ze spraken Maleis of Javaans, droegen batik kleding, vierden
zowel Chinese als Javaanse feestdagen en combineerden voorouderverering en taoïstische en
confuciaanse gebruiken met islamitische en lokale tradities. Ook wat ze dagelijks aten was voor een belangrijk deel op Javaanse eetgewoonten gebaseerd. Na een aantal generaties was deze gemeenschap inmiddels zo groot dat er genoeg vrouwelijke huwelijkspartners binnen de eigen groep beschikbaar waren, huwelijken met inlandse vrouwen kwamen daardoor vrijwel alleen nog onder totok-Chinezen voor, dus onder migranten die uit China kwamen en alleen Chinees spraken.*4 Mary
Heidhues benadrukt dat de Peranakans geen 'geassimileerde inlanders'
waren, noch 'pure Chinezen', maar een zelfstandige hybride groep die een
sleutelrol speelde in de koloniale economie. Ze vormden de tussenlaag
van kooplieden, tolken, landeigenaren en belastingpachters die de
Europese koloniale wereld met de inlandse bevolking verbond.
Die
tussenpositie was echter ook precair. In het koloniale systeem van
etnische indeling - men zou het een voorloper van 'apartheid' kunnen
noemen - stonden de Peranakan-Chinezen, in strikt juridische zin, onder
de Europeanen, maar boven de inlanders. In werkelijkheid werden ze door
beide groepen gewantrouwd omdat ze door hen als 'te vreemd en te afwijkend' werden ervaren. Door de totok-Chinezen van nieuwere migratiegolven werden ze bovendien vaak ook niet als soortgenoten gezien, voor die categorie waren ze zowel 'te inlands' als 'te on-Chinees'. Toch waren zij, zoals Heidhues het uitdrukt, de
'intermediary elite' waarop de koloniale samenleving draaide —
economisch onmisbaar, cultureel ambigu.
Chinees gezin met bedienden, Batavia ± 1900.
Veranderende tijden
Vanaf
ongeveer 1850 begon deze dynamiek te veranderen. De koloniale handel
met China nam toe, mede door de introductie van stoomschepen, en
met de nieuwe migratiegolven kwamen nu ook veel Chinese vrouwen naar de
archipel. Hierdoor konden meer totok-Chinezen binnen hun eigen etnische groep
trouwen. Voorheen was die mogelijkheid alleen weggelegd voor de
Peranakan-Chinezen, aangezien die hun zonen en dochters aan elkaar
uithuwelijkten. Door de toename van totok-Chinezen, die een veel directere band met China hadden, begon men binnen de Peranakan-gemeenschap afstand te nemen van polygynie en relaties met inlandse vrouwen, deels uit statusoverwegingen en deels ook uit angst om op te gaan in de omringende islamitische
meerderheidscultuur. In 1860 werd bovendien de slavernij afgeschaft. Schaamte, vanwege de gemengde afkomst, begon eveneens een rol te spelen. In de beeldvorming werden inlandse vrouwen steeds vaker gekarakteriseerd als ‘moreel inferieur’ en 'slaafs', typeringen die sterk bijdroegen aan het sociaal onaantrekkelijk maken van relaties met deze vrouwen. Dat deze zienswijze, met terugwerkende kracht, ook op de eigen voormoeders van toepassing was deed kennelijk niet ter zake.
Omdat
de koloniale overheid een strikte indeling van de bevolking in
etnische categorieën had ingevoerd werd het vanuit juridisch en
administratief oogpunt eveneens wenselijk dat de Chinezen - evenals andere Vreemde Oosterlingen zoals Arabieren en Klingalezen - zich duidelijk
onderscheidden van de
inlandse bevolking, zowel in
officiële documenten als in het dagelijks leven. Zo werden ze bijvoorbeeld verplicht om in dezelfde wijk te wonen en om in de publieke ruimte, de voor hun groepering geldende, traditionele kleding te dragen. In de grotere steden op Java, zoals Batavia,
Semarang en Soerabaja, ontstonden hierdoor 'Chinese kampen' waarin de
Peranakan-bevolking, evenals de Chinese nieuwkomers, zich steeds meer
concentreerden. Deze
geografische scheiding had tot gevolg dat de sociale interactie met de
inlandse
bevolking aanzienlijk verminderde, wat vanzelfsprekend ook de kans
op het ontstaan van gemengde relaties veel kleiner maakte.
Javaanse vrouw, 1865.
Mede door de komst van veel meer totok-Chinezen was er vanaf het midden van de negentiende eeuw sprake van een sterke 'sinificatie' van de hybride Peranakan-cultuur, een ontwikkeling die gepaard ging met een hernieuwde oriëntatie op China en het patriarchale, en patrilineaire, confucianistische gedachtengoed. Vrouwen die niet binnen die traditie waren opgegroeid, en de normen en waarden ervan dus ook niet konden doorgeven aan hun kinderen, werden daardoor steeds meer als 'ongeschikte partners' beschouwd. Binnen de Javaanse inlandse gemeenschappen vond er in die periode overigens eveneens een religieuze en culturele heropleving plaats, relaties met niet-moslims werden daardoor lang niet meer zo gemakkelijk geaccepteerd als voorheen.
Al deze processen leidden ertoe dat het aantal gemengde relaties binnen de
Peranakan-gemeenschap, ooit een integraal onderdeel van hun
identiteit en cultuur, in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk begon af te nemen. Rond 1900 vinden huwelijken inmiddels grotendeels binnen de eigen culturele setting plaats, vrijwel altijd op basis van
uithuwelijking. De herinneringen aan de inlandse voormoeders verdwijnen
dan al snel uit het collectieve geheugen, zo snel zelfs dat sommigen van
hun nazaten, zoals bijvoorbeeld May Khoen's vader, kennelijk niet eens meer op de
hoogte waren van hun bestaan.*5 Wat niet wil zeggen dat daarmee ook al hun sporen waren uitgewist, de taal, gebruiken en tradities die kenmerkend waren voor de Peranakan-cultuur op Java stamden immers voor een belangrijk deel van hen af. En vanzelfsprekend verdwenen de sporen ook niet in genetische zin, tot op de dag van vandaag vertonen veel Peranakan-Chinezen in hun fysieke verschijning uitgesproken 'Indische' trekken; ook bijvoorbeeld bij May Khoen was dat duidelijk het geval, hetgeen regelmatig misverstanden opleverde.*6 Gezien de grote betekenis die de Peranakan-gemeenschap voor de koloniale samenleving (en geschiedenis) heeft gehad, mag de inbreng van deze inlandse vrouwen dus onder geen beding gebagatelliseerd worden. Laat staan volkomen genegeerd. Meer aandacht en respect voor hun rol, invloed en nalatenschap lijkt me dan ook zeer gewenst.
*1 Voor de berekening van dit getal heb ik me gericht op het tijdvak 1700-1850. In deze periode leefden voorouders van May Khoen die zo'n zes tot tien generaties van haar verwijderd waren. In totaal waren dat ongeveer 2000 personen, waarvan de helft vrouwen. Vanzelfsprekend waren lang niet al deze vrouwen afkomstig van Java, of van andere plekken buiten China, daarom heb ik de voorzichtige schatting van twintig procent gehanteerd en kwam ik uit op minstens tweehonderd 'inlandse' voormoeders.
*2 Java werd bevolkt door verschillende etnische groeperingen waarvan de
meerderheid islamitisch was. De grootste bevolkingsgroepen waren de Javanen uit Centraal- en Oost-Java, de Soedanezen uit het westen
en de Madoerezen van het eiland Madoera, met elk hun eigen taal en tradities. Hoewel hun culturen op tal van punten verschilden deelden ze met elkaar een sterk geloof in geesten en magie, wat te maken had met de invloeden van animisme, hindoeïsme en boeddhisme. Ook de hindoeïstische religie op Bali was sterk animistisch van aard, anders dan in India het geval was namen de geesten van overleden voorouders in tal van rituelen en ceremonies een belangrijke plaats in. Vrouwen afkomstig van andere eilanden, zoals bijvoorbeeld Celebes of de Molukken, waren meestal tot slaaf gemaakten (zij werden door piraten geroofd of in oorlogen buitgemaakt en vervolgens op slavenmarkten verhandeld). Ook voor vrouwen afkomstig van Java en Bali gold overigens vaak dat ze de status van 'slavin' hadden.
*3 In Nederlands-Indië kwam op 1 januari 1860 een einde aan de slavernij. In Nederland wordt hier vrijwel nooit bij stilgestaan, en dat terwijl de slavernij in Oost-Indië eerder begon en omvangrijker was dan in de westelijke
koloniën. In het jaar 1750 bijvoorbeeld waren er 75.000 slaven in
vestigingen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) tegenover 64.000 in Suriname en de Cariben. Ga voor uitgebreide informatie hierover naar het artikel van Marjolein Overmeer op Kennislink.
*4 Het Javaanse woord 'totok' ('volbloed') wordt gebruikt om personen met 'puur/onvermengd' bloed aan te duiden, in principe kan het betrekking hebben op alle etnische groepen, dus ook op Europeanen. De eerste golven van totok-Chinese migranten vermengden zich met de inlandse bevolking en hun kinderen werden Peranakan-Chinezen genoemd. De latere generaties nieuwkomers uit China hadden vaak Chinese vrouwen, ook hun kinderen waren daardoor totok-Chinezen (ze spraken Chinees en bleven gericht op China en de Chinese cultuur). Uiteindelijk was er op Java dus sprake van twee verschillende groepen Chinezen, elk met hun eigen taal en cultuur.
Van May Khoen's betovergrootvaderSih Khay Hie(1851-1936) weten we dat hij een totok-Chinees was, afkomstig uit China, zijn vrouw Liem Kiem Hong Nio (1864-1935) was van Peranakan-Chinese afkomst. Tjoa Tjiauw Nio (1775-1800), May Khoen's oudst bekende voormoeder, was waarschijnlijk een inlandse vrouw die door adoptie opgenomen werd in de familie Tjoa. Zij was getrouwd met Goei Poen Kong (1765-1806), de stamvader van de Semarangse Goei-clan. Het betreft hier voorouders die acht generaties verwijderd zijn van May Khoen.
*5 Toevallig is het vandaag de geboortedag van May Khoen's vader Tan Swie Tong. In 1926 werd hij geboren in Semarang. Hij leeft nog steeds, dus inmiddels is hij 99. Sinds 1979 woont hij in Escondido, Californië.
*6Vaak werd May Khoen aangezien voor een 'Indo'. De term 'Indo' is een afkorting van het woord 'Indo-Europeaan', zijnde een nazaat van een Europese
(stam)vader en een Indische voormoeder. In Nederland wordt met 'Indo's' hoofdzakelijk gedoeld op de groep Nederlanders met een deels Zuidoost-Aziatische achtergrond in combinatie met een (vaak lange) familiegeschiedenis in het voormalige Nederlands-Indië. Veel Indo's stammen af van de 'gewettigde' nakomelingen van Europeanen en hun respectievelijke njais, ze hebben dan ook Europese voor- en achternamen. Net zoals dat bij de Peranakan-Chinezen het geval was vormden ze op den duur een aparte etnische en culturele groep binnen het koloniale bestel, met eigen hybride taalvormen zoals bijvoorbeeld Javindo en Petjo. Ze vervulden onder meer functies in het leger, het ambtenarenapparaat, de cultuur- en mijnbouw, evenals in de handelen het onderwijs. Omdat ze de Nederlandse nationaliteit hadden emigreerden veel Indo-Europeanen na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland (met name Den Haag), Australië, Canada en de VS.
Aanbevolen literatuur:
Eleazar Zorab, De publiekrechtelijke toestand der Vreemde Oosterlingen in Nederlandsch Oost-Indië (1890), Noël Salomon, Le Sang et le Bambou: Les Chinois de Java et leurs Enfants Métis (1970), Claudine Salmon, Literature in Malay by the Chinese of Indonesia (1981), Mary F. Somers Heidhues, Chinese Minorities in Southeast Asia (1992); Chinese Indonesians: A History of Assimilation and Resistance (2003), Reggie Baay, De njai: Het concubinaat in Nederlands-Indië (2008), Widjajanti Dharmowijono, Van koelies, klontongs en kapteins: het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza 1880-1950 (2009), Guo-Quan Seng,
The Gender Politics of Confucian Family Law: Contracts, Credit, and
Creole Chinese Bilateral Kinship in Dutch Colonial Java, 1850s–1900
(2018), Patricia Tjiook-Liem, Chinezen uit Indonesië: De geschiedenis van een minderheid (2022).