Harmonie
De Chinese cultuur is doordesemd van het gedachtegoed van Confucius en zijn leerlingen. De essentie ervan is dat individuen zich in alle omstandigheden hebben te onderwerpen aan de belangen van het grotere geheel, alsmede aan het gezag van de personen die boven hen staan. Dit geldt voor elke vorm van organisatie, dus van het gezin en de familie tot en met de staat. Alleen op die manier kan er, volgens Confucius, een harmonieuze samenleving ontstaan; waarbij overigens vermeld dient te worden dat vrouwen binnen dit geheel, qua macht, op geen enkele manier meetelden.
Hoewel zijn leer al door een van de eerste keizers tot officiële staatsdoctrine was uitgeroepen werd de invloed ervan pas manifest toen ten tijde van de Song-dynastie (960 - 1279 n.Chr.) het hele Chinese ambtenarenapparaat op neo-confucianistische leest geschoeid werd. Na de ineenstorting van het keizerrijk, begin twintigste eeuw, kreeg het confucianisme veel kritiek te verduren maar tegenwoordig verovert het snel weer terrein, waarschijnlijk omdat de Chinese Communistische Partij om een nieuwe doctrine verlegen zit, nu in plaats van socialisme, staatskapitalisme de nieuwe economische werkelijkheid geworden is. Hetgeen, in een samenleving die tegenwoordig als gevolg van de eenkindpolitiek voor een groot deel letterlijk uit 'individuen' bestaat, een interessant spanningsveld oplevert. Met andere woorden: gaat het de partijtop lukken om die (vaak hoogopgeleide en egocentrische) generatie, in politieke zin, buitenspel te blijven zetten zonder dat deze in opstand komt? HD

Confucius (551 - 479 v.Chr.)
was een moraalfilosoof die leefde in de Periode van Lente en Herfst. Hij werd
geboren als Kong Qiu in de stad Qufu in de toenmalige staat Lu,
gelegen in de tegenwoordige provincie Shandong. In het door zijn navolgers samengestelde Gesprekken van Confucius werd zijn leer in bijna 500 uitspraken en anekdotes voor het voetlicht gebracht.
De naam Confucius is de gelatiniseerde vorm van zijn oorspronkelijke naam Kǒng Fūzǐ ( 孔子 ), die Meester Kong betekent. Het was waarschijnlijk
de Italiaanse jezuïet Matteo Ricci (1552 - 1610 n.Chr.) die de gelatiniseerde variant introduceerde in Europa. Ricci vertaalde ook de Gesprekken van Confucius in het Italiaans, van waaruit ze later in het Latijn werden vertaald.
Leven
De voorouders van Confucius waren
adellijke grootgrondbezitters in de staat Song, totdat zijn overgrootvader vanwege
politieke verwikkelingen gedwongen was te vluchten naar de staat Lu, waar de
financiële reserves van de familie vervolgens al snel opraakten. Confucius moest met diverse
werkzaamheden in zijn levensonderhoud voorzien. Het
grootste deel van zijn leven was hij privéleraar, waarbij hij het ook als zijn
taak zag om zijn leerlingen in morele zin de weg te wijzen en hen opriep te strijden tegen zedenverwildering. Uiteindelijk had hij 3000 studenten waarvan er 70 als zeer begaafd
werden beschouwd. Hij deed met een groep studenten diverse
staten aan, waar hij steevast door de heersers met open armen werd ontvangen.
Desalniettemin waren zij maar weinig vatbaar voor zijn moraalfilosofische en ethische adviezen.
Confucius heeft nooit de
kans gekregen om zijn leer in de praktijk te brengen (hierin lijkt hij op Machiavelli, HD). Hij is slechts enkele
maanden hoogwaardigheidsbekleder geweest in Lu, waar hij verantwoordelijk was
voor het bestraffen van criminelen en handhaving van de openbare orde. De
laatste jaren van zijn leven hield hij zich bezig met het bestuderen van onderwerpen als geschiedenis, poëzie, rituelen/etiquette en muziek. De interesse hiervoor stimuleerde hij ook bij zijn studenten, teneinde de tradities niet verloren te laten gaan. Zij vervulden dan ook een belangrijke rol bij de verdere
verbreiding van zijn gedachtegoed.

Politieke en maatschappelijke ideeën
Door de vele beroeringen tijdens de
Periode van Lente en Herfst (771 - 476 v.Chr.) was er ruimte voor mannen die politieke macht
wilden veroveren. Dit was ongetwijfeld ook een oogmerk van Confucius zelf maar tegelijkertijd een streven
dat hij aan zijn studenten wilde meegeven. Goede studenten verdienden het
volgens hem om hoogwaardigheidsbekleder te worden, zijn onderwijs was
daarom eveneens sterk gericht op het aanleren van politieke vaardigheden.
Confucius' leer stond in een aantal opzichten op gespannen voet met de heersende standenmaatschappij. Zo was hij bijvoorbeeld van
mening dat van nature iedereen gelijk was (dit gold echter niet voor vrouwen, HD). Hoge posten moesten door de meest
bekwame mensen worden bezet, dus niet per definitie door de adel die dergelijke
posten in de praktijk vaak door overerving verkreeg, waarbij geschiktheid er in feite niet toedeed. Tegelijkertijd was Confucius absoluut geen
revolutionair. Integendeel zelfs. Zijn (nogal onrealistisch) streven was gericht op een terugkeer van de
stabiliteit van de Westelijke Zhou-dynastie (1047 - 772 v.Chr.), waarin ieders
positie wel degelijk door klasse/stand, conventies, sociale rituelen*1 en ceremonies bepaald was geweest. De hiërarchische
maatschappelijke bovengeschiktheid van de adel (waartoe hij door geboorte ook zelf behoorde) werd dus in principe, en ook om praktische redenen, niet door hem verworpen. Bijgevolg adviseerde hij goede en bekwame mannen zich bij hun lagere positie neer te
leggen, ook al botste dat met hun natuur en intelligentie.
Gedrag en sociale rituelen moesten volgens Confucius gepaard gaan met oprechte gevoelens en de juiste morele intenties. Hierbij verwees hij vaak naar het respect dat kinderen jegens hun ouders dienden te tonen. Overtuigingen met betrekking tot familiaire relaties werden door hem doorgetrokken naar de samenleving als geheel. Hierbij gebruikte hij het begrip Ren ( 仁 ) als de hoogste vorm van toegenegenheid en verantwoordelijkheid voor het welzijn van anderen. Leiderschap kon volgens Confucius alleen worden uitgeoefend als men deze zelfde mate van toegenegenheid ook voor de lagergeplaatsten aan de dag legde, dus zoals een vader voor zijn kinderen.
De zes deugden
Het confucianisme kent zes
basiswaarden die in het Chinees bekendstaan als Ren (compassie/altruïsme), Xiao (kinderlijke gehoorzaamheid/opoffering), Yi (rechtvaardigheid),
Li (fatsoen), Chung (loyaliteit) en Shu (wederzijds respect). Door deze deugden aan te kweken kan men
een 'superieur persoon' worden. Het geheel is een uitgesproken paternalistische maatschappijfilosofie die de Chinese bevolking meer dan 3000 gedragsregels voorhoudt, geschikt voor vrijwel elke denkbare sociale situatie.
Volgens
het confucianisme dient iemand niet te handelen zoals zijn hart dit hem ingeeft, maar
zoals zijn maatschappelijke positie dat van hem verlangt. Algemene Chinese
karaktertrekken als ijver, matigheid, bescheidenheid en een (respectvolle) gerichtheid op de familie/het gezin
zijn terug te voeren tot het confucianisme.
Confucius vond het verder van groot belang dat ieder individu zijn talenten kon ontwikkelen, zowel op praktisch als intellectueel niveau, en eveneens dat iemand emotioneel in balans was.
Ook geloofde hij stellig in de fundamentele goedheid van de mens; het is
enkel aan gebrekkig ‘inzicht’ (lees: de opvoeding) te wijten dat de mens in fouten
vervalt.*2
De filosofie van Confucius legde de nadruk op
de persoonlijke en bestuurlijke moraal, op sociale harmonie en orde, en vooral: op respect voor de meerdere/oudere. Zijn gedachtegoed won in de loop der tijd vooral aan populariteit door zijn krachtige verdediging van traditionele Chinese
waarden en normen. De invloed van Confucius op de
Chinese beschaving is gigantisch geweest, evenals die op de culturen van Taiwan,
Japan,
Korea
en Vietnam.
Dit laatste kwam mede door de verspreiding van het uit latere tijden stammende neo-confucianisme, een doctrine die, behalve door bepaalde elementen van het oorspronkelijke confucianisme, ook sterk beïnvloed is door het boeddhisme en taoïsme.*3
©Huub Drenth
*1 Confucius bedoelde hiermee de vele dagelijkse rituelen en aanspreekvormen die dienden om het hiërarchische verschil tussen personen aan te geven. Niet alleen op het maatschappelijke vlak maar ook binnen familieverbanden was dit streng gereguleerd.
*2 Tot
op de dag van vandaag spelen begrippen als 'tot het juiste inzicht
brengen' en 'heropvoeding' bijgevolg nog steeds een belangrijke rol in het beleid van
de Chinese overheid met betrekking tot 'afwijkend gedrag' (zowel van individuen als minderheidsculturen). Tegenwoordig worden ook moderne methoden toegepast om dat doel te bereiken. Homoseksualiteit probeert men bijvoorbeeld, in gespecialiseerde klinieken, te 'genezen' door het toedienen van elektrische schokken op de genitaliën en het hoofd, terwijl dit vroeger, heel primitief, veelal nog gebeurde door het uitdrijven van demonen.
*3 Zie voor meer informatie ook mijn post over het neo-confucianisme.
Evenals mijn posts over: