Arnulf van Metz.
Hofmeiers, heiligen en hunebedbouwers
Door de eindeloze lockdown heb ik aan het uitpluizen van mijn stamboom de afgelopen maanden eveneens veel tijd besteed, dit mede naar aanleiding van een DNA-test die ik begin maart van vrienden cadeau had gekregen. Op basis van genealogisch onderzoek, dat door een verre bloedverwant was gepleegd en waarover hij een boek had geschreven, 'ontdekte' ik dat mijn tot dan toe verst traceerbare voorvader, Arnulf van Metz, geboren werd omstreeks het jaar 582, dus amper honderd jaar na de val van het West-Romeinse Rijk. Arnulf was een belangrijke Merovingische hofmeier en een betbetovergrootvader van Karel de Grote. In 614 werd hij tot bisschop van Metz benoemd - in die tijd niet alleen een religieuze maar ook een politiek belangrijke functie - waarna zijn vrouw Doda van Saksen intrad in een klooster te Trier. Later werd Arnulf zelf ook kloosterling. Na zijn dood in augustus 640 is hij heilig verklaard.
Weliswaar vertonen de resultaten van het archiefonderzoek van mijn verre neef her en der wat hiaten - eerst vanaf ongeveer 1550 zijn die voor de volle honderd procent betrouwbaar - maar toch twijfel ik er geen moment aan dat ik een afstammeling van Karel de Grote en diens voorvader Arnulf van Metz ben. Voor zo'n beetje iedereen in West-Europa geldt dat namelijk.*1
Commerciële DNA-testen doen geen uitspraken over de verwantschap met historische personen, wel koppelen ze je DNA aan haplogroepen en matchen ze jouw DNA met het DNA van andere deelnemers om eventuele verwantschap vast te kunnen stellen. Uit mijn DNA-test kwam naar voren dat ik een typische Noordwest-Europeaan ben (haplogroep R1b: 93 procent), met meer dan 5000 matches in alle landen rondom de Noordzee, plus de VS, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. In het algemeen waren het lage matches (minder dan 100 centiMorgan). Ook bleek ik voor 5 procent 'Scandinavische' genen (haplogroep I1) te bezitten, hoogstwaarschijnlijk betreft het hier de genetische nalatenschap van Deense Vikingen. De overige 2 procent van mijn DNA behoort tot de haplogroep R1a, waardoor ik ook over de Oost-Europese genen beschik die een link vormen naar de mesolithische jagers en verzamelaars die Europa en Noordwest-Azië bevolkten na de laatste ijstijd.
De West-Europese haplogroep R1b, waartoe het overgrote deel van mijn genen behoort, is afkomstig van de Proto-Indo-Europese herdersvolken die zo'n 5000 jaar geleden op de uitgestrekte Pontisch-Kaspische steppe leefden en daar de zogeheten 'kurgans' achterlieten. Een deel van hen trok met door paarden getrokken wagens westwaards en vermengde zich, in relatief korte tijd, met de daar woonachtige, oorspronkelijk uit Anatolië afkomstige, neolithische landbouwers - waartoe, onder anderen, ook de hunebedbouwers en de in de Italiaanse Alpen gevonden Ötzi behoorden - alsmede met de laatste jagers en verzamelaars die her en der nog in die streken aanwezig waren. Het DNA van de meeste huidige West-Europeanen bestaat uit het overerfde genenmateriaal van deze drie groepen.*2
Inmiddels is de lockdown van regeringswege grotendeels opgeheven en heb ik alweer een paar keer in de bioscoop, de trein en op een terras gezeten. Hetgeen op zich zeer positieve vooruitzichten biedt. Dus hoop ik maar dat het me de resterende zomermaanden zal lukken om genoeg energie te vergaren om de komende winter door te komen. Want hoe je het ook wendt of keert: vandaag is het al een paar seconden minder lang licht dan gisteren en die tendens zet voorlopig nog wel even door.
©Huub Drenth
*1 Op YouTube is een aantal interessante video's over het onderwerp 'afstamming van Karel de Grote' te vinden. Het gaat dan over de statistische waarschijnlijkheid die geldt voor iedereen met minstens een Europese voorouder.
*2 In dit verband is het misschien interessant om te kijken naar wat David Reich, auteur van het boek Who We Are and How We Got Here, hierover weet te melden (in een interview met Dwarkesh Patel):
Nadere verdieping in dit onderwerp riep bij mij de vraag op of voorouders van meer dan tien generaties terug (210, enz.) nog als 'bloedverwanten' beschouwd kunnen worden, gezien het feit dat hun aandeel in ons DNA dan inmiddels al minder dan een promille centiMorgan (cM) bedraagt (de totale lengte van al onze chromosomen bij elkaar opgeteld is ongeveer 7400 cM, van beide ouders krijgen we 50 procent cM, van onze vier grootouders 25 procent, enzovoort). Bij twintig generaties (ongeveer 700 jaar) terug is dat getal al kleiner dan een miljoenste en dan is zelfs de term 'homeopathische verdunning' eigenlijk al niet meer van toepassing. Een andere conclusie zou uiteraard kunnen zijn dat zo'n beetje alle Europeanen (en sowieso alle mensen op de wereld) bloedverwanten van elkaar zijn, dan is dat probleem voorgoed opgelost (beluister ook wat Maarten Larmuseau, stamboom-expert en geneticus aan de KU Leuven, hierover zegt).
Belangrijke aanvulling. Autosomale DNA-tests danken hun populariteit in belangrijke mate aan de schatting van de 'etniciteit' of admixture, je genetische mix. Ze zouden de oorsprong van je voorouders laten zien, tot millennia terug. De praktijk laat zien dat de aanbieders van de tests deze belofte niet waar kunnen maken. Op dit moment gaat de betrouwbaarheid nog niet verder dan het continentale niveau. Ga voor meer uitleg hierover naar de site van het CBG/Centrum voor familiegeschiedenis of naar deze video op YouTube.


