Half een. Snel is de tijd voorbij gegaan sinds negen uur toen ik de lamp aanstak en hier ging zitten. Ik zat zonder te lezen en zonder te praten. Met wie zou ik ook praten helemaal alleen in dit huis. Sinds negen uur toen ik de lamp aanstak, is de schim van mijn jonge lichaam gekomen, heeft mij gevonden, mij herinnerd aan zeer welriekende gesloten kamers, aan voorbijgegaan genot - wat een stoutmoedig genot! En heeft mij ook straten voor ogen gebracht die nu onherkenbaar zijn geworden, gelegenheden vol drukte die niet meer bestaan en theaters en cafés die er eens waren. De schim van mijn jonge lichaam is gekomen en heeft me ook trieste overwegingen gebracht: rouw in mijn familie, uiteengaan, gevoelens van mijn verwanten, gevoelens van de gestorvenen waarop zo weinig is gelet. Half een. Hoe is de tijd voorbij gegaan. Half een. Hoe zijn de jaren voorbij gegaan.
Konstantinos P. Kaváfis
Vertalers van Kaváfis' gedicht: Hans Warren en Mario Molengraaf. Ga voor meer gedichten van Kaváfis, en hun vertalingen ervan, naar de site van DBNL. Het gedicht wordt voorgedragen door de Griekse actrice Elli Lampeti / Έλλη Λαμπέτη (1922-1983).
Video Sinds negen uur: Huub Drenth. Video Drift: Edie10805. De video's kunnen gelijktijdig afgespeeld worden.
Anne Aspinall was born
in Manchester and trained at Manchester College of Art. She joined the Longden
Gallery and Workshops in 1986 as a printmaker specialising in etching. From
1988 – 1989 she travelled extensively in Europe and North Africa where the effects
of strong sunlight on the desert landscape and the rich texture and patterns of
the architecture and textiles made a lasting impression. Anne’s work is a
personal response to the patterns and rhythms inherent in the landscape and the
subtle changes of light and colour through the seasons. She has been profoundly
influenced by the work of the Scottish painters William Gillies and Barbara
Rae, as well as the Catterline landscapes of Joan Eardley. In addition to the
intense colours of Morocco, her current subject matter encompasses the hills
and valleys of North Wales, the Peak District, where she lives and works, and
the coastline around the British Isles.
Maryport Harbour.
Her paintings start with the monoprint process where ink is applied to Perspex
plate using rollers. This enables transparent layers of colour to be built up
and texture is added by working back into the ink using stencils, brushes and
rags. The image is then transferred onto paper by use of an etching press. When
the inks have dried, Anne works into the monoprint with chalk, oil pastel and
paint to achieve the final mixed media painting.
The contact between the Vikings and the Sámi during the Viking Age was intensive and characterized by a high degree of reciprocity, social acceptance, and close cooperation, especially in central Scandinavia.
The two peoples lived in a kind of symbiosis where they shared the land, although the Sámi were not always regarded as equals by the Norse.
The contacts can be divided into three main areas:
1. Economy, trade, and specialized craftsmanship
The Sámi acted as specialists within the Nordic economic system.
They were skilled hunters and gatherers who supplied the Vikings with exclusive and highly sought-after luxury goods such as furs (marten, fox, beaver, and bear), walrus tusks, hunting falcons, feathers, and ship ropes made from seal and walrus hide. These raw materials were often purchased or collected as tax (tribute) by Nordic chieftains, and then sold on by the Vikings in international markets, as far as Constantinople and Baghdad. The Sámi were also known as specialists in tanning hides, building boats, forging iron, and making skis for the Nordic peoples.
2. Marriage and social alliances
There were close contacts at a high social level, and elites from both groups often exchanged marriage partners. This is confirmed by both archaeological grave finds and written sources. A well-known example from the Old Norse sagas is that the Norwegian king Harald Fairhair married the Sámi woman Snæfríðr, daughter of the Sámi king Svási. Sámi women could thus marry into and be accepted into the very highest levels of Norse society.
3. Religion and magic
The Norse had great respect for the Sámi’s spiritual and magical abilities. The Sámi often served as healers, advisors, and masters of magic. The two cultures shared several fundamental religious concepts, especially the form of sorcery and shamanism known in Old Norse as seiðr. This magical practice is believed to have developed in harmony with Sámi religion as part of a shared Nordic spiritual heritage. Respect for and belief in Sámi magic was so strong that the earliest Christian laws in Norway explicitly forbade Christians from traveling to Sámi territories to seek prophecies or healing.*1
In summary, the Sámi were not just a peripheral group, but a strongly integrated and very important part of the Viking Age’s economy, culture, and religious life.
Gunnar Östberg Published on Quora, 26 april 2026 (translated from Norwegian by ChatGPT).
The two aquarelles were made by Johannes Flintoe (1787-1870).
Sámi magic drums (Jan Luyken, 1682).
*1 Visit also my post about Eivør Pálsdóttir, titled Trøllabundin (HD).
Denmark’s foreign minister Lars Løkke Rasmussen and Greenland’s foreign minister Vivian Motzfeldt met the US vice-president JD Vance for talks in Washington.
Following the meeting, Rasmussen told a news
conference: “I know very well that the future is not about the past, but
I think it is important to have the past in mind. We are eager to
fulfil our promises. Even though our view on the situation right now
around Greenland differs from public statements in the US, we want to
work closely with the US, but it must be of course a respectful kind of
cooperation.”
Rasmussen said the two ministers told their US
counterparts that “it is not easy to think innovative[ly] about
solutions when you wake up every morning to different threats.”
Rasmussen said it was a constructive meeting
with the US, but admitted “we didn’t manage to change the US position”
so far. “It’s clear that the president has this wish of conquering
Greenland, and we made it very, very clear that this is not in the
interest of the Kingdom [of Denmark].”
Kullorsuaq, an Inuit village in northwest Greenland.
France is expected to join the new European military mission to Greenland, Agence France-Presse reported.
Germany said it would deploy a 13-strong
Bunderwehr reconnaissance team to “explore the framework conditions for
possible military contributions to support Denmark in ensuring security
in the region”, the German defence ministry said, quoted by AFP.
The European parliament leaders issued a
statement declaring their “firm” support for Denmark, Greenland and the
rules-based international as they “unequivocally” condemned the US
ambition to control the semi-autonomous territory. They stressed that
“any attempt to undermine the sovereignty and the territorial integrity
of Denmark and Greenland, violates international law and the United
Nations Charter.” They added that “the security of the Arctic is a
strategic priority for the European Union, and we are firmly committed
to safeguarding it,” calling for “reinforcing European defence
capabilities” to ensure security in the Arctic region.
Greenlandic deputy prime minister, Múte B. Egede, said that more soldiers were expected in the coming days, joined by “more military flights and ships” as part of hastily convened “Operation Arctic Endurance.”
The Guardian
A Courtship In Greenland by Carl Rasmussen, ca. 1880.
May Khoen had een aantal 'inlandse' voormoeders, Indonesische vrouwen die, enkele eeuwen geleden, uit relaties met Chinese mannen kinderen kregen. Hoeveel dat er precies waren is niet bekend maar we kunnen gerust aannemen dat het er minstens een paar honderd waren.*1 Er bestaat sowieso
maar weinig informatie over deze vrouwen, uit het collectieve geheugen
van de Peranakan-gemeenschap (en hun nakomelingen in de diaspora) zijn ze
zo goed als verdwenen en in oude documenten worden ze ook niet vaak vermeld. We kennen dus hun namen niet en ook weten we niet
uit welke bevolkingsgroepen ze zoal afkomstig waren. Waarschijnlijk kwamen ze meestal van Java of Bali, al is herkomst van andere eilanden ook heel goed mogelijk.*2 Ze hoefden trouwens
niet per se uit de Indonesische archipel afkomstig te zijn, uit andere
delen van Zuid-Oost Azië - alsmede uit Afrika, Voor-Indië en het Midden-Oosten - kon eveneens het geval zijn.
Het betreft dan vrouwen die als slavin in de kolonie terechtkwamen, met name in de 17e en 18e eeuw, toen de VOC in de regio van de Indische Oceaan een belangrijke faciliteerder van de slavenhandel was.*3
Binnen
de Peranakan-gemeenschap wordt tot op de dag van vandaag vrijwel geen
aandacht aan dit onderwerp besteed, daar staat vooral het 'Chinees-zijn'
op de voorgrond. Aan de gemengde afkomst wil men liever niet herinnerd
worden, en ook niet aan de genetische en culturele implicaties van dat
gegeven. Hetgeen natuurlijk regelmatig bijzonder ongemakkelijke
situaties oplevert, met name in contacten met 'volbloed' Chinezen. Waarschijnlijk gaat mtDNA-onderzoek in de toekomst meer gedetailleerde informatie over deze hybride afkomst verschaffen, daarom lijkt het me
nuttig om nu al wat meer aandacht aan de sociale aspecten van de
ontstaansgeschiedenis van de Javaanse Peranakan-gemeenschap te besteden.
HD
Chinese klontong en (zijn?) inlandse vrouw, 1890.
Chinese migratie
Uit allerlei bronnen blijkt dat er al eeuwenlang Chinese kooplieden aanwezig
waren op Java, dus ook al voor de komst van de Europeanen, maar altijd
betrof het dan kleine populaties. Vanaf de zeventiende eeuw
vestigden zich steeds meer Chinese handelaren en ambachtslieden in de
Javaanse kuststeden, daartoe vooral aangetrokken door de toegenomen handelsmogelijkheden tijdens het bewind van de VOC. Meestal waren ze afkomstig uit Fukien (Fujian), een provincie in Zuidoost-China waaraan ze ook hun versie van de Chinese taal, het Hokkien, ontleenden. Vrouwen maakten lange tijd nauwelijks deel uit van deze migratiegolven, hetgeen
impliceert dat het in eerste instantie voornamelijk om alleenstaande mannen ging. De logische consequentie daarvan was dat velen van hen relaties aanknoopten met lokale vrouwen, waarmee ze vervolgens nakomelingen kregen.
Deze vermenging verliep bepaald niet zonder wrijvingen. De samenleving op Java was overwegend islamitisch van karakter, waardoorer tussen de Chinese en de Javaanse leefwijze grote religieuze en culturele tegenstellingen bestonden.
De traditie van voorouderverering kende men op Java niet en het eten
van varkensvlees, zoals bekend een centraal element in de Chinese
eetcultuur, werd door de Javaanse moslims als 'haram' (verboden) beschouwd. De verhoudingen binnen de koloniale samenleving werden in sterke mate door de criteria 'ras' en 'status' bepaald, hierdoorkonden veel Chinese nieuwkomers, 'sinkehs' genaamd, alleen relaties aangaan met vrouwen uit sociaal zwakke groepen, zoals slavinnen of dochters uit arme gezinnen. Verbintenissen met vrouwen behorend tot niet-islamitische bevolkingsgroepen, zoals bijvoorbeeld van Bali, kwamen ook veel voor. Al deze vrouwen hadden, volgens historica Mary Somers Heidhues, in de regel te weinig maatschappelijke status
om hun kinderen volledig op te laten gaan in de lokale cultuur, zoals
bijvoorbeeld in (het boeddhistische) Thailand wel het geval was. Zo
ontstonden de eerste gemengde huishoudens die, hoewel ze in de Javaanse
cultuur geworteld waren - qua voedingsgewoonten, kleding en taal - toch vaak binnen de Chinese culturele setting konden blijven functioneren, dus in de zin van religie, moraal, arbeidsethos en familieverhoudingen. Java was niet de enige plek waar dit gebeurde, in Maleisië en Singapore deden zich min of meer gelijksoortige ontwikkelingen voor.
Vrouw van West-Java (Soenda), 1902.
Juridische barrières
Aangezien de stroom van alleenstaande Chinese mannen in de 18e eeuw gestaag bleef groeien begon de koloniale overheid zich steeds meer zorgen te maken over dit soort relaties, onder meer omdat de keizer in Peking de 'overzeese' Chinezen nog steeds als zijn onderdanen beschouwde. Teneinde de strikte rassenscheiding in stand te houden, maar natuurlijk vooral om de explosieve Chinese bevolkingstoename een halt toe te roepen, werden gemengde huwelijken in 1780 dan ook bij wet verboden. De 'onwettige' kinderen die uit dergelijke relaties werden geboren zouden dan voortaan, per definitie, 'inlands' zijn. Deze juridische maatregel had tot gevolg dat een huwelijk tussen een Chinese man en een inlandse vrouw voortaan een zeer tijdrovende en kostbare aangelegenheid werd. De rechtsgeleerde P.H. Fromberg stelde zelfs dat er op Java nooit sprake geweest was van een Chinees die "met een inlandse vrouw, als ware deze een gelijke die voor hoofdvrouw in aanmerking kon komen, wettig gehuwd is."
Toch tonen documenten in de archieven van de Bataviase Kong Koan aan dat zulke huwelijken wel degelijk voorkwamen, zij het dat ze op een nogal ingewikkelde wijze tot stand kwamen. In haar dissertatie, getiteld Van koelies, klontongs en kapteins (Amsterdam, 2009), vermeldt Widjajanti Dharmowijono (geboren Tan Swie Ing Swie) hierover dat inlandse slavinnen, nadat ze waren 'gekocht', eerst officieel moesten worden 'vrijgemaakt'; een slavin kon namelijk niet trouwen, ook niet met een andere slaaf. In alle andere gevallen was het verkrijgen van een bruid overigens ook niet geheel kosteloos, maar als die fase eenmaal achter de rug was kon overgegaan worden tot de volgende noodzakelijke stap: het doorlopen van een adoptieprocedure, hetgeen inhield dat de vrouw in kwestie moest worden opgenomen in een bevriende Chinese familie. Pas wanneer de bruid juridisch als 'Chinees' gold, dus officieel bij een Chinees gezin hoorde en een Chinese naam had, kon het huwelijk door de bevoegde instanties worden goedgekeurd.
Njai - door Ernest Hardouin, ca. 1850.
De rol van njais
In
de praktijk had deze omslachtige en geldverslindende procedure tot
gevolg dat veel relaties 'onofficieel' bleven. Chinese mannen leefden
samen met inlandse vrouwen
zonder dat er sprake was van een huwelijksband. Zo'n vrouw werd een njai
genoemd — een concubine die zowel partner als bestierder
van het huishouden was. Ook veel Europese vrijgezellen, zoals
bijvoorbeeld soldaten of employees van de VOC, leefden op die manier samen met inlandse vrouwen.
De kinderen uit deze relaties kregen de 'inlandse' status van hun moeder,
tenzij de vader hen erkende of liet adopteren. Ondanks hun onzekere
juridische positie hadden veel njais aanzienlijke invloed op de gang van zaken, zowel binnenshuis als in de familiesfeer, zeker in steden als Batavia, Soerabaja of Semarang.
Ook werden sommige relaties uiteindelijk alsnog gelegaliseerd, vaak
pas na jaren
samenleven. Vanaf het midden van de negentiende eeuw - de
koloniale overheid voerde toen een strikte administratieve en
juridische indeling van de bevolking in drie etnische categorieën in, te
weten: a. Europeanen, b. Vreemde Oosterlingen (waaronder
Chinezen) en c. Inlanders - gebeurde dat meestal als er uit die relaties zonen
geboren waren en de Chinese vader het wenselijk vond dat die officieel
de status van 'Vreemde Oosterling' kregen. Daardoor kwamen ze in de tweede categorie terecht, wat hen meer rechten gaf dan inlanders (ze mochten bijvoorbeeld handel drijven, land verpachten en geld uitlenen). De man diende daarvoor toestemming te vragen aanzowel het lokale Chinese bestuur als
de koloniale resident. Hij moest verklaren dat beide partners ongehuwd
waren en
aantonen dat er geen religieuze bezwaren bestonden. Na goedkeuring van het verzoek vond
een bescheiden ceremonie plaats: het
bruidspaar bracht offers aan de voorouders en dronk gezamenlijk thee - symbolen van een huwelijksvoltrekking in de Chinese traditie. De vrouw
bleef
officieel 'inlandse', maar werd in de koloniale administratie opgenomen als
wettige echtgenote van een Chinees. De kinderen werden hierdoor wel
officieel 'Chinees', waardoor ze toegang hadden tot Chinees onderwijs en
onder het koloniale Chinese rechtssysteem vielen. Ook konden ze
daardoor binnen de Chinese bevolkingsgroep trouwen.
Chinese vader met kind en baboe, 1911.
Polygynie en gezinsstructuren
Naast de juridische barrières speelde ook de huwelijksstructuur zelf een rol in de manier waarop Chinese mannen relaties aangingen met inlandse vrouwen. In de Chinese traditie, vooral onder welgestelde mannen, was 'polygynie' – het hebben van meerdere echtgenotes of concubines – niet alleen sociaal geaccepteerd maar ook een belangrijk statussymbool. Binnen de koloniale context kreeg dit gebruik een nieuwe vorm. De eerste, 'echte', echtgenote van een Chinees was meestal een vrouw van Peranakan-Chinese afkomst, bij de elite betrof het dan vaak een dochter uit een Chinese officiers-familie. Zij vervulde de rol van t’si, hoofdvrouw, die de voorouderlijn en erfopvolging waarborgde. Vrijwel altijd was er in deze situaties sprake van uithuwelijking, dus van een afspraak tussen de wederzijdse ouders en families. Daarnaast konden Chinese mannen ook een of meerdere ch’ieh of bijvrouwen hebben — vaak inlandse vrouwen of slavinnen die als concubine fungeerden. In deze gevallen maakte hij de keuze zelf.
Polygynie was niet alleen een uiting van status, maar kon ook een sociale strategie zijn. Voor mannen die zich op een bepaalde plek vanwege economische redenen hadden gevestigd bood een relatie met een inlandse vrouw toegang tot lokale netwerken, talen en handelscontacten. De inlandse vrouw vervulde daarbij zowel een persoonlijke als economische rol: zij bestierde het huishouden, onderhield sociale banden met de Javaanse omgeving en voedde de kinderen op. Soms leefden hoofdvrouw en bijvrouw onder één dak, vaker apart; in koloniale documenten worden zulke huishoudens wel eens beschreven als 'Chinees huis met inlandse bijvrouw'.
Chinese vrouw op Java, omstreeks 1867.
Deze situatie van meerdere vrouwen schiep een complexe hiërarchie binnen het gezin. De Peranakan-Chinese hoofdvrouw had juridische en ceremoniële voorrang, terwijl de inlandse bijvrouw en haar kinderen zich aan de marge bevonden van zowel het Chinese als het koloniale rechtssysteem. Kinderen van een concubine konden alleen de status van Chinees krijgen als de vader hen officieel legitimeerde, aangezien ze bij de geboorte de status van hun moeder kregen. Voor veel inlandse vrouwen betekende dit dat zij economisch afhankelijk bleven - ze waren letterlijk rechteloos - en dat hun kinderen vaak een onzekere etnische en juridische status hadden. Dit was nog sterker het geval als de vrouw in kwestie een slavin was, waardoor haar kinderen automatisch ook binnen die categorie vielen. Toch vormden deze 'tweede gezinnen' een wijdverspreid verschijnsel in de kuststeden van Java, met name in Batavia, Cirebon en Semarang.
Het
bestaan van polygynie versterkte de asymmetrie van macht en status in
gemengde relaties. De inlandse vrouw had zelden dezelfde rechten als de
Chinese hoofdvrouw, maar zij oefende via haar rol als moeder en
huishoudster vaak informeel wel grote invloed uit. In die zin bevestigde
de koloniale praktijk van concubinaat en polygynie tegelijkertijd de
ondergeschikte positie van de vrouw én haar onmisbare rol als culturele
intermediair. Via haar leerde het kind de taal en de gewoonten (en soms ook de religie) van het land. De
kinderen uit zulke relaties groeiden op in twee culturen tegelijk, maar
hoorden nooit volledig bij één van beide. Ze waren niet helemaal Chinees
en ook niet helemaal Javaans, maar dragers van een nieuwe, gemengde
identiteit die de grenzen van ras en cultuur overschreed. Waarbij natuurlijk niet vergeten mag worden dat op de kinderen van 'inlandse' slavinnen niet alleen de taal en cultuur van hun moeders werd overgedragen maar ook de diepe trauma's die het leven van tot slaaf gemaakten kenmerkten.
Peranakans echtpaar met kind, ca.1930.
De
Peranakan-gemeenschap
Uit de vermenging tussen Chinese mannen en inlandse vrouwen ontstond een bevolkingsgroep die later de Peranakan-Chinezen werd genoemd. Het woord peranakan
betekent letterlijk 'lokaal geboren afstammeling' en duidt op de
Chinezen die in de archipel waren geboren uit gemengde relaties en
huwelijken. Ze spraken Maleis of Javaans, droegen batik kleding, vierden
zowel Chinese als Javaanse feestdagen en combineerden voorouderverering en taoïstische en
confuciaanse gebruiken met islamitische en lokale tradities. Ook wat ze dagelijks aten was voor een belangrijk deel op Javaanse eetgewoonten gebaseerd. Na een aantal generaties was deze gemeenschap inmiddels zo groot dat er genoeg vrouwelijke huwelijkspartners binnen de eigen groep beschikbaar waren, huwelijken met inlandse vrouwen kwamen daardoor vrijwel alleen nog onder totok-Chinezen voor, dus onder migranten die uit China kwamen en alleen Chinees spraken.*4 Mary
Heidhues benadrukt dat de Peranakans geen 'geassimileerde inlanders'
waren, noch 'pure Chinezen', maar een zelfstandige hybride groep die een
sleutelrol speelde in de koloniale economie. Ze vormden de tussenlaag
van kooplieden, tolken, landeigenaren en belastingpachters die de
Europese koloniale wereld met de inlandse bevolking verbond.
Die
tussenpositie was echter ook precair. In het koloniale systeem van
etnische indeling - men zou het een voorloper van 'apartheid' kunnen
noemen - stonden de Peranakan-Chinezen, in strikt juridische zin, onder
de Europeanen, maar boven de inlanders. In werkelijkheid werden ze door
beide groepen gewantrouwd omdat ze door hen als 'te vreemd en te afwijkend' werden ervaren. Door de totok-Chinezen van nieuwere migratiegolven werden ze bovendien vaak ook niet als soortgenoten gezien, voor die categorie waren ze zowel 'te inlands' als 'te on-Chinees', aangezien ze meestal geen Chinees spraken. Toch waren zij, zoals Heidhues het uitdrukt, de
'intermediary elite' waarop de koloniale samenleving draaide —
economisch onmisbaar, cultureel ambigu.
Chinees gezin met bedienden, Batavia ± 1900.
Veranderende tijden
Vanaf
ongeveer 1850 begon deze dynamiek te veranderen. De koloniale handel
met China nam toe, mede door de introductie van stoomschepen, en
met de nieuwe migratiegolven kwamen nu ook veel Chinese vrouwen naar de
archipel. Hierdoor konden meer totok-Chinezen binnen hun eigen etnische groep
trouwen. Voorheen was die mogelijkheid alleen weggelegd voor de
Peranakan-Chinezen, aangezien die hun zonen en dochters aan elkaar
uithuwelijkten. Door de toename van totok-Chinezen, die een veel directere band met China hadden, begon men binnen de Peranakan-gemeenschap afstand te nemen van polygynie en relaties met inlandse vrouwen, deels uit statusoverwegingen en deels ook uit angst om op te gaan in de omringende islamitische
meerderheidscultuur. In 1860 werd bovendien de slavernij afgeschaft. Schaamte, vanwege de gemengde afkomst, begon eveneens een rol te spelen. In de beeldvorming werden inlandse vrouwen steeds vaker gekarakteriseerd als ‘moreel inferieur’ en 'slaafs', typeringen die sterk bijdroegen aan het sociaal onaantrekkelijk maken van relaties met deze vrouwen. Dat deze zienswijze, met terugwerkende kracht, ook op de eigen voormoeders van toepassing was deed kennelijk niet ter zake.
Omdat
de koloniale overheid een strikte indeling van de bevolking in
etnische categorieën had ingevoerd werd het vanuit juridisch en
administratief oogpunt eveneens wenselijk dat de Chinezen - evenals andere Vreemde Oosterlingen zoals Arabieren en Klingalezen - zich duidelijk
onderscheidden van de
inlandse bevolking, zowel in
officiële documenten als in het dagelijks leven. Zo werden ze bijvoorbeeld verplicht om in dezelfde wijk te wonen en om in de publieke ruimte, de voor hun groepering geldende, traditionele kleding te dragen. In de grotere steden op Java, zoals Batavia,
Semarang en Soerabaja, ontstonden hierdoor 'Chinese kampen' waarin de
Peranakan-bevolking, evenals de Chinese nieuwkomers, zich steeds meer
concentreerden. Deze
geografische scheiding had tot gevolg dat de sociale interactie met de
inlandse
bevolking aanzienlijk verminderde, wat vanzelfsprekend ook de kans
op het ontstaan van gemengde relaties veel kleiner maakte.
Javaanse vrouw, 1865.
Mede door de komst van veel meer totok-Chinezen was er vanaf het midden van de negentiende eeuw sprake van een sterke 'sinificatie' van de hybride Peranakan-cultuur, een ontwikkeling die gepaard ging met een hernieuwde oriëntatie op China en het patriarchale, en patrilineaire, confucianistische gedachtengoed. Vrouwen die niet binnen die traditie waren opgegroeid, en de normen en waarden ervan dus ook niet konden doorgeven aan hun kinderen, werden daardoor steeds meer als 'ongeschikte partners' beschouwd. Binnen de Javaanse inlandse gemeenschappen vond er in die periode overigens eveneens een religieuze en culturele heropleving plaats, relaties met niet-moslims werden daardoor lang niet meer zo gemakkelijk geaccepteerd als voorheen.
Al deze processen leidden ertoe dat het aantal gemengde relaties binnen de
Peranakan-gemeenschap, ooit een integraal onderdeel van hun
identiteit en cultuur, in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk begon af te nemen. Rond 1900 vinden huwelijken inmiddels grotendeels binnen de eigen culturele setting plaats, vrijwel altijd op basis van
uithuwelijking. De herinneringen aan de inlandse voormoeders verdwijnen
dan al snel uit het collectieve geheugen, zo snel zelfs dat sommigen van
hun nazaten, zoals bijvoorbeeld May Khoen's vader, kennelijk niet eens meer op de
hoogte waren van hun bestaan.*5 Wat niet wil zeggen dat daarmee ook al hun sporen waren uitgewist, de taal, gebruiken en tradities die kenmerkend waren voor de Peranakan-cultuur op Java stamden immers voor een belangrijk deel van hen af. En vanzelfsprekend verdwenen de sporen ook niet in genetische zin, tot op de dag van vandaag vertonen veel Peranakan-Chinezen in hun fysieke verschijning uitgesproken 'Indische' trekken; ook bijvoorbeeld bij May Khoen was dat duidelijk het geval, hetgeen regelmatig misverstanden opleverde.*6 Gezien de grote betekenis die de Peranakan-gemeenschap voor de koloniale samenleving (en geschiedenis) heeft gehad, mag de inbreng van deze inlandse vrouwen dus onder geen beding gebagatelliseerd worden. Laat staan volkomen genegeerd. Meer aandacht en respect voor hun rol, invloed en nalatenschap lijkt me dan ook zeer gewenst.
*1 Voor de berekening van dit getal heb ik me gericht op het tijdvak 1700-1850. In deze periode leefden voorouders van May Khoen die zo'n zes tot tien generaties van haar verwijderd waren. In totaal waren dat ongeveer 2000 personen, waarvan de helft vrouwen. Vanzelfsprekend waren lang niet al deze vrouwen afkomstig van Java, of van andere plekken buiten China, daarom heb ik de voorzichtige schatting van twintig procent gehanteerd en kwam ik uit op minstens tweehonderd 'inlandse/niet-Chinese' voormoeders.
*2 Java werd bevolkt door verschillende etnische groeperingen waarvan de
meerderheid islamitisch was. De grootste bevolkingsgroepen waren de Javanen uit Centraal- en Oost-Java, de Soedanezen uit het westen
en de Madoerezen van het eiland Madoera, met elk hun eigen taal en tradities. Hoewel hun culturen op tal van punten verschilden deelden ze met elkaar een sterk geloof in geesten en magie, wat te maken had met de invloeden van animisme, hindoeïsme en boeddhisme. Ook de hindoeïstische religie op Bali was sterk animistisch van aard, anders dan in India het geval was namen de geesten van overleden voorouders in tal van rituelen en ceremonies een belangrijke plaats in. Vrouwen afkomstig van andere eilanden, zoals bijvoorbeeld Celebes of de Molukken, waren meestal tot slaaf gemaakten (zij werden door piraten geroofd of in oorlogen buitgemaakt en vervolgens op slavenmarkten verhandeld). Ook voor vrouwen afkomstig van Java en Bali gold overigens vaak dat ze de status van 'slavin' hadden.
*3 In Nederlands-Indië kwam op 1 januari 1860 een einde aan de slavernij. In Nederland wordt hier vrijwel nooit bij stilgestaan, en dat terwijl de slavernij in Oost-Indië eerder begon en omvangrijker was dan in de westelijke
koloniën. In het jaar 1750 bijvoorbeeld waren er 75.000 slaven in
vestigingen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) tegenover 64.000 in Suriname en de Cariben. Ga voor uitgebreide informatie hierover naar het artikel van Marjolein Overmeer op Kennislink.
*4 Het Javaanse woord 'totok' ('volbloed') wordt gebruikt om personen met 'puur/onvermengd' bloed aan te duiden, in principe kan het betrekking hebben op alle etnische groepen, dus ook op Europeanen. De eerste golven van totok-Chinese migranten vermengden zich met de inlandse bevolking en hun kinderen werden Peranakan-Chinezen genoemd. De latere generaties nieuwkomers uit China hadden vaak Chinese vrouwen, ook hun kinderen waren daardoor totok-Chinezen (ze spraken Chinees en bleven gericht op China en de Chinese cultuur). Uiteindelijk was er op Java dus sprake van twee verschillende groepen Chinezen, elk met hun eigen taal en cultuur.
Van May Khoen's betovergrootvaderSih Khay Hie(1851-1936) weten we dat hij een totok-Chinees was, afkomstig uit China, zijn vrouw Liem Kiem Hong Nio (1864-1935) was van Peranakan-Chinese afkomst. Tjoa Tjiauw Nio (1775-1800), May Khoen's oudst bekende voormoeder, was waarschijnlijk een inlandse vrouw die door adoptie opgenomen werd in de familie Tjoa. Zij was getrouwd met Goei Poen Kong (1765-1806), de in China geboren stamvader van de Semarangse Goei-clan. Het betreft hier voorouders die acht generaties verwijderd zijn van May Khoen.
*5 Toevallig is het vandaag de geboortedag van May Khoen's vader Tan Swie Tong. In 1926 werd hij geboren in Semarang. Hij leeft nog steeds, dus inmiddels is hij 99. Sinds 1979 woont hij in Escondido, Californië.
*6Vaak werd May Khoen aangezien voor een 'Indo'. De term 'Indo' is een afkorting van het woord 'Indo-Europeaan', zijnde een nazaat van een Europese
(stam)vader en een Indische voormoeder. In Nederland wordt met 'Indo's' hoofdzakelijk gedoeld op de groep Nederlanders met een deels Zuidoost-Aziatische achtergrond in combinatie met een (vaak lange) familiegeschiedenis in het voormalige Nederlands-Indië. Veel Indo's stammen af van de 'gewettigde' nakomelingen van Europeanen en hun respectievelijke njais, ze hebben dan ook Europese voor- en achternamen. Net zoals dat bij de Peranakan-Chinezen het geval was vormden ze op den duur een aparte etnische en culturele groep binnen het koloniale bestel, met eigen hybride taalvormen zoals bijvoorbeeld Javindo en Petjo. Ze vervulden onder meer functies in het leger, het ambtenarenapparaat, de cultuur- en mijnbouw, evenals in de handelen het onderwijs. Omdat ze de Nederlandse nationaliteit hadden emigreerden veel Indo-Europeanen na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland (met name Den Haag), Australië, Canada en de VS.
Aanbevolen literatuur:
Eleazar Zorab, De publiekrechtelijke toestand der Vreemde Oosterlingen in Nederlandsch Oost-Indië (1890), Claudine Salmon, Literature in Malay by the Chinese of Indonesia (1981), Mary F. Somers Heidhues, Chinese Minorities in Southeast Asia (1992); Chinese Indonesians: A History of Assimilation and Resistance (2003), Reggie Baay, De njai: Het concubinaat in Nederlands-Indië (2008), Widjajanti Dharmowijono, Van koelies, klontongs en kapteins: het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza 1880-1950 (2009), Guo-Quan Seng,
The Gender Politics of Confucian Family Law: Contracts, Credit, and
Creole Chinese Bilateral Kinship in Dutch Colonial Java, 1850s–1900
(2018), David van Reybrouck, Revolusi: Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld (2020), Patricia Tjiook-Liem, Chinezen uit Indonesië: De geschiedenis van een minderheid (2022).
JANE, Jane, Tall as a crane, The morning light creaks down again;
Comb your cockscomb-ragged hair, Jane, Jane, come down the stair.
Each dull blunt wooden stalactite Of rain creaks, hardened by the light,
Sounding like an overtone From some lonely world unknown.
But the creaking empty light Will never harden into sight,
Will never penetrate your brain With overtones like the blunt rain.
The light would show (if it could harden) Eternities of kitchen garden,
Cockscomb flowers that none will pluck, And wooden flowers that 'gin to cluck.
In the kitchen you must light Flames as staring, red and white,
As carrots or as turnips shining Where the cold dawn light lies whining.
Cockscomb hair on the cold wind Hangs limp, turns the milk's weak mind...
Jane, Jane, Tall as a crane, The morning light creaks down again!
Edith Sitwell
Disillusionment and loss of faith
In her poem Aubade, originally published in October 1920, Edith Sitwell presents a somber and haunting vision of dawn as experienced by a young woman named Jane, whose awakening reflects the emptiness and monotony of modern existence. The morning light, described through striking
imagery such as "overtones" from an unknown world and lifeless "wooden
flowers" in a "kitchen garden" evokes a sense of disconnection between the inner self and the external environment. She transforms the traditional morning love song into a bleak meditation on isolation, time, and the search for meaning in a desolate, postwar world. The cold, mechanical dawn replaces natural renewal with artificial sounds and spiritual emptiness, while Jane — a fragile, weeping figure — symbolizes innocence and humanity trapped in a dehumanized, fragmented society. Through her vivid imagery, musical rhythm, and modernist experimentation, Sitwell captures the disillusionment and loss of faith that followed World War I, revealing the struggle to find beauty and significance in a world that has forgotten both.
ChatGPT/HD
Edith Sitwell, painted by Roger Fry in 1915.
Dame Edith Louisa Sitwell (1887-1964) was a British author, poet, biographer and literary critic, who began her writing career with a poem published in the Daily Mirror
in 1913. An innovator in poetry at the beginning of the 20th century,
she both gave and received harsh criticism of other contemporary poets.
Eclectic, even odd, in her life style and dress perhaps as complaint
against her aristocratic lineage, she gave many public readings of her
poetry, including those with music by her colleague of that time,
William Walton. She did not marry, though she made poet Dylan Thomas her
protégé. She received a Royal Society of Literature medal in 1933 and
DBE in 1954. In 1955 she converted to Roman Catholicism. The interview with her in this post dates from 1959.
Wat is leven? Ogen die elkaar niet zien,
hout op hout de woede van het lichaam,
draaiend in het circusspel van heden.
Het is een straatnaam aan een huis,
de ogen rode tekens aan een voorhoofd,
terend op de gedachte aan gisteren:
'Ik loop in zoveel duisternis
dat ik blind ben van vragen.
's Nachts de koele mist van de liefde
bij dag de godsdienst van het ademhalen'.
Terend op een wanhoop die morgen is:
alleen met anderen die alleen zijn,
samen met de eigen stem, die niet klinkt
in een wankel en vermoeid bestaan
waar geen geluid meer doordringt.
En ik die dit leven niet ken
ik, een toerist in eigen land,
vreemde voeding in mijn cellen,
vreemde rook in mijn mond.
Ik loop langs alle wegen die mij dragen
en vraag, maar kan niet meer vragen, Geef mij het einde, zodat ik mijzelf herken.
Aurora Aksnes (1996) is een Noorse singer-songwriter. Haar debuutsingle Running with the Wolves werd in 2015 uitgebracht en kreeg veel aandacht in de Noorse media. In de jaren daarna brak ze ook internationaal door, met name in Europa en de VS. Aurora is inmiddels wereldberoemd, bij een bepaald publiek althans, maar ik ontdekte haar pas gisteren.*1
Dichter en schrijver Simon Vinkenoog (1928-2009) debuteerde in 1950 met de bundel Wondkoorts. Hij richtte het literaire tijdschrift Blurb op en stelde de geruchtmakende bloemlezing Atonaal samen, die in 1951 het begin markeerde van de beweging der Vijftigers. Vinkenoog werd een pionier op het gebied van psychedelica en marihuana nadat hij in 1959, in het kader van wetenschappelijk onderzoek, als proefpersoon een aantal keren een lsd-trip had gemaakt. Hij stond daarmee aan de wieg van zowel het provo- als het hippietijdperk.
Speaking at the 2013 (RUSI) Duke of Westminster Medal for Military Literature,
professor Michael Clarke offered a brilliant overview on military
literature and how it relates to culture. Between 1997 and 2015 this annual award was given to a living author who made a notable and original contribution
to the study of international and national security and defence. In 2013 the prize was awarded to Anne Applebaum for her book Iron Curtain.
Michael Clarke is a visiting professor at King's College London and
at the University of Exeter. He was the founding director of the Centre
for Defence Studies, and then the International Policy Institute, both
at King's College London, before he became the director general of the
Royal United Services Institute (RUSI). After his retirement in 2015 he wrote several books. Since the Russian invasion of Ukraine in 2022 he also serves as Sky News' security and defence analyst.
Clarke's latest book Great British Commanders: Leadership, Strategy and Luck was published in September 2024. This study of thirty-four British commanders, from Boudica to
Bomber Harris, reflects on their personal stories, as individuals and
warriors, and also on their role as strategists and
shapers of British history over almost two thousand years.