dinsdag 11 augustus 2020

May Khoen's voorouders ~ deel 9

 

In the heat of the night
Er heerst momenteel een hittegolf in onze contreien maar ik heb er niet overdreven veel last van. 's Nachts staan alle ramen en deuren in mijn huis wagenwijd open en overdag blijft alles potdicht. 's Avonds laat stap ik op mijn fiets en maak vervolgens lange tochten in de omgeving van Groningen. Ik beleef dan de vreemdste avonturen. Vannacht stond ik bijvoorbeeld  ineens voor een brug over het Van Starkenborghkanaal die er niet meer bleek te zijn, waarna ik vervolgens via een alternatieve route thuis moest zien te komen want dezelfde weg terugnemen is natuurlijk uitgesloten. Een smartphone bezit ik niet en een kaart had ik evenmin bij me. Via een smal donker pad kwam ik uiteindelijk weer terug in de stad. Ter hoogte van begraafplaats Selwerderhof was dat. In het Noorderplantsoen vormden groepjes studenten cirkels in het gras, want de introductieweken zijn begonnen. Het zag er heel aandoenlijk uit, ook omdat ikzelf ooit zo jong en onschuldig was. Ik kon als het ware weer voelen hoe het toen voelde. Tijdens mijn nachtelijke fietstochten kom ik op veel plekken waar ik vroeger ook wel eens met May Khoen ben geweest. Dat vervult me dan vaak, naast heimwee, met een intens gevoel van dankbaarheid. Omdat het volstrekt vanzelfsprekend was dat we al die kleine ontdekkingsreizen samen ondernamen en omdat we ons daar beiden volledig in konden verliezen.
Op mijn ontdekkingsreis in de stamboom van May Khoen ben ik inmiddels bij de Goei-lijn aanbeland. Een afstammingslijn in de genealogie en familiegeschiedenis van haar vader. Hieronder volgt het reisverslag. HD

 

De Goei-lijn 

Dit is de langste afstammingslijn die ik tot op heden gevonden heb in May Khoen's stamboom (klik op de afbeelding). Hij loopt van Goei Lien Nio, geboren in 1882 en echtgenote van haar overgrootvader Tan Tjiauw Bo, tot aan Goei Poen Kong, en dan zijn we inmiddels in de tweede helft van de achttiende eeuw aanbeland. Het bijzondere van deze lijn is dat ik, tot Goei Lien Nio, over alle geboorte- en sterfdata van de genoemde personen beschik. Goei Poen Kong, bijvoorbeeld, werd geboren op 17 januari 1765 en stierf op 21 december 1806. Zijn vrouw Tjoa Tjiauw Nio kwam ter wereld op 18 juli 1775 en overleed op 2 juni 1800.

Over stamvader Goei Poen Kong is bekend dat hij boedelmeester en Luitenant der Chinezen was in Semarang. Hij wordt ook wel 'mandarijn-koopman' genoemd, hetgeen er op zou kunnen wijzen dat hij mogelijk een klassiek Chinese opvoeding genoten heeft en dus het Chinese schrift in enigerlei mate beheerste. Aannemelijker is echter dat hij zich die titulatuur aanmat omdat hij de rang van luitenant had en op die manier meer indruk kon maken op zijn peranakan-omgeving. Want een mandarijn, de titel voor een zeer hoge functionaris in het Chinese staatsapparaat, was hij vanzelfsprekend niet. Volgens de overlevering zouden zijn voorouders uit de Chinese provincie Shantoeng/Shandong afkomstig zijn (hetgeen waarschijnlijk ook niet zo is, Fukien ligt meer voor de hand). Van de Goei-clan is bekend dat ze een van de oudste peranakan-Chinese families op Java waren en dat ze tot de Cabang Atas behoorden.

 
Goei Lien Nio
 
Van Goei Poen Kongs zoon Goei Ping Yauw is tot op heden alleen maar zijn naam bekend, evenals die van z'n vrouw, maar over zijn kleinzoon Goei King San (1814 - 1866) weten we dat hij koopman te Semarang was en dat hij handelsbetrekkingen onderhield met China en Singapore. Hij handelde onder meer in thee, katoen, zijde en bijenwas (noodzakelijk voor de productie van batik). Dat hij zeer vermogend was blijkt wel uit een bericht van 10 april 1857 in het Semarangsch Advertentie-blad, waarin gemeld wordt dat hij 10.500 zilveren munten naar Singapore heeft verscheept.

Goei Som Han (1839 - 1902), de zoon van Goei King San, was uitbater van een pandhuis te Semarang. Hetgeen inhield dat hij een bank van lening had, oftewel een lommerd. Ook het exploiteren van dit soort 'instellingen' viel onder het pachtstelsel.*1 Daarnaast is hij pachter van andere 'kleine middelen', zo meldt het dagblad De Locomotief van 3 november 1885 bijvoorbeeld dat hij voor f. 9220 per maand het recht verworven heeft om gedurende het jaar 1886, te Solo, belasting te heffen op de slacht van rundvee. Tevens treedt hij geregeld op als borg voor andere pachters, onder meer opiumpachters (het hebben van minstens twee borgen was verplicht bij verpachtingen), dit vanzelfsprekend voor een bepaald percentage van de winst. Waarschijnlijk trad hij zelf ook regelmatig op als opiumpachter.

Goei Som Han komt voor in het beroemde hekeldicht Boekoe sair binatang, ofwel: Gedicht over de dieren, van Boen Sing Hoo (pseudoniem van Tan Tjien Hwa) uit 1889. Hij wordt daarin weergegeven als de dierenfiguur 'Tikoes' (Rat). In het verhaal in dichtvorm wordt het gedrag van de Semarangse peranakan-elite in relatie tot de opiumpacht aan de kaak gesteld, evenals de ondergang van de rijke Ho-familie. Namen worden niet genoemd maar voor insiders is het herkennen van de door dieren weergegeven personen geen groot probleem. In haar artikel 'A Critical View of the Opium Farmers as Reflected in a Syair by Boen Sing Hoo' refereert Claudine Salmon aan Goei Som Han als: "a wealthy merchant, landowner, and entrepreneur in Pandean at Semarang". In het gedicht wordt Som Han's karakter als volgt omschreven: Rat's nose is like a sentry box, His eyes are like black rounded pips, His speech is sweeter than honey, He is able to argue as a lawyer. Ook Oei Tiong Ham en zijn vader Oei Tjie Sien, respectievelijk figurerend als 'de jonge en de oude Os', spelen een zeer prominente rol in dit gedicht.*2  

 

Chinese Kamp te Semarang, eind 19e eeuw.

Inmiddels zijn we aangekomen bij de vader van Goei Lien Nio, Goei Keh Pien (嘉賓, 1860 - 1897). Ook hij was uitbater van een pandhuis op Gang Tengah (en nog vijf andere pandhuizen in Semarang) en figureerde eveneens als borg voor andere pachters. Gedurende de periode 1884 - 1889 vervult hij de functie van Luitenant der Chinezen in Semarang. Dagblad De Locomotief meldt op 7 december 1895 dat bij "de herverpachting der Chinese dobbelspelen" het hoogste bod, f. 3300 per maand, werd gedaan door de Chinees Goei Keh Pien. Uit een ander bericht blijkt dat hij eveneens "pachter is van het recht op het heffen van schut- en doorvaartgelden aan de sluis dienende ter verbinding van het havenkanaal met de rivier van Semarang". Midden augustus 1897 komt hij plotseling te overlijden, ten gevolge van cholera.

Gezien de leeftijd die zijn dochter Goei Lien Nio op dat moment had, vijftien, is ze dan inmiddels al getrouwd met Tan Tjiauw Bo of zal deze gebeurtenis niet lang meer op zich laten wachten. Zij krijgt vijf kinderen met hem: Tan Goen Nio, Tan Hway An (May Khoen's grootvader), Tan Whay Thay, Tan N.N. en Tan Hway Whan. Helaas heb ik geen verdere informatie over haar kunnen vinden, dus waarschijnlijk is ze relatief jong gestorven.*3

Via de Goei-lijn is May Khoen (heel in de verte) verwant aan Goei Bing Nio (1868-1947), de (hoofd)vrouw van suikermagnaat Oei Tiong Ham. Zij was de dochter van Goei Yam Tjiang, een broer van Goei Som Han (dus was ze een nicht van Goei Keh Pien). Dit huwelijk, dat plaatsvond in november 1883, was een gearrangeerd huwelijk en had tot doel om Oei Tiong Ham, die in feite een nouveau riche was, een hechte band met de Cabang Atas, het Javaanse peranakan-Chinese establishment, te bezorgen. De twee dochters die uit deze verbintenis werden geboren, Oei Tjong-lan en Oei Hui-lan (de latere Madame Wellington-Koo), waren achternichten van Goei Lien Nio en gezien de hechte familiebanden in Cabang Atas-kringen is het zeer waarschijnlijk dat ze elkaar in hun jonge jaren regelmatig ontmoet hebben op familiebijeenkomsten (of in de tempel) in de Chinese kamp (wijk) te Semarang.*4

 

In het midden Goei Bing Nio, omstreeks 1894. *5

 

©Huub Drenth

 

*1 Belastingpacht is het systeem waarbij niet de overheid belastingen int, maar een particulier die het recht om belasting te innen voor een bepaalde periode heeft 'gekocht'. Al in de VOC-periode werden veel belastingen verpacht, vooral aan Chinezen. De VOC en later het Gouvernement ontvingen de bij opbod bepaalde pachtsom; als de pachters uiteindelijk meer beurden maakten ze winst, maar het kon dus ook op een verlies uitdraaien. De overheid was op deze manier geen tijd en geld kwijt met het organiseren van de belastinginning. Vooral de 'opiumpacht' was erg lucratief en zorgde in de 19e eeuw jaarlijks voor 10 tot 15 procent van de inkomsten van het Gouvernement. ‘Kleine verpachte middelen’ waren bijvoorbeeld de bazarpacht, de buffel- of slachtpacht en de pandhuispacht. Ook hier ging het echter om aanzienlijke pachtsommen en dat geld moest natuurlijk terugverdiend worden.

Het pachtsysteem leidde tot veel misbruik en tot een ongewenst grote economische macht van (een relatief kleine groep) Chinese ondernemers, met als voornaamste slachtoffer steevast de inheemse bevolking. De antipathie jegens 'Chinezen' ligt dientengevolge ook tegenwoordig nog steeds diep verankerd in het bewustzijn van de etnische Indonesiërs die hun frustraties, in tijden van economische malaise en vanuit een soort automatisme, op het Chinese bevolkingsdeel richten, hetgeen vaak gepaard gaat met moordpartijen en grootschalige brandstichting en plundering. Zie ook mijn post van 13 augustus 2020.

Vanaf 1900 werden de verpachte belastingen gaandeweg omgezet naar directe belastingen. In het geval van opium werd de verkoop echter als staatsmonopolie georganiseerd. Dit systeem van 'opiumregie' - waarbij de koloniale overheid zowel de invoer, productie, verkoop als gebruikslocaties van opium beheerde - bleef bestaan tot de machtsovername door de Japanners in 1942.

Soerabaijasch handelsblad, 10 oktober 1892.

*2 De Semarangse luitenant-titulair Ho Tjiauw Ing, opiumpachter van de residenties Semarang, Djokjakarta, Kedoe, Madioen en Soerakarta (maandelijkse pachtsom in totaal f 357.000), kon in 1889 niet meer aan zijn financiële verplichtingen jegens de koloniale overheid voldoen en sleepte in zijn val zijn drie borgen mee (het tekort bedroeg anderhalf miljoen gulden). Die borgen waren zijn broer Ho Tjauw Soen, de Djokjase kapitein der Chinezen Liem Kie Djwan en May Khoen's voorvader Goei Som Han (hij stond garant voor f. 227.000). Ze lieten zich in 1889 alle vier failliet verklaren. Zoals uit bovenstaande advertentie blijkt werden op 29 oktober 1892, als gevolg hiervan, alle bezittingen van Ho Tjiauw Ing (en zijn broer Ho Tjiauw Soen) in Semarang bij opbod verkocht. Ga voor meer uitleg over deze kwestie naar de voorpagina van de Java-bode van 24 oktober 1889 (te vinden via Delpher).

Klik hier voor inzage in het artikel van Claudine Salmon.
*3 Op 2 mei 1903 meldt De Locomotief dat Goei Ing Khien, een broer van Goei Lien Nio, op 17 mei 1903 gaat trouwen met Tan Kien Tjwan Nio, dochter van Tan Siauw Lip, op dat moment nog Luitenant der Chinezen in Semarang. Tan Siauw Lip wordt in augustus 1909 benoemd tot Majoor der Chinezen in Semarang, een functie die voor hem werd bekleed door Oei Tiong Hams jongere broer Oei Tiong Bhing (1903 - 1909). Hij zal Majoor blijven tot september 1930, dan wordt de Semarangse Kong Koan opgeheven. Ik heb proberen uit te zoeken of Tan Tjiauw Bo, May Khoen's overgrootvader, familie is van deze Tan Siauw Lip maar tot op heden heeft dat niets opgeleverd. Ik vond wel andere verbindingen, in relatie tot May Khoen's familie van moeders zijde, daarover in een latere post meer.
*4 Zie voor meer informatie over de Goei-clan en de banden met Oei Tiong Ham mijn post van 21 januari 2021.

*5 Centraal op de foto: Goei Bing Nio. Rechts: haar echtgenoot Oei Tiong Ham, haar schoonmoeder Tjan Bien Nio (Njonja Oei Tjie Sien) en haar dochter Oei Hui-lan. Links: haar broer Goei Keh Hoo, diens vrouw Oei Bok Nio (een zus van Oei Tiong Ham) en nichtje Liem Djoen Nio, dochter van Oei Khoen Nio (een andere zus van Oei Tiong Ham). Het geheel is een fragment van een grotere foto.

Ter gelegenheid van het huwelijk tussen Goei Bing Nio (15) en Oei Tiong Ham (17) verscheen op 7 november 1883 in de Semarangse krant De Locomotief het volgende (enigszins racistische) bericht:

 

 

Dit was deel 9 van May Khoen's voorouders.

Zie voor deel 8: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/08/may-khoens-voorouders-deel-8.html

Zie voor deel 10: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/09/may-khoens-voorouders-deel-10.html


dinsdag 4 augustus 2020

May Khoen's voorouders ~ deel 8



Oey Tjien To en familie, 1925.

Eerst een korte evaluatie

Toen ik met dit project begon ging ik ervan uit dat ik er ongeveer een jaar mee bezig zou zijn. Ik verwachtte namelijk niet dat ik heel veel historische gegevens over May Khoen's voorouders zou vinden. Intussen heb ik zoveel materiaal ontdekt dat een groot aantal ideeën die ik a priori had, en die je soms ook vooroordelen zou kunnen noemen, in de prullenbak zijn beland. Een van die ideeën was dat May Khoen's voorouders, net zoals andere koloniale bevolkingsgroepen, waarschijnlijk vooral slachtoffers waren geweest van het strenge raciale en economische beleid dat door de kolonisator - eerst de VOC en daarna de Nederlandse Staat - aan de bevolking werd opgelegd. Inmiddels ben ik tot de conclusie gekomen dat daar allesbehalve sprake van is geweest en dat de leden van May Khoen's voorgeslacht, in zo'n beetje alle afstammingslijnen, zich altijd meer aan de kant van de machthebbers en geprivilegieerden, dan aan de kant van degenen die onderdrukt en uitgebuit werden, hebben bevonden. En aan die gedachte moest ik best wel even wennen, eerlijk gezegd.

Na rijp beraad heb ik besloten om daar niet dieper op in te gaan. Nog niet in dit stadium althans. Er zijn de afgelopen decennia bibliotheken volgeschreven over ons koloniale verleden en ik adviseer dan ook iedereen - mocht hij/zij geïnteresseerd zijn in de rol van de Chinese handelselite gedurende die periode van de Nederlands-Indische geschiedenis - om hiernaar zelf enig onderzoek te verrichten.*4


En verder nog...

Een tijdje geleden zag ik een aflevering van de serie Verborgen verleden die over de zangeres Wende Snijders ging (zie mijn post van 1 januari jl.). In de zoektocht naar haar voorouders kwam ze onder andere terecht bij Boudewijn I, de eerste graaf van Vlaanderen, die leefde van 840 tot 879 n.Chr. En via diens vrouw Judith uiteindelijk zelfs bij de Merovingische koningen, en dan zijn we inmiddels aanbeland in de vroege Middeleeuwen. "Wat zou mijn vader dit leuk hebben gevonden," zei ze een paar keer en ik begreep precies wat ze bedoelde. Want het is natuurlijk ontzettend jammer dat ik May Khoen geen deelgenoot kan maken van mijn bevindingen. Ik weet zeker dat ze al deze informatie prachtig had gevonden, helemaal als ze vernomen had dat ze van een soort Chinees-Indische adel afstamde. Van jongs af aan was ze immers al gefascineerd geweest door sprookjes waarin 'eenvoudige meisjes' eigenlijk prinsessen bleken te zijn. De ontdekking dat Oei Hui-lan, de beroemde dochter van Oei Tiong Ham, een (hele) verre nicht van haar was zou haar fantasie dan ook ongetwijfeld hevig geprikkeld hebben.

Helaas heeft het niet zo mogen zijn. May Khoen is er weliswaar niet meer maar het lijkt mij evident dat al deze informatie ook postuum nog aan haar identiteit toegevoegd kan worden. Want hoe dan ook: het hoort bij haar. Dus ga ik gewoon verder met het weergeven van wat ik zoal te weten gekomen ben over haar 'verborgen verleden', ook al ben ik een buitenstaander. Qua bloedverwantschap, bedoel ik dan vanzelfsprekend.
Huub Drenth

***



Krengseng

We zijn inmiddels aangekomen bij de jaren twintig van de vorige eeuw. May Khoen's grootvader Willy Oey trouwt met haar oma Nel Ko Kiong Nio en de toekomst ziet er stralend uit. Willy is de zoon van Oey Tjien To en de beoogde opvolger van zijn vader, want afgezien van zijn zus Corry zijn er verder geen kinderen geboren in het huwelijk van Oey Tjien To en Liem Ko Nio. Oey Tjien To is rijk, dus financiële zorgen zullen ze niet kennen. 'Landheer van Krengseng' schrijft Willy alvast op de achterkant van een foto waarop hijzelf, in een zeer ijdele pose, staat afgebeeld. Maar zover zal het niet komen want in december 1928 pleegt hij zelfmoord (zie mijn post van 16 september 2019, HD).

Op dit YouTube-filmpje van eigen hand (mijn allereerste, by the way) is te zien hoe Krengseng er tegenwoordig uitziet. Waarschijnlijk is er de afgelopen honderd jaar in het landschap maar weinig veranderd: sawahs, sawahs en nog eens sawahs. De sneltrein naar Semarang rijdt de streek binnen, komende van Cirebon. De muziek eronder is 'Sunda pop', een genre dat Khoen en ik in 1995 ontdekten toen we in West-Java waren.*1

 


Als ik het over Krengseng heb bedoel ik in feite de erfpachtlanden Gebang Anom I, II en III in de residentie Pekalongan, afdeling Batang. Dezelfde landen als die waaraan ik refereer in mijn post van 13 juni jl. over het leven van Oeij Tiang Lam. De onderneming die deze landen expoiteert, de N.V. Cultuur- en Handelmaatschappij Kim Siang, evenals de fabriek die de rijst verwerkt, de Maatschappij Stoomrijstpellerij Krengseng, zijn in het bezit van Oey Tjien To maar dat geldt dus niet voor de bewerkte grond (die meer dan 1100 ha. beslaat). Zoals ik eerder al meldde publiceerde Oey Tjien To in 1910 een artikel in het Tijdschrift voor het Binnenlands Bestuur dat als titel Nota over eenige bijzonderheden van den rijstbouw had. De aanhef van dat artikel luidt:

"Op vereerend verzoek van den heer G. L. Gonggrijp, Resident van Rembang, geeft ondergeteekende Oey Tjien To, erfpachter van het land Krengseng, omvattende de rijstlanden Gebang Anom I, II en III, in het ondervolgende een kort overzicht der door hem betreffende den rijstbouw opgedane ondervindingen. In 1901 op bovengenoemde rijstlanden geplaatst, zonder tevoren eenige kennis te hebben opgedaan van den padiaanplant, was ondergeteekende al dadelijk aangewezen op de daar door den Inlander steeds gevolgde werkwijze."

In het artikel wordt duidelijk dat Oey Tjien To zich sinds 1901 (hij was toen nota bene pas 16) ontwikkeld heeft tot een expert op het gebied van rijstveredeling. Hij was iemand die het wetenschappelijk experiment niet schuwde en die, door de landbouwkennis van de Javaan te combineren met een aantal nieuwe inzichten, de rijstproductie op zijn landen wist te verhogen met meer dan vijftig procent. Dat deed hij onder meer door het verbeteren van de irrigatie, het planten van padi uit hoger gelegen gebieden, een gerichtere selectie van zaaigoed en een intelligente aanpak van onkruid wieden. Iedereen werd daar beter van, niet alleen hijzelf maar, naar eigen zeggen, ook de inlandse families die voor hem werkten.


Oey Tjien To (r) in zijn nieuwe rijstpellerij, 1938.


Het lijkt erop dat Oey Tjien To in zijn latere leven teruggrijpt op juist die periode. Nadat zijn zoon in 1928 zelfmoord heeft gepleegd begint Krengseng opnieuw een centrale positie in zijn leven in te nemen. Hij bezit veel land en onroerend goed, en zelfs een bouwbedrijf, maar kennelijk gaat z'n hart nog steeds uit naar de rijstproductie. Hij laat de wegen op Krengseng verbreden en verharden zodat het gebied ook voor auto's toegankelijk wordt en waardoor hijzelf, bijgevolg, de sawahs voortaan niet meer te paard hoeft te inspecteren. Daarnaast richt hij z'n aandacht op het verspreiden van zijn kennis aangaande de paditeelt en het innoveren van zijn (inmiddels) twee rijstpellerijen. Zowel in kranten als vakbladen wordt er aan zijn technische verbeteringen aandacht besteed en wordt hij geroemd om de kwaliteit van de rijst die hij op de markt brengt.*2


De Indische Courant, 6 mei 1938.

Envoy

Nog een andere belangrijke verandering doet zich voor in zijn leven: hij sluit zich in de jaren dertig aan bij het Leger des Heils. Hij wordt 'Envoy', dat wil zeggen 'onbezoldigd officier' in die organisatie, en maakt van zijn voormalige woonhuis in Krengseng een centrale ontmoetingsplaats. Er vinden zelfs landdagen plaats voor heel Midden-Java. Hij is regelmatig voorganger bij diensten en houdt preken. Ook de aanschaf van de blaasinstrumenten voor de muziekkapel wordt door hem bekostigd. In januari 1937 ontvangt hij de dochter van oprichter William Booth, generaal Evangeline Booth, in zijn huis aan de Gadjamoengkoerweg nr. 22 (nu Jl. Gajah Mungkur), in de wijk Nieuw Tjandi te Semarang, een belangrijk gebeuren waar ook de resident van Semarang acte de présence geeft (en waar ongetwijfeld ook May Khoen's moeder bij aanwezig was). Op de, door enkele duizenden mensen bezochte, landdag in Krengseng is 'opperbevelhebber' Booth een paar dagen later eveneens aanwezig en bedankt ze hem in haar toespraak uitvoerig voor de hartelijke ontvangst die hij haar bereid heeft.


Oey Tjien To op latere leeftijd.

De jaren veertig

Hoe Oey Tjien To de oorlog is doorgekomen is mij niet bekend. Het zou kunnen dat hij door de Japanse bezetter, vanwege zijn Westerse sympathieën en invloedrijke positie, als een gevaar werd beschouwd en daarom geïnterneerd is geweest. Maar waarschijnlijk zou die informatie dan op de een of andere manier ook Nederland wel bereikt hebben. Daar komt nog bij dat hij een producent van rijst was, een belangrijk bestanddeel in de voeding van de Japanse troepen. Op 16 december 1947 wordt in dagblad De Locomotief zijn overlijden gemeld, hij is dan 62 jaar.*3 Net zoals veel van zijn mannelijke voorouders had hij de rang van officier bereikt, in zijn geval bij het Leger des Heils, maar in de rouwadvertentie wordt daar niets over gezegd. Afgaand op zijn zeer drastische 'bekering' (de andere familieleden waren rooms-katholiek of gingen naar de Chinese tempel) lijkt vooral het inlossen van schuld - verhuld door veel klaroengeschal - het hoofdthema van de laatste episode van zijn leven te zijn geweest. Al valt het natuurlijk ook niet uit te sluiten dat het hem er vooral om ging om, als relatieve buitenstaander, een prominente positie in een internationale religieuze organistie te bekleden.



 ©Huub Drenth


*1 Ani & Silva - Jalan ka Jampang

*2 In 1943 verschijnt in de Official Gazette of the United States Patent Office, Volume 546, het volgende bericht: A.P.C. 306.443. Cooking-utensil. Tjien To Oey-Semarang. Java, Netherlands Indies. Published April 27, 1943. Waarschijnlijk betreft het hier een apparaat dat hij ontwikkeld heeft toen hij zijn tweede stoomrijstpellerij in bedrijf nam. In augustus 1940 had hij in Italië ook al octrooi gekregen op deze uitvinding.
*3 NB In het webinar dat op 29 mei 2021 door de stichting Chinese Indonesian Heritage Center werd georganiseerd (onder de titel CHINEZEN TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG IN INDONESIË EN IN NEDERLAND) wist prof. Henk Schulte Nordholt te melden dat de Chinezen op Java (en ook elders in de archipel) na de oorlog te maken kregen met veel agressie en dat dit met name voor de eigenaren van 'rijstmolens' (rijstpellerijen) gold. Dit omdat zij gedurende de bezetting door de Japanners verantwoordelijk waren gemaakt voor de inname van 70 procent van de rijstoogsten ten bate van het Japanse leger. Alleen al op Java stierven hierdoor zo'n 2,5 miljoen mensen de hongerdood. Ongeveer 10.000 Chinezen werden na de oorlog door wraakbeluste Indonesiërs om het leven gebracht. Aangezien Oey Tjien To de eigenaar van minstens twee rijstpellerijen was is het heel wel mogelijk dat ook hij tot de dodelijke slachtoffers van dit geweld behoorde (zijn rijstpellerijen bevonden zich in door rebellen gecontroleerd gebied) en dat er daarna, om redenen van schaamte, door de familie over werd gezwegen. Onderzoek ter plaatse zou hierover eventueel meer duidelijkheid kunnen verschaffen. HD

*4 In oktober 2022 verscheen, van de hand van Dr. Patricia Tjiook-Liem, de monografie Chinezen uit Indonesië, De geschiedenis van een minderheid (Walburg Pers, Zutphen). Ik kan dit standaardwerk over de geschiedenis van de Peranakan-gemeenschap in Nederlands-Indië en Indonesië (Java met name) van harte aanbevelen aan eenieder die meer dan oppervlakkig geïnteresseerd is in dit onderwerp .   

Dit was deel 8 van May Khoen's voorouders.
Zie voor deel 7: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/06/may-khoens-voorouders-deel-7_13.html

Zie voor deel 9: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/08/may-khoens-voorouders-deel-9.html

  

dinsdag 21 juli 2020

©Huub Drenth






Terug naar 1977

Ik kwam May Khoen voor het eerst tegen begin februari 1977. Dat was in Baboon, de sociëteit (zeg maar 'nachtkroeg') van de kunstacademie in de Groningse Poelestraat. We vonden elkaar erg leuk, al vanaf de eerste seconde, maar we kregen niet direct iets met elkaar. Niet iets heel duidelijks in ieder geval, want Khoen had een soort van vage relatie met een studiegenoot en ik woonde al een tijdje samen. Onze ontmoeting vormde wel de inspiratie voor bovenstaand 'kunstwerk' dat ik in diezelfde periode vervaardigde. Een potloodtekening, die ik al eerder had gemaakt, ging ik te lijf met een kopieerapparaat, olieverf en terpentijn en deze collage was het resultaat. Grijstinten werden door de procedure ineens gradaties van zwart, hetgeen zich vooral heel sterk in het schaamhaar manifesteerde.

De foto hieronder dateert van ongeveer zes weken later. Hij is gemaakt tijdens een etentje, bij
vrienden aan de Noorderhaven, waarvoor Khoen ook was uitgenodigd. Het meisje links is mijn toenmalige vriendin Jannie S., met wie ik een sjieke etage in de Werfstraat bewoonde. Alles leek die avond nog pais en vree, Khoen zit heel gezusterlijk tussen ons in. Een half jaar later zag de wereld er totaal anders uit: Khoen lag toen al vier maanden in het ziekenhuis en Jannie S. had me inmiddels verlaten voor iemand die ze nog kende van het lyceum in Hoogeveen. Vanwege May Khoen, beweerde ze.*1

 


Het kunstwerk heb ik een paar jaar later cadeau gegeven aan Pim Fortuyn, met wie ik bevriend raakte in de tijd dat we beiden in het bestuur van de subfaculteit sociaal-culturele wetenschappen zaten.
*2 Hij liet het inlijsten bij een galerie in de Zwanestraat. Toen zijn boedel in 2009 in Nijmegen werd geveild heeft het € 226,80 (exclusief 26 procent veilinggeld) opgebracht. Helemaal niet slecht voor een amateur, vind ik nog steeds, al is dat bedrag natuurlijk wel enigszins abnormaal voor een veiling.*3


©Huub Drenth



*1 Niet lang daarvoor was ik toevallig te weten gekomen dat haar hele familie, zowel van vaders- als van moederskant (inclusief de aangetrouwden), alles bij elkaar zo'n 30 personen, in de oorlog 'fout' was geweest. Dat genereerde nogal wat spanning, met name het feit dat ze het al die jaren verheimelijkt had. Zelf ben ik geneigd om het vooral daaraan te wijten, al moest ik dat toen natuurlijk voor me houden, teneinde de focus niet op haar ouders te richten. Die haden me immers nooit een haar gekrenkt. Mogelijk kom ik in een volgende post wat uitgebreider terug op deze netelige kwestie.

*2 Voor alle duidelijkheid: Pim was in die tijd nog gewoon lid van de PvdA.

*3 Ik heb het uitgerekend: € 226,80 is exact fl. 500,-. Dus waarschijnlijk was dit de verzekeringswaarde die, al voor de introductie van de euro, op dat bedrag was bepaald. Bij nader inzien zou het daarom heel goed kunnen dat dit niet het uiteindelijke verkoopbedrag is geweest.

Vandaag was het toevallig May Khoen's geboortedag. Zie daarom ook mijn post van 21 juli 2019.

maandag 22 juni 2020

Zomer ~ Martinus Nijhoff





De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. 
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.


De brug

Vandaag precies vier jaar geleden is May Khoen gestorven. Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat ze er helemaal niet meer is. Zolang ze herinnerd wordt bestaat ze, zo simpel is het. Dit is de periode van midzomer, de tijd dat de dagen het langst duren en de nachten het kortst. Er is veel licht en warmte, alleen dat al maakt dat je aan haar moet denken.

In het beroemde sonnet De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff (uit 1934) komt alles samen: deze en gene zijde, plus de brug die beide zijden verbindt. Een schip vaart eronderdoor terwijl een vrouw bij het roer psalmen zingt. Haar stem doet heden en verleden met elkaar versmelten. Voor enkele seconden...



De Kamper IJsselbrug met aan de overkant het station, jaren zestig.

De rivier

Ik ken die brug. Een soort vage afspiegeling ervan, althans. Ik heb mijn jeugd doorgebracht in Kampen en daar had je, over de IJssel, de 'Lange brug'. In Kampen stond de kerk maar aan de overkant, in IJsselmuiden, lag het kerkhof. Daar werd iedereen begraven en dat gold voor alle gezindten, inclusief de atheïsten.*1 Vrijwel elke doordeweekse dag kon je op de IJsselkade wel een rouwstoet zien rijden, stapvoets meestal en begeleid door doodbidders, die wij 'kraaien' noemden. Eenmaal bij de brug aangekomen werd al het verkeer stilgelegd - vanaf beide zijden, meen ik me te herinneren. Als er dus werd gezegd dat iemand 'de brug was overgegaan' werd daarmee bedoeld dat die persoon gestorven was en inmiddels ook begraven. "Ik hoef nog lang niet de brug over," zei mijn vader daarom vaak; en daar bleef hij bij, zelfs toen hij de honderd naderde.

Behalve het kerkhof lag aan de overzijde van de IJssel ook het openluchtbad Seveningen. En niet te vergeten: het NS-station van het lijntje naar Zwolle, waar ik op de HBS zat. Om daar te komen moest je dus ook eerst over die brug
, op de fiets of lopend. In mijn jonge jaren heb ik vaak aan de reling gestaan om naar de rijnaken onder me te kijken. Want als ze zwaar beladen waren hoefde het hefdeel niet voor ze op. Het water stroomde soms over de gangboorden, zo diep lagen ze dan. Ik weet nog dat ik ook wel eens, heel stoer, een vrouw achter het stuurwiel heb zien staan en dat ik me daar toen zeer over verwonderde.

Een psalm waar de zinsnede 'Prijs God, Zijn hand zal u bewaren' in voorkomt bestaat niet, maar dit terzijde. De moeder van de dichter was heilsoldate en in die paar woorden heeft hij haar hele evangelie samengevat. Zij vaart richting de eindbestemming, de hand vast aan het roer, haar gemoed vol overgave en vertrouwen. Het beeld dat het gedicht bij mij oproept is niet zozeer dat van mijn moeder, die erg gelovig was en graag het Ave Maria zong, maar vooral dat van May Khoen. Op het moment dat ze, heel vastberaden, aan de finale oversteek begon.


©Huub Drenth

 

May Khoen, zomer 1985.


Het gedicht De moeder de vrouw werd begin september 2018 voorge-lezen door Arianne ter Beek in de kerk van de Hervormde Gemeente te Bunschoten. Het schip in het filmpje is de Oude Jan uit Hasselt, op het Eemskanaal bij Groningen. Dit is de laatste aflevering in de cyclus 'De vier jaargetijden', die ik vorig najaar opende met het gedicht Herfstdag van Rainer Maria Rilke. De herfst was May Khoen's favoriete seizoen, voor mijzelf is dat de zomer.

*1 Het kerkhof lag/ligt in IJsselmuiden op een oude alluviale zandrug, dus in hoger gelegen gebied. In het verleden, toen de Zuiderzee nog bestond, kwamen er soms overstromingen voor in Kampen en omgeving maar op die plek bleef het altijd droog.

Zie ook mijn post van 24 juni 2019: Een grafsteen over onze zuster



zaterdag 13 juni 2020

May Khoen's voorouders ~ deel 7



Chinese jonken op de rede van Singapore, begin 19e eeuw.

Mijn naspeuringen naar May Khoen's familiegeschiedenis verlopen in de regel behoorlijk moeizaam. Dit heeft vooral te maken met het feit dat ik geen toegang heb tot archieven waar geboortes, overlijdens en huwelijken op een overzichtelijke manier zijn vastgelegd. Die archieven bestaan trouwens ook niet maar op het internet valt gelukkig zo af en toe toch wel wat te ontdekken. Ook het gegeven dat veel namen nogal op elkaar lijken maakt het bepaald niet simpeler, om maar te zwijgen over de verschillende schrijfwijzen van een en dezelfde naam. Ook levert de duiding van het gevonden materiaal vaak problemen op, omdat de gegevens afkomstig zijn uit een ander tijdsgewricht en een andere culturele setting. Toch ben ik inmiddels best wel ver gekomen. In het begin wist ik bijna niks en nu weet ik iets meer. Ook neemt daardoor het besef toe van wat er allemaal nog meer te weten valt. Waarna zich automatisch de vraag aandient of ik dat nog ga uitzoeken of niet. Vaak zeg ik tegenwoordig dan nee, omdat ik ondertussen geleerd heb dat de kans groot is dat mijn speurwerk niks op gaat leveren, of dat ik in het, vaak schemerige, labyrint van de koloniale geschiedenis terechtkom. HD


Peranakan 'adel'

Bij Oey Tjien To, May Khoen's overgrootvader van moederskant, heb ik het zoeken echter niet opgegeven en dat is een goede beslissing geweest want uiteindelijk is het me toch gelukt om zijn voorouderlijke lijnen bloot te leggen (klik op de afbeelding hieronder). En wat blijkt: Oey Tjien To behoorde tot wat de Cabang Atas (Tjabang Atas, letterlijk: hoogste tak) genoemd werd, oftewel het peranakan-patriciaat, een gesloten en geprivilegieerde Chinese klasse waarvan de levensstijl door veel bestuurlijke macht (binnen de eigen etnische groep) en grote materiële rijkdom gekenmerkt werd. Hetgeen impliceert dat ook zijn vrouw Liem Ko Nio uit deze sociale laag afkomstig was, aangezien uithuwelijking binnen dezelfde kaste nu eenmaal de norm was. De leden van deze elite verkregen, indien ze door het gouvernement ingestelde bestuurlijke functies uitoefenden, de rang van Luitenant, Kapitein en Majoor der Chinezen (ook al was er geen sprake van een leger). Het waren rangen die ook titulair toegekend konden worden, als een soort hoge onderscheiding. Al hun (mannelijke) nazaten bezaten het erfelijke recht om de titel 'Sia' achter hun eigennaam te zetten, waardoor iedereen meteen wist tot welke stand ze behoorden.*1 Veel van hun bezittingen, rechten en privileges hadden ze zich vaak al in de 18e (en soms zelfs 17e) eeuw verworven, dus we kunnen er zonder meer van uitgaan dat de geschiedenis van hun aanwezigheid in de Indische gewesten in sterke mate gekoppeld is aan die van de VOC.

 


Luitenant Oeij Tiang Lam

In mijn post van 7 mei jl. schreef ik dat het Bataviaasch Nieuwsblad van 15 juli 1902 meldt dat de dag erna het stoomschip Van Diemen uit Batavia zal vertrekken met aan boord Oei Tjin To en echtgenote, en eveneens een persoon die Oei Tian Lam heet. Ik zat me toen af te vragen of dat wellicht de naam van zijn vader was, aangezien het stel nog erg jong was. Welnu, dat blijkt inderdaad het geval te zijn.

Oeij Tiang Lam (± 1846 - 1902) is de zoon van Oeij Ing Soan/Oeij Eng Swan, tot 1876 Kapitein der Chinezen in Pekalongan (daarna mag hij, vanwege bewezen diensten, de titel Kapitein-titulair voeren). Ook
Oeij Tiang Lams broer Oeij Tiang Goan is Kapitein der Chinezen in Pekalongan (van 1876 tot 1888). Van deze Oeij Tiang Goan weten we dat hij onder andere in hout handelde en over opslagplaatsen beschikte in de haven van Batavia en eveneens in Sendang, een dorpje in het regentschap Kendal (niet ver van Krengseng, zie onder). Hij was tevens erfpachter van grote arealen landbouwgrond in de residentie Pekalongan. Oeij Tiang Goan overlijdt eind 1888 en wordt op 13 maart 1889 opgevolgd door zijn jongere broer, Oeij Tiang Hoa, die op die datum (van Luitenant) tot Kapitein der Chinezen bevorderd wordt. Hun broer Oeij Tiang Lam, May Khoen's betovergrootvader, had zelf de titulaire rang van Luitenant der Chinezen. Waarschijnlijk was hij de jongste van de drie.

 

Brief aan Kapitein Oeij Eng Swan/Oeij Ing Soan, oktober 1873.


We kunnen op basis van het voorgaande gevoeglijk aannemen dat Oeij Tiang Lam geboren is in de stad Pekalongan, en er ook zijn jeugd heeft doorgebracht. Hij is daar echter niet blijven wonen want op een gegeven moment verhuist hij naar Batavia, hetgeen waarschijnlijk te maken heeft met bepaalde 'politieke' ontwikkelingen binnen de Bataviase Chinese gemeenschap.

Omstreeks 1862 trouwt Oeij Tiang Lam met Tan Soe Nio (geboren ± 1845), dochter van Tan Tjoen Tiat (陳濬哲, 1816 - 1880), Kapitein der Chinezen in Batavia, en diens gade Liem Bian Nio.*2 In 1865 wordt schoonvader Tan Tjoen Tiat door het gouvernement tot Majoor der Chinezen benoemd. Daardoor komt hij aan het hoofd te staan van de Bataviase Kong Koang, de Chinese Raad, en bekleedt hij in feite de allerhoogste bestuurlijke functie die een Chinees kan bereiken in de kolonie.*8 Dat klinkt veel mooier dan het is want al snel krijgt hij binnen dat orgaan met veel tegenwerking en gekonkel te maken.


Majoor Tan Tjoen Tiat.

Bataviase avonturen

Vermoedelijk is Oeij Tiang Lam, na zijn huwelijk, in Pekalongan blijven wonen en verliet zijn bruid Tan Soe Nio het ouderlijk huis in Batavia om zich bij hem te voegen. Dat was namelijk de gewoonte bij peranakan-echtverbintenissen. Na 1865, toen zijn schoonvader Majoor der Chinezen in Batavia was geworden, kwamen de kaarten echter anders te liggen. Omdat de benoeming van Tan Tjoen Tiat, door het gouvernement, niet was verlopen conform het advies van de Chinese Raad - die doorgaans in Batavia bestond uit één majoor, twee of drie kapiteins en een aantal luitenants - kreeg hij te maken met interne tegenstand binnen dat instituut, waarna hij zijn positie probeerde te versterken. Het is daarom heel goed mogelijk dat hij zijn schoonzoon heeft gevraagd zich in Batavia te vestigen met het oogmerk hem in de officiersrangen te laten opnemen, waardoor hij automatisch lid van de Kong Koan zou worden. Zowel in 1872 als in 1878 deed hij daartoe een voordracht maar beide keren werd zijn verzoek afgewezen.*3 Oeij Tiang Lam werd dus geen lid van de Chinese Raad maar kreeg in 1882, zijn schoonvader is dan inmiddels overleden, wel het recht om zich Luitenant-titulair der Chinezen te mogen noemen, dit vanwege bewezen diensten.




Twee Chinese dames en vier kinderen

In 1893 keert Oeij Tiang Lam weer terug naar de residentie Pekalongan. Op 15 augustus 1893 meldt het Bataviaasch Nieuwsblad dat de volgende dag per s.s. Speelman naar Pekalongan zal vertrekken: 'de Luitenant der Chinezen Oeij Tiang Lam met twee Chinese dames en vier kinderen'. Bovenstaande advertentie staat een maand later in dezelfde krant. Hij verkoopt z'n hele hebben en houden, inclusief pianino (piano), orgel, ledikanten, brandkast, palankijn (draagstoel voor vrouwen/meisjes), tentwagen (rijtuig met baldakijn) en Coupé Clarence (koets). Waarom hij precies vertrekt is onbekend maar gezien de weelde waarin hij overduidelijk leefde kunnen we er gerust van uitgaan dat hij ergens anders niet in een leeg klein huisje terechtgekomen is. Ook mogen we inmiddels concluderen dat zijn zoon Oey Tjien To, May Khoen's overgrootvader, in 1885 in Batavia geboren is, aangezien Oeij Tiang Lam daar minstens vanaf 1870 gewoond heeft.*4


Vendutie in Batavia, door J.C. Rappard.

Op de site MyHeritage valt informatie te vinden over de kinderen van Oeij Tiang Lam en Tan Soe Nio: Oey Tjin San (1863), Oey Yan Hie (1867, dochter) en Oey Tjin Whee (1870). Mij zijn echter ook nog bekend: Oey Tjin Ho (1871) en Oey Tji(e)n To (1885). De laatste is May Khoen's overgrootvader. In Indië bestond geen burgerlijke stand zoals in Nederland, er zouden dus nog meer nakomelingen kunnen zijn (zoals ook het krantenbericht uit 1893 suggereert). Dat zou dan mogelijk ook de verklaring vormen voor het grote leeftijdsverschil tussen Oey Tjien To en de andere kinderen (als zijn geboortejaar juist is, tenminste).

Er zou echter ook iets anders aan de hand kunnen zijn, en dan doel ik op polygynie. Tot ongeveer 1900 was het volstrekt normaal dat een rijke Chinees meerdere 'wettige echtgenotes' had, een hoofdvrouw en een aantal bijvrouwen, en soms ook nog een serie concubines. En bijgevolg heel veel kinderen. Waarschijnlijk speelt dat ook hier een rol, dus wellicht had Oey Tjien To een andere moeder.

Het speelde in ieder geval een rol in het leven van de dochter van Oeij Tiang Lam (en zus van Oey Tjien To), Oey Yan Hie, die getrouwd was met Khouw Kim Po (1863 – 1908), Kapitein der Chinezen in Batavia. Bij vier vrouwen verwekte hij in totaal veertien kinderen. Khouw Kim Po was de oudere broer van Khouw Kim An (許金安), die van 1910 tot 1945 (de laatste) Majoor der Chinezen in Batavia was.*5 En deze was weer een zoon van de negende concubine van zijn vader Khouw Tjeng Tjoan. De Khouw-clan werd, in de tweede helft van de negentiende eeuw, beschouwd als een van de machtigste en rijkste Cabang Atas-dynastieën op Java en dat kon mede afgeleid worden uit het grote aantal nazaten van stamvader Khouw Tjoen, die omstreeks 1770 de oversteek uit Fukien had gemaakt. Via het huwelijk van zijn zus was May Khoen's overgrootvader Oey Tjien To dus gerelateerd aan deze dynastie, de familie Khouw van Tamboen genaamd, die een aantal grote landerijen rond Batavia bezat (onder andere het particuliere land Molenvliet).


Majoor Khouw Kim An.

Oey Tjin Ho

Hoe de levens zijn verlopen van de eerste vier kinderen van May Khoen's betovergrootvader Oeij Tiang Lam heb ik niet kunnen achterhalen. Ik veronderstel dat ze allemaal in Batavia zijn achtergebleven toen hij in 1893 met z'n gezin naar de residentie Pekalongan vertrok, omdat ze toen ongetwijfeld inmiddels getrouwd waren en kinderen hadden. Van Oey Tjin Ho (1871 - 1946), de jongste van de vier, vond ik nog wel wat sporen.*9 Op 15 maart 1906 reist hij met s.s. Koningin Wilhelmina naar Singapore, samen met twee broers van zijn zwager Kapitein Khouw Kim Po, te weten Khouw Kim Siong en Khouw Kim An, alsmede Tan Tjoen Hong, gewezen Luitenant der Chinezen te Buitenzorg.*5 Op 29 maart 1906 keert het gezelschap met s.s. van Swoll weer terug in Batavia.

Jaren later, op 28 september 1918, is er een vendutie in zijn huis op Molenvliet-Oost te Batavia (in Tanki, nabij de Chinese wijk Glodok). Mogelijk maakt het deel uit van het perceel waar zijn overleden zwager Khouw Kim Po woonde (op Molenvliet). Dat grondstuk, met bebouwing, is een paar maanden eerder, na jarenlang gesoebat, voor 150.000 gulden aan de gemeente Batavia verkocht om infrastructurele redenen. Het ligt dus voor de hand dat Oey Tjien To, die zich op basis van zijn afkomst Tjien To Sia mocht laten noemen, hier gewoond heeft toen hij de Koning Willem III-HBS in Batavia bezocht.


Molenvliet, Batavia jaren twintig.

Gebang Anom en Piet

Op 13 april 1895 meldt dagblad De Locomotief: "Aan den Chinees Oey Ting Lam, erfpachter der percelen Gebang Anom I, II en III, gelegen in het district Keboemen, afdeeling Batam, residentie Pekalongan, is tot wederopzeggens vergunning verleend om voor de rijstcultuur op het perceel Gebang Anom III gebruik te maken van het water uit de langs en over dat perceel stroomende leidingen." In een artikel in diezelfde krant van tien jaar eerder, 26 oktober 1885, dat handelt over de erfpachtpercelen in de residentie Pekalongan, wordt melding gemaakt van het feit dat het land Gebang Anom (Krengseng), waar padi verbouwd wordt, ook reeds in handen is gevallen van Chinezen, die kennelijk de Europese planters in Pekalongan aan het verdringen zijn. Het zou dus kunnen dat Oeij Tiang Lam in 1895 al minstens tien jaar de (erf)pachter is van die percelen en dat Cornelis Pechler, lid van een bekende Indo-Europese familie in de residentie Pekalongan, de onderneming al die tijd voor hem heeft geadministreerd, aangezien Oeij Tiang Lam tot 1893 in Batavia woonde.
*6

Hierna wordt het stil rond Oeij Tiang Lam. Hij overlijdt in de nacht van 24 op 25 mei 1902 te Pekalongan en daarvan doen zijn zonen Oeij Tjin Ho en Oeij Tjin To kond aan de wereld in De Locomotief en het Bataviaasch Nieuwsblad.
*7 Ook in de Haagsche Courant van 3 juli 1902 wordt zijn overlijden gemeld. Over de andere leden van de familie Oey komen we niets te weten in de rouwadvertentie en dat is eigenlijk best jammer. Waar we wel achter komen is dat Oey Tjien To zich in zijn jonge jaren Piet liet noemen, een naam die je totaal niet bij hem had verwacht.


©Huub Drenth



Bataviaasch Nieuwsblad, 29 mei 1902.


*1 https://en.wikipedia.org/wiki/Sia_(title)

*2 Zie voor een levensbeschrijving van Tan Tjoen Tiat: https://en.wikipedia.org/wiki/Tan_Tjoen_Tiat

*3 Monique Erkelens, Leiden 2013, The decline of the Chinese Council of Batavia (pag. 158/159): "In the late nineteenth century the close connection between certain elite families and the position of Chinese officer encountered increasing resistance from within colonial government circles. Although there was still a preference for candidates from respectable and well-off families, the appointment of candidates who were closely related to officers still in office was regarded as questionable. In 1872 the governor-general raised his objection to the residents nomination of Oeij Tiang Lam to the post of lieutenant, as he was the son-in-law of Major Tan Tjoen Tiat. The governor-general argued that eene familie regering onder alle hemelstreken de slechtste is (in every country, a family government is the worst possible scenario) and he accused the resident of giving in to the majors persistent pleas to appoint his son-in-law. It appears that the Chinese major had repeatedly pleaded with the resident that if none of his family members were appointed he would be laughed at and unable to exercise influence in his community. This kind of nepotism was a common feature in the appointment of Chinese officers and it was a way to consolidate and maintain power within family circles and it was exactly this practice that the colonial government now strongly disapproved. The nomination was cancelled. In 1878 Oeij Tiang Lam was nominated for the post of lieutenant once again, only to be met with objections from the advisor for Chinese affairs, who claimed that the Chinese Council in its present composition already seemed to be an association of family and friends. At his urging, Oeij Tiang Lam was rejected again."

NB  De titel/functie van Majoor was in 1837 speciaal in het leven geroepen voor de drie Kong Koangs op Java (respectievelijk gevestigd te Batavia, Soerabaja en Semarang), later kon hij ook uit eerbetoon toegekend worden (aan iemand die reeds de rang van Kapitein had).

*4 Van de aanwezigheid van Oeij Tiang Lam in Batavia rond die tijd vinden we bewijzen in de berichtgevingen van de Java-Bode. Op 3 juni 1870 meldt de krant dat hij, vanuit Batavia, voor f. 20.000 aan specie naar Singapore uitgevoerd heeft. Op 4 oktober 1871 verzendt hij een zeer grote lading goederen naar Pekalongan. 

*5 Zie voor een levensbeschrijving van Khouw Kim An: https://en.wikipedia.org/wiki/Khouw_Kim_An

*6 Erfpacht voor land toebehorend aan het gouvernement gold voor een periode van 75 jaar, voor gewone pacht was dat 20 jaar.

*7 Dit impliceert dat iemand anders, onder zijn naam, op 16 juli 1902 in Batavia aan boord ging van s.s. Van Diemen, mogelijk zijn zoon Oeij Tjin Ho.


Ingang wooncomplex Kapitein Khouw Yauw Kie, Molenvliet ± 1872.


*8 Voor een beter begrip van de functie van de Kong Koan binnen de Chinese gemeenschap van Batavia, en van de werkzaamheden van haar officieren, juist in dat tijdsgewricht, verwijs ik graag naar de dissertatie van Cheng Menghong, Leiden 2009: De Chinese gemeenschap van Batavia, 1843-1865 : een onderzoek naar het Kong Koan-archief (https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/14501). En eveneens naar de dissertatie van Monique Erkelens, Leiden 2013: The decline of the Chinese Council of Batavia: the loss of prestige and authority of the traditional elite amongst the Chinese community from the end of the nineteenth century until 1942 (https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/21954).

*9 (13/03/2023) Later ontdekte ik nog dat Oeij Tjin Ho getrouwd was met Gouw Tjay Kin. Zij kregen in 1904 een zoon die Oey Jauw Tjong heette. Deze Oey Jauw Tjong trouwde vlak na de oorlog met Jeannette Elisabeth Hoogendoorn, afkomstig uit een Indo-Europese familie (en weduwe van Pieter Brandenburg, die in september 1944 als krijgsgevangene was omgekomen bij de scheepsramp van de Junyo Maru). Hun zoon Oen Swan (Jim) Oey stichtte een gezin in Nederland, samen met de uit Den Haag afkomstige Lucie (Loes) de Zwart. Zonder het te weten had May Khoen dus verre verwanten in Nederland die, net zoals haar moeder Betty, de achternaam Oey droegen. 

Dit was deel 7 van May Khoen's voorouders.
Zie voor deel 6: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/05/may-khoens-voorouders-deel-6.html

Zie voor deel 8: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/08/may-khoens-voorouders-deel-8.html