woensdag 11 maart 2020

May Khoen's voorouders ~ deel 5



Krengseng, mei 1938: het planten van de padi.


Oudleerling eener H.B.S.





Opheffer is het pseudoniem van G.L. Gonggrijp (1859-1939).*5 Hij was van 1907 tot 1914 resident van Rembang (gelegen ten oosten van Semarang) en schreef in de jaren 1911 tot 1914 meer dan honderd 'geestige' commentaren in briefvorm die gepubliceerd werden in het Bataviaasch Handelsblad. De naam Opheffer ontleende hij aan de zogeheten 'Ethische Politiek', een richting die ontstond aan het einde van de 19e eeuw, veertig jaar na het verschijnen van Multatuli's boek Max Havelaar. Opheffen wordt hier gebruikt in de zin van verheffen/verhogen/optillen. Doelstelling van de Ethische Politiek was de inheemse bevolking van de kolonie zodanig te vormen dat zij zou kunnen komen tot politieke en economische zelfstandigheid. Het onderwijs en de welzijnszorg voor niet-blanken kregen daardoor meer aandacht. Van deze nieuwe mogelijkheden werd in eerste instantie vooral door de Chinese bevolkingsgroep gebruik gemaakt. Een voorloper onder hen was Oey Tjien To die, al voor de grote golf op gang kwam, de Koning Willem III-HBS in Batavia bezocht had.

Dat de Europese Toean besar voortaan niet meer louter een economische exploiteur was, maar tevens een culturele opvoeder, was een rol waar Gonggrijp, zeker in zijn taalgebruik, duidelijk nog mee worstelde. De term Kromo wordt door hem systematisch gebruikt als stereotypering voor de (Javaanse) inlander. Dus voor iemand die sociaal altijd de mindere is en die daarom blijkbaar geen persoonsnaam nodig heeft. Voor Chinezen in algemene zin gebruikt hij om diezelfde reden in z'n artikelen afwisselend de term John en John Chinaman, daarmee (voor de goede verstaander) impliciet refererend aan de meedogenloze manieren waarop Chinezen de inlanders 'uitknepen' (dit was een uitwas van het door het gouvernement ingevoerde 'pachtstelsel', zie onder). In die tijd was dit normaal taalgebruik onder blanke 'kolonialen'. Dat het kan verkeren blijkt wel uit het feit dat dertig jaar later vrijwel alle kolonialen in een Jappenkamp zaten terwijl Kromo zich fanatiek aan het opmaken was voor de onafhankelijkheid. Ondertussen zag John Chinaman het allemaal met lede ogen aan en dacht er waarschijnlijk het zijne van.


Oey Tjien To en zijn echtgenote Liem Ko Nio, 1925.


De tramlijn naar Toeban en Babat

In zijn stuk doet Gonggrijp het voorkomen dat hij Oey Tjien To niet eerder heeft ontmoet. Hetgeen nogal onwaarschijnlijk is. Immers: drie jaar eerder, op 23 juni 1910, valt in dagblad De Locomotief te lezen "dat de heer Carpentier Alting, handelende voor 'de Chinees Oey Tjien To', bij de Gewestelijke Raad van Rembang een request heeft ingediend voor de aanleg van een tramlijn (vanaf Rembang) langs de kust over Lassem, Pamotan, Djatirogo naar Toeban, met een zijtak van Toeban naar Babat, benevens de aanleg van een afvoerplaats op de kust."

Gonggrijp was als resident voorzitter van die raad en het plan om het arme noordelijk en oostelijk deel van de residentie Rembang tot een hoger welvaartsniveau te brengen was in feite ontsproten aan zijn geest. Het behelsde niet alleen de aanleg van tramlijnen, teneinde die gebieden te ontsluiten, maar ook het tot ontwikkeling brengen van grootschalige suikerculturen in die landen en, in het verlengde daarvan, de bouw van suikerfabrieken. In eerste instantie had Oey Tjien To zelfs een request ingediend voor de uitvoering van het hele plan, dus zowel van tramlijnen, plantages als fabrieken, hetgeen een investering vergde van enkele tientallen miljoenen guldens. Hij was echter gedwongen geweest om dat plan terug te trekken, aangezien het bij deze aanbesteding slechts om de uitbreiding van het tram- en spoorwegnet ging, waarna hij een nieuw plan had ingediend, wederom volledig identiek aan de ideeën van Gonggrijp.


SJS-Stoomtram op de Bodjong in Semarang.


Uit hetzelfde artikel in De Locomotief blijkt dat er in de desbetreffende vergadering uitgebreid gesproken is over dit specifieke voorstel, dat duidelijk heel sterk de voorkeur van resident Gonggrijp genoot (er waren ook 'requesten' ingediend door spoorwegmaatschappij N.I.S. en tramwegmaatschappij S.J.S.), en het kan niet anders of ook Oey Tjien To was hierbij aanwezig. Ook is het zeer aannemelijk dat hij vooraf al kennis had gemaakt met Gonggrijp, aangezien deze advies aan het gouvernement uit moest brengen wat betreft deze kwestie.*6 Want afgaand op zijn leeftijd, hij was pas 24, en de vele miljoenen waar het om ging, was Oey Tjien To uiteraard niet de echte opdrachtgever. Uit een artikel in de Semarangse krant De Locomotief van 25 juni 1910 over dit onderwerp blijkt dat zowel de Gewestelijke Raad als het journaille wel degelijk besefte waar het benodigde kapitaal vandaan kwam, als er tot realisering van Oey Tjien To's voorstel overgegaan zou worden:
  
"Een voordeel is dat de plannen waarschijnlijk spoedig uitgevoerd zullen worden, het tweede voordeel is, dat hierin Chineesch kapitaal zal gestoken worden dat thans door de opheffing van pandhuis- en opium pachten vergeefsch emplooi zoekt. Men heeft ook geen buitenlandsch kapitaal, doch kapitaal dat in 't land blijft."

Ongetwijfeld wordt hier impliciet verwezen naar de activiteiten en rijkdom van de Semarangse 'suikerkoning' Oei Tiong Ham*7, die bij dit soort aangelegenheden zo weinig mogelijk op de voorgrond trad en daarom vaak gebruik maakte van stromannen en zetbazen. Door middel van het oprichten en opkopen van ondernemingen werkte hij gestaag aan de uitbreiding van zijn imperium, daarin bijgestaan door onder meer zijn advocaat Mr. C.W. Baron van Heeckeren. In eerste instantie waren dat vooral suikerfabrieken geweest en daaraan dankte hij dan ook zijn bijnaam. Oey Tien To, die op basis van zijn familienaam mogelijk door Oei Tiong Ham als een verre verwant werd beschouwd, nam kennelijk in dat geheel ook een vertrouwenspositie in; het feit dat hij meer dan gemiddeld geschoold was en meerdere talen beheerste zal daar zeker toe hebben bijgedragen. Oei Tiong Ham mengde zich trouwens sowieso liever niet onder koloniale magistraten en ondernemers, simpelweg omdat hij maar een paar woorden Nederlands sprak (hij had klassiek Chinees onderwijs genoten maar sprak ook Maleis en wat Engels).


Oei Tiong Ham

Simongan en de Kali Garang

Op 1 januari 1920 doet het Indisch tijdschrift van het recht verslag van een rechtszaak waarin Oey Tjien To als eiser optreedt tegen een ambtenaar van de gemeente Semarang. Deze heeft het slot op een ketting, die op maandag 31 maart 1919 door Oey Tjien To over de Garangrivier op het particulier land Simongan was gespannen, op dinsdag 1 april 1919 met een breekijzer kapotgemaakt en vervolgens laten verwijderen, teneinde de winning en het vervoer van zand- en keien (door de gemeente) in en over de rivier weer mogelijk te maken. Dit slot, en de paal waaraan het slot bevestigd was, zou aan Oey Tjien To, gemachtigde van het 'begrafenisfonds van Kian Goan' *8, eigenares van het particulier land Simongan, toebehoren, dus is er volgens hem sprake geweest van een wederrechtelijke daad waarvoor hij schadeloosstelling eist.

In het vonnis van 30 juli 1919, geveld door het Landgerecht te Semarang (op de foto van de Bodjong hierboven ziet men het moderne gebouw waar het zetelde op de achtergond), wordt Oey Tjien To in het gelijk gesteld; de tegenpartij moet een boete van drie gulden betalen en bovendien het slot teruggeven, de proceskosten hoeven ze echter niet te betalen. Op dezelfde dag doet het Landgerecht echter ook uitspraak in de zaak die de gemeente Semarang tegen hem heeft aangespannen, betreffende exact dezelfde kwestie. En in die uitspraak wordt de gemeente in het gelijk gesteld. Oey Tjien To krijgt een boete van vijf gulden opgelegd, omdat hij zonder toestemming van de gemeente een ketting heeft gespannen over een 'openbare (water)weg', en moet ook de kosten van het rechtsgeding betalen. 

Al met al nogal een bizarre geschiedenis. De essentie van waar het in deze zaak om draait wordt pas duidelijk als men zich richt op de vraag wat het 'particulier land Simongan' precies inhoudt. Het gaat hier om een landgoed van 1300 hectare dat op dat moment nog buiten Semarang gelegen is. Het is feitelijk eigendom van Oei Tiong Ham, die zich Landheer van Simongan mag noemen. Zijn vader Oei Tjie Sien heeft het in 1878 gekocht en er zijn oude dag op doorgebracht. Op het landgoed, dat bestaat uit rijstvelden en een aantal kampongs, bevindt zich de eeuwenoude Chinese tempel Sam Poo Kong, evenals het familiegraf van de familie Oei. De Kali Garang, een rivier die ook voor het bevloeien van de padivelden op het domein van betekenis is, loopt er dwars doorheen. Er is duidelijk sprake van een krachtmeting tussen de gemeentelijke autoriteiten en 'landheer' Oei Tiong Ham maar de koene ridder die voor hem in het strijdperk treedt, te weten Oey Tjien To, delft, ondanks zijn overwinning, toch het onderspit.*9


 ©Huub Drenth

 

Benedenloop Kali Garang, omstreeks 1900.


*1 Gonggrijp, G.L. Brieven van Opheffer, 3e druk; N.V. Leiter-Nypels, Maastricht 1944 (pag. 184/185).

*2 Een administrateur is een beheerder/manager van een koloniale agrarische onderneming. Hij is dus niet de eigenaar. In De lijst van 1914, deel I, inzake particuliere ondernemingen op door het gouvernement verhuurde gronden voor landbouwdoeleinden, wordt Oey Tjien To opgevoerd als ondernemer (eigenaar) en C. Pechler als administrateur van de Mij. Stoomrijstpellerij Krengseng (zie ook *
9). Deze C. Pechler wordt in dezelfde lijst ook opgevoerd als een administrateur van de N.V. Cultuurmaatschappij Kim Siang die de rijstlanden Gebang Anom I, II en III exploiteert.

*3 Het 'rijstland Krengseng' is gelegen in het regentschap Batang (district Soebah), dat deel uitmaakt van de residentie Pekalongan. Het ligt net over de grens van de residentie Semarang.

*4 Een ba(h)oe of bouw is ongeveer 0,7 ha. In totaal gaat het dus om 700 hectare rijstland (padi is de rijstplant zelf die gekweekt wordt op aparte velden).

*5 Theodor Holman, wiens vader assistent-resident was in Indië, gebruikt dit pseudoniem voor zijn columns in De Groene Amsterdammer, daarmee dus impliciet refererend aan Gonggrijp en (die specifieke 'ethische' periode van) het koloniale verleden.
*6 Het artikel dat Oey Tjien To schreef voor het Tijdschrift voor het Binnenlands Bestuur had als titel Nota over eenige bijzonderheden van den Rijstbouw. Het werd gepubliceerd in de editie van 1910 (deel 36/38, pag. 240), en wel "Op vereerend verzoek van den heer G. L. Gonggrijp, Resident van Rembang". Oey Tjien To wordt aangekondigd als erfpachter van het land Krengseng, omvattende de rijstlanden Gebang Anom I, II en III. Gonggrijp schreef in diezelfde editie ook een artikel, en wel over de bemesting bij rijstbouw (pag. 238).

Met andere woorden: hun contact dateert dus al minstens van omstreeks 1908 en was mogelijk gebaseerd op een gedeelde interesse: verbetering van de rijstteelt. Waarschijnlijk vanwege deze relatie heeft Oei Tiong Ham juist hem benaderd om het plan voor de tramlijn in te dienen. Het valt echter ook niet uit te sluiten dat Gonggrijp, op uiterst discrete wijze, (onder andere) via Oey Tjien To contact met Oei Tiong Ham heeft gezocht, teneinde zijn zeer ambitieuze plannen ten uitvoer te kunnen brengen. (HD, 30 mei 2020).





*7 In Nederlandsch-Indië bestond heel lang het z.g. 'pachtstelsel' (Engelse term: revenue farming). Het heffen van belasting op veel goederen en diensten werd, voor een bepaalde periode, verpacht aan de hoogste bieder. Dus aan particulieren. Alleen zij hadden dan vergunning om die bepaalde goederen te verkopen of die desbetreffende diensten te verlenen. Voorbeelden hiervan zijn: de verkoop van zout, opium en alcohol, het exploiteren van pandhuizen en gokhuizen, het tol heffen op bruggen en veerponten, en het innen van bazar- en slachtbelastingen. Vaak waren het Chinezen die zich hiermee bezighielden. Zo ook Oei Tiong Ham, hierin bijgestaan door onder meer May Khoen's andere overgrootvader van moeders kant Ko Djie Soei.

De 'kongsi' van Oei Tiong Ham had in Midden- en Oost-Java een groot deel van de opiumpacht in handen en maakte daarmee gigantische winsten. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam er een eind aan dit stelsel en begon het gouvernement zelf belastingen te heffen, ook op opium (de zogeheten 'opiumregie'). Het kapitaal van de opiumpachters, dat in het geval van Oei Tiong Ham al voor een groot deel in suikerfabrieken geïnvesteerd was, ging toen op zoek naar andere winstgevende projecten. Het project waarvoor Oey Tjien To in Rembang een voorstel indient is daar een voorbeeld van. Zie ook: https://en.wikipedia.org/wiki/Oei_Tiong_Ham
Kongsi is een Hokkien woord dat betrekking kan hebben op een onderneming/firma, een economisch samenwerkingsverband of een genootschap/vereniging. Met name 'overzeese Chinezen' in Zuidoost-Azië verenigden zich in kongsi's. Zie Wikipedia.

*8 Kian Goan (later: Kian Gwan) is de naam van de onderneming/kongsi die in 1863 door Oei Tjie Sien, de vader van Oei Tiong Ham, werd opgericht. Onder leiding van Oei Tiong Ham en zijn opvolgers groeide het uit tot een immens conglomeraat: het Oei Tiong Ham Concern. Grote delen ervan werden in 1961 door Soekarno genationaliseerd maar de Nederlandse en Thaise takken bestaan nog steeds.

*9 Het begrafenisfonds Kian Goan/Kian Gwan legde zich niet bij de uitspraak neer en maakte er een slepende kwestie van. Uiteindelijk werd het geschil tussen de twee partijen pas in 1928 in de minne geschikt.
De bredere 'politieke' achtergronden van dit conflict ontdekte ik toen ik mijn post van 23 februari 2021 schreef .
Meer informatie over de twee gevoerde processen inzake deze kwestie is te vinden op pagina 182 t/m 194 van aflevering 5, jaargang 7 van het koloniale tijdschrift Locale Belangen dat uitkwam in september 1919.


Ingang Sam Poo Kong tempel, omstreeks 1900.


Dit was deel 5 van May Khoen's voorouders.

maandag 10 februari 2020

Hoe raar het kan lopen





The Piano

Als mensen op de vlucht slaan, en plotseling huis en haard achter zich moeten laten, zeulen ze vaak de wonderbaarlijkste dingen met zich mee. Zo zag ik eens op tv hoe een arme boer op de Filipijnen, in de asregen van een vulkaanuitbarsting - waarschijnlijk die van de Pinatubo in 1991 - een gigantisch Heilig Hartbeeld in veiligheid probeerde te brengen. Hij rende zich de longen uit het lijf met dat logge ding, verder had hij niks bij zich. Toen May Khoen's vader Tan Swie Tong in 1979 naar Californië vertrok kon je dit verschijnsel ook waarnemen: voor een habbekrats verkocht hij op een zaterdagmiddag z'n hele hebben en houden aan familieleden maar z'n vleugel nam hij mee de oceaan over. En die bleef, ook toen hij gedwongen was om kleiner te gaan wonen.*1

Ook z'n nieuwe vrouw nam hij natuurlijk mee.*2 En hun dochtertje van zes. En May Khoen's zusje Xenia (May Hwa), niet te vergeten, die op dat moment dertien was. Xenia was geboren op 10 februari 1966 - vandaag precies 54 jaar geleden - en daardoor meer dan tien jaar jonger dan haar drie oudere zussen, een nakomertje dus.

 


Trouwfoto oom Sian (r) en tante Bea, 1960.*3

Tante Bea

Toen Mayke en ik op 13 augustus vorig jaar bij tante Bea in Amsterdam op bezoek waren - voor het laatst, bleek later, zie mijn post van 20 januari jl. - vertrouwde ze ons toe dat zij en oom Sian zich toentertijd over Xenia's gedwongen verhuizing naar Amerika ontzettend veel zorgen hadden gemaakt en serieus overwogen hadden om haar in huis te nemen, tot ze op eigen benen kon staan.*4 Maar dat ze daarvan afgezien hadden omdat ze beiden op zeer onregelmatige tijden in hun apotheek aanwezig moesten zijn, aangezien ze die met z'n tweeën runden.

Beiden hadden ze het een foute beslissing gevonden om Xenia zo rigoureus te scheiden van haar oma en zussen en haar, in een ver buitenland, aan de zorg van haar stiefmoeder toe te vertrouwen. Vooral omdat ze zo hun twijfels hadden over de empathische en opvoedkundige kwaliteiten van die stiefmoeder. Het ging per slot van rekening om een meisje in de puberteit dat op vijfjarige leeftijd haar moeder had verloren, en dat bovendien niet lang daarna ook nog eens gescheiden was geraakt van haar oma die eveneens sinds haar geboorte voor haar had gezorgd.*5

 



Assepoester zonder prins

Menig sprookje kent een dergelijke aanloop maar uiteindelijk verschijnt dan de prins op het toneel, die het arme meisje kust, en vervolgens leefden ze nog lang en gelukkig. Helaas was Xenia niet in een dergelijk verhaal beland en ging de nachtmerrie in Amerika gewoon door, in feite tot op de dag van vandaag. De ene rampspoed bleef zich op de andere stapelen, er kwam geen einde aan. Gedoe met mannen vooral. En twee kinderen die opgroeiden zonder vader. Kidnapping zelfs. Meteen na de high school begon dat al, dus slechts een paar jaar na haar vertrek uit Nederland. Hoe dat kwam? Alleen maar doordat ze met verkeerde vrienden omging en nooit naar hem had willen luisteren, aldus haar vader. Met andere woorden: aan hem, of z'n nieuwe vrouw, lag het niet. En als bewijs voerde hij dan haar halfzusje op, want die haar opvoeding had immers tot een perfect resultaat geleid: niet brutaal, nooit gedoe met de andere sekse en bovendien ook nog eens goed in de exacte vakken. Kortom: een dochter op wie je trots kon zijn...


May Khoen, Xenia en Mayke, februari 1976


©Huub Drenth


*1 De muziek in de video is van de Engelse componist Michael Nyman. De naam van het stuk is The heart asks pleasure first. Nyman componeerde het voor de film The Piano (1993) van regisseur Jane Campion. Khoen was zo weg van Nymans muziek dat ze eens in Middelburg, samen met haar zus Mayke, naar een concert van zijn filmcomposities is geweest.

*2 Van die vrouw ken ik alleen haar voornaam. Meer niet. Al die jaren heeft ze geen enkele keer (!) de moeite genomen om naar May Khoen's gezondheid te informeren, dat zegt eigenlijk wel genoeg,

*
3  De trouwfoto van tante Bea en oom Sian maakt deel uit van de Atelier J. Merkelbach-collectie die bewaard wordt in het Stadsarchief van
Amsterdam. Ook tante Bea's moeder en broer, (Nel) Han Kiok Nio en Liem Kiem Gwan, maken deel uit van het feestelijke geheel. Tante Bea's vader, de bekende arts Liem Ghik Djiang, was op dat moment waarschijnlijk reeds overleden. Ik neem de foto op in deze post als een eerbetoon aan hen omdat zij beiden, gedurende al de jaren dat ik May Khoen gekend heb, een grotere rol gespeeld hebben in ons leven dan haar eigen vader en zijn vrouw. En dat terwijl ze nota bene niet eens 'bloedverwanten' waren. 
*4 Ook haar drie zussen maakten zich hierover natuurlijk grote zorgen. May Khoen's zus May Ling vertelde eens dat zij en haar toenmalige man Knut in 1979 voorgesteld hadden om Xenia in hun gezin op te nemen maar dat haar vader dit aanbod afgewezen had.

*5 Oma, de moeder van haar moeder, de enig steun en toeverlaat die ze nog had in Amsterdam, was naar een flatje in Buitenveldert verbannen, waarna Xenia zelf, alsof het nog niet genoeg was, naar een internaat in Oegstgeest werd gestuurd.


dinsdag 4 februari 2020

Taoïsme voor beginners




Xi Jinping versus Daodejing

Nu het totalitaire, in feite nog steeds grotendeels op de ideologie van het (neo-)confucianisme*1 gestoelde, staatsbestel van China internationaal hevig onder vuur ligt - als gevolg van de intimiderende politiek jegens het democratische Hong Kong, het interneren en hersenspoelen ('heropvoeden') van meer dan een miljoen Oeigoeren en het door de autoriteiten aanvankelijk verdoezelen van de uitbraak van het zeer besmettelijke en dodelijke coronavirus in Wuhan - is het misschien goed om erop te wijzen dat er in dat land ook filosofieën zijn ontstaan, of aangehangen worden, waarin het individu wordt verondersteld een autonoom handelend persoon te zijn, in plaats van een toonbeeld van volgzaamheid. Een daarvan is het taoïsme, een stroming waarvan de mystieke richting tegenwoordig, vooral onder Chinese jongeren, weer meer aanhangers trekt. Mede waarschijnlijk omdat het een uitweg biedt voor de vele verwachtingen, verplichtingen en eisen waaraan jonge mensen in China tegenwoordig, als gevolg van de eenkindpolitiek, moeten voldoen (en waardoor het zelfmoordcijfer onder hen zeer hoog ligt). HD


Het hart van de tijd

Niet alleen in China hebben kunstenaars, schrijvers en dichters zich met het taoïsme beziggehouden en zich erdoor laten inspireren: op een gegeven moment waaide de belangstelling ook over naar het Westen. Zelfs in Nederland sloeg het aan. Hieronder volgt een beroemd gedicht van Lucebert uit de jaren vijftig waarin die taoïstische invloed duidelijk zichtbaar is:


De zeer oude zingt

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
noch is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
    als het hart van de tijd

Lao-tze 

Het taoïsme, ook wel geschreven als daoïsme of tauïsme, is een Chinese mystieke, filosofische en religieuze stroming, gebaseerd op de inzichten van Lao-tze/Laozi, een geleerde die volgens de overlevering leefde in de zesde eeuw v.Chr. Aan zijn geest zouden de teksten van de Tao Te Ching/Daodejing ontsproten zijn. Het taoïsme gaat over hoe te handelen in het leven en over de eenwording met de 'Tao'. Tao betekent zoiets als bron/weg, Te kracht/deugd en Ching boek/onderwijzing. De inhoud van de Tao Te Ching - een titel die vertaald zou kunnen worden als Leer van de rechte weg en de rechte gezindheid - is op schrift gesteld in de vierde eeuw v.Chr., dus door navolgers van Lao-tze en niet door hemzelf, mocht hij daadwerkelijk bestaan hebben.*2 Het taoïsme heeft zich parallel aan het confucianisme en boeddhisme ontwikkeld en deze drie stromingen samen vormen de basis voor het latere neo-confucianisme. Uit de wederzijdse beïnvloeding van boeddhisme en taoïsme ontstond Chán, een boeddhistische variant die in Japan bekend staat als Zen.*3



 

Tao Te Ching 


De Tao Te Ching  is een bundel met 81 korte teksten. Lao-tze - letterlijk 'Oude Meester' - wordt beschouwd als de auteur, hoewel het werk waarschijnlijk niet aan één persoon valt toe te schrijven maar een compilatie is van ideeën die gedurende een paar honderd jaar door meerdere personen zijn uitgedacht en doorgegeven. De teksten gaan over meditatie, ethisch handelen en over hoe om te gaan met de wisselvalligheden in het menselijk bestaan. Het zijn richtlijnen voor het verkrijgen van juiste inzichten en innerlijk evenwicht, maar daarnaast vormen ze ook een politieke filosofie die zich richt op vragen omtrent goed leiderschap. 


De Wijze

De beoefening van 'meditatie' vormt het uitgangspunt van de onderwijzingen van Lao-tze en van het Taoïsme in het algemeen. Behalve sociaalpolitieke adviezen bevat de Tao Te Ching ook veel aanwijzingen voor 'de Wijze', zijnde iemand die 'geroepen is tot de waarheid' door middel van meditatie; in feite kan dat dus iedereen zijn. In tekst 47 staat:

Het is niet nodig om het eigen huis te verlaten
om de wereld te leren kennen.
Het is niet nodig om uit het raam te kijken
teneinde de hemelse weg te aanschouwen.

Hoe verder men zich verwijdert,
des te minder kennis men verwerft.

Daarom onderneemt de wijze geen verre reizen,
en toch wéét hij.
Zonder uit het raam te kijken
is hij in staat de dingen te benoemen.
Door niet te doen voltooit hij het onvoltooide.



Filosofie en religie 

Het taoïsme heeft zich in de loop der eeuwen ontwikkeld van een mystieke richting tot een strenge ethisch/politieke filosofie en daarnaast eveneens tot een populaire religie.*4 Volgens het taoïsme bevindt alles zich in een perfecte staat van harmonie, welke echter wel voortdurend in beweging is. Het evenwicht wisselt steeds en niets kan bestaan zonder zijn tegendeel. Wie met de stroom van verandering meegaat kan een volmaakt mens worden. Een ander belangrijk thema is de onsterfelijkheid van de mens, behalve door meditatie werd ook door middel van magie en alchemie gepoogd dit doel te bereiken, net zoals dat in het Europa van de 17e en 18e eeuw het geval was (tegenwoordig houdt de wetenschap zich hiermee bezig). Leven in eenheid met de natuur was het oorspronkelijke ideaal. De klassieke taoïstische geleerde trok zich daartoe terug uit de maatschappij en leefde als een kluizenaar op een afgelegen plek diep in de wildernis of hoog in de bergen.

Kernbegrippen

Tao/Dao (道), wordt vaak simpel vertaald als 'de Weg' en vormt het kernbegrip van het taoïsme. Tao is de bron en het ondeelbare en onbenoembare principe, waaruit alles voortvloeit. Het zou ook omschreven kunnen worden als Stroom/Rivier of God, maar in de eerste regel van de Tao Te Ching staat: "De Tao die onder woorden kan worden gebracht is niet de eeuwige Tao; de naam die kan worden genoemd is niet de eeuwige naam."

Yin en Yang zijn de universele antagonisten, de elkaar aanvullende kwaliteiten van alles wat bestaat. Zo kunnen bijvoorbeeld koud (yin) en warm (yang) niet zonder elkaar bestaan (ze zijn gradaties van elkaar), net zomin als zoet en zuur. Andere voorbeelden van yin en yang zijn water-vuur, maan-zon, aarde-zon, maan-aarde en vrouw-man. Wat opvalt is dat aarde in relatie tot de maan yang is maar in relatie tot de zon yin. Yin en yang zijn dus relatieve begrippen en het is daarom nooit zo dat iets in absolute zin yin of yang is. Wat donker, vochtig, passief, troebel, koud, zacht en vrouwelijk is, wordt beschouwd als overwegend yin en wat licht, droog, actief, helder, warm, hard en mannelijk is, als overwegend yang. 




Wu wei is het 'niet-doen', in de zin van handelen zonder iets af te dwingen.*5 Alles kent z'n eigen tempo van ontwikkeling en groei, door dit te beseffen kan men ontspannen en vol vreugde het doel bereiken. Deze houding vereist wuxin dat te vertalen valt als 'het zonder hart zijn' (de eigen emoties niet bepalend laten zijn) en ook als ‘de lege geest’ (steeds openstaan voor het nieuwe, je niet neurotisch vastklampen aan ideeën of enkel leven vanuit conditioneringen). Er wordt alleen gedaan wat gedaan 'moet' worden, vanuit een diep besef van 'de rechte/juiste weg' (Tao, de natuurlijke gang der dingen). Lao-tze zegt hierover in Tekst 64 (fragment):

Een boom die net past in een omarming
is aanvankelijk slechts een twijgje.
Een toren van negen verdiepingen
begint met een schep grond.
Een reis van duizend mijl
start met het zetten van de eerste stap. 

Zij die handelen zullen falen,
zij die ingrijpen verliezen de greep.
Dus handelt de wijze niet
en faalt daarom ook niet.
Hij grijpt niet in
en verliest dus ook niet de controle.
Op de drempel van succes
slaat vaak mislukking toe.
Wees daarom op het laatste stuk
net zo aandachtig als in het begin,
en voorkom zo
een debacle. 


  Wu wei in actie, Peking 1989.

©Huub Drenth

*1 Zie mijn post over het neo-confucianisme van 12 juli 2019.

[May Khoen en ik moesten niks hebben van het repressieve politieke systeem in China en daarom zat er jarenlang een sticker met de tekst 'Save Tibet' op onze voordeur (ook al beseften we natuurlijk donders goed dat een paar miljoen Tibetanen geen schijn van kans maakten tegen de machtige Chinese agressor). Het bloedige neerslaan van de studentenprotesten op het Tiananmen-plein in Peking in 1989, evenals het interneren en martelen van miljoenen aanhangers van de vreedzame Falun Gong-beweging tien jaar later (iets wat nu ook weer gebeurt met de Oeigoeren), bevestigden en versterkten dat zeer negatieve beeld nog eens. Beiden waren we dan ook een groot bewonderaar van de Chinese kunstenaar en activist Ai Wei Wei die het lange tijd in z'n eentje tegen de communistische autoriteiten durfde op te nemen, totdat er ook voor hem op zeker moment niks anders meer opzat dan in ballingschap te gaan. Had hij dat niet gedaan dan was hem ongetwijfeld hetzelfde lot beschoren geweest als de moedige man op bovenstaande foto, want van hem is nooit meer iets vernomen.]

*2 Mijn eerste exemplaar van de Tao Te Ching kocht ik in oktober 1977 (Tao Teh King, Uitgeverij Ambo 1976).

*3 Zie voor meer informatie over het Chán-boeddhisme mijn post van 13 juli 2019.

*4 Er bestaat ook een in tempels gepraktiseerde vorm van taoïsme, dus een meer 'volkse' (en minder mystieke) variant. Daarbij gaat het niet zozeer om meditatie maar om ceremonies en rituelen, uitgevoerd door zowel priesters als gelovigen.

*5 Men dient wu wei niet te verwarren met 'niets doen', zoals het door Chinese bureaucraten wel vaak wordt geïnterpreteerd als zich plotseling een crisissituatie voordoet. Dit omdat eigenmachtig optreden niet op prijs gesteld wordt in het confucianistische China, aangezien het als kritiek op superieuren of de autoriteiten opgevat kan worden. Zo werd de Chinese oogarts Li Wenliang, die op 30 december 2019 als een van de eersten melding maakte van de uitbraak van de corona-epidemie in Wuhan en daarover op internet aan vrienden zijn bezorgdheid had laten blijken, op 3 januari 2020 door de Chinese overheid beschuldigd van het verspreiden van valse geruchten en vervolgens onder druk gezet om een 'zelfkritiek-
brief' te schrijven. Maatregelen tegen de uitbraak van het virus bleven daardoor achterwege en niet lang daarna was er sprake van een heuse pandemie. Zelf werd Li Wenliang hier ook het slachtoffer van want op 7 februari 2020 overleed hij aan de gevolgen van COVID-19. Hij was op dat moment pas 34.

Bronnen: Wikipedia, bovengenoemde vertaling, boeken, krantenartikelen, documentaires, internet.

Zie ook:

Confucianisme
Neo-confucianisme
Chinees boeddhisme
De Chinese volksreligie