maandag 20 januari 2020

Vergane glorie




Uit mijn jeugd

Bovenstaande afbeelding is een foto van de winkels in de Dr. Damstraat in Kampen, de straat waar ik het grootste deel van mijn jeugd heb doorgebracht. Ik vond hem op het internet. Van het blok op de voorgrond herinner ik me nog alle gezinnen die er woonden toen deze opname werd gemaakt, zo begin jaren zestig. Dat het omstreeks die tijd was leid ik af uit het feit dat er op de hoek al een verf- en behangwinkel gevestigd was, tot medio 1960 zat er namelijk een damesmodezaak (die naar de overkant van de straat verhuisde toen daar ook een winkelblok gebouwd was, op de plek waar voor die tijd een speeltuin was).

Het winkelpand ter hoogte van de vrouw in het wit en de twee kinderen was dat van mijn vader, hij had daar een kapperszaak.*1 Wij woonden er pal boven, in een flat met drie slaapkamers. Achter de winkel waren ook nog een paar kamers en daaronder zat een behoorlijk grote kelder. Verder hadden we aan de achterzijde ook nog een tuin, een schuurtje en een kippenhok (!). Alles wijst erop dat de foto op een zondag gemaakt is, door de week was het er namelijk altijd behoorlijk druk. De Hanzewijk was een naoorlogse nieuwbouwwijk met veel kinderen en grasvelden, dus er werd vaak buiten gespeeld. Aan het eind van onze straat begonnen de weilanden, en daar lag ook een ijsbaan, mooier kon eigenlijk niet.

Alles wat er op deze foto te zien valt is inmiddels verdwenen. In de zomer van 2016 zijn ook deze twee huizenblokken, als laatste van de hele wijk, gesloopt waarna er een vinex-achtige constructie voor in de plaats is gekomen. Het winkelcentrum ligt nu iets verderop. Van de oude Hanzewijk is dus, afgezien van sommige straatnamen, niets meer over. Maar voor mijn herinneringen geldt dat natuurlijk niet, die bestaan alleen maar uit dit soort beelden.


Exact dezelfde locatie, mei 2018

 
Tante Bea

Alles verdwijnt. Valt om. Raakt overwoekerd door de tijd. Een half jaar geleden overleed mijn nicht Thecla, na een lang proces van aftakeling. Ik ben toen nog naar de crematie in Amsterdam geweest. Ze was 77. Eind oktober stierf mijn vroegere buurman Joop ineens. Voor hem ben ik speciaal naar De Steeg gereisd om hem de laatste eer te bewijzen. Joop was 74. Vlak voor Kerst vernam ik dat Joops vriendin Alexandra besloten had om zich vrijwillig bij hem te voegen. Nog maar 52 was ze.

Een week na Nieuwjaar kreeg ik te horen dat Khoen's tante Bea (Bea Liem Kiem Yauw Nio) overleden was. Op de gezegende leeftijd van 91. Ook naar haar uitvaart ben ik geweest, vandaag precies een week geleden, samen met Khoen's zus Mayke. Tante Bea was de weduwe van oom Sian (Tjiong Joe Sian), beiden waren ze geen echte bloedverwanten van Khoen maar studiegenoten van haar vader, uit de eerste helft van de jaren vijftig, en daardoor nog de enige personen in Nederland die Khoen vanaf haar geboorte hadden gekend. Toen oom Sian er niet meer was gingen Khoen en Mayke regelmatig bij tante Bea op bezoek in Amsterdam, want zelf had ze geen kinderen. Na Khoen's dood heb ik dat ook verscheidene keren gedaan, eveneens meestal samen met Mayke. Ook belde ik haar wel eens, gewoon voor zomaar een praatje.


Tante Bea en oom Sian in 2008


Niemandsland

Soms moet ik aan m'n vader denken. Hij was de jongste van een groot gezin en werd uiteindelijk 96. Begin augustus 2015 overleed hij, minder dan een jaar voor Khoen. Tegen die tijd had hij zowel al z'n eigen broers en zusters als die van m'n moeder (zij stierf in 2004) overleefd. Plus alle aangetrouwden (op een na). De dood maait, langzaam maar gedecideerd, de ene na de andere generatie weg en nu is de mijne aan de beurt, daar komt het simpelweg op neer.

Gisterenmiddag was ik in het Groninger Forum om de film 1917 van de Britse regisseur Sam Mendes te zien. Hij was aangrijpend en meeslepend en gaf een goed beeld van de loopgravenoorlog in Noord-Frankrijk, honderd jaar geleden. Overal lijken. Allemaal gesneuvelde jonge mannen. In ontbinding verkerende paarden ook. De trots en hoop van al die oorlogvoerende naties in een klap weggevaagd. Om niets. En in dat niemandsland van dood, verderf en waanzin moesten de twee hoofdpersonen hun missie zien te volbrengen.

En dan is er natuurlijk nog Khoen die mij achterliet in een zeer intense en extreme werkelijkheid. Ook een soort niemandsland waarin ik moet zien te overleven, in al mijn nietigheid. Een werkelijkheid die bijna niet te delen valt met anderen, bovendien. Zelfs het delen van die werkelijkheid met mijzelf is verre van eenvoudig, omdat de taal die er gefluisterd wordt mij vaak volkomen vreemd is.


©Huub Drenth



*1 Het is heel goed mogelijk dat ikzelf een van die jongetjes ben. De andere is dan waarschijnlijk een van m'n twee broertjes. Er rijdt ook een Volkswagen Kever, een paar jaar later was dat de eerste auto die mijn vader kocht. Een blauwe.

*

NB Onderstaande foto van de (nog spiksplinternieuwe) winkelflats in de Dr. Damstraat kreeg ik op 10 oktober 2020 (10/10/2020) per email toegestuurd door Wilma van L., een vroeger buurmeisje. Het betreft dezelfde twee huizenblokken als op de eerste foto maar dan vanaf de andere kant gefotografeerd, dus in de richting van de ijsbaan. Verderop wordt nog steeds gebouwd, dus stamt de foto waarschijnlijk uit 1955 of 1956. Groenteboer Nico Bremer (tweede winkelpand) verkocht platte vanille-ijsjes van Jamin, waarvan een zijde bedekt was met een dun laagje chocola, die je zelf tussen een paar dunne wafels moest klemmen. Ik zie het nog zo voor me, kan zelfs de smaak nog terughalen. Wat een nostalgie!



woensdag 15 januari 2020

Fiene reeg'n



Hoge der A, 10 januari 2016


Mist in stad

Elk’n ain loop met haand veur oog’n
Hou geern had ik die bie mie had
Hou geern kwam ik die teeg’n
  
Schimm’n schoev’n stil deur stad 
Maar ik en fiene reeg’n
Wie hebb’n ons aal tiedlang nait bewoog’n


Dit gedicht stond vroeger op de muur van de, zeer krap bemeten, herenplee van café De Opera in de Groningse Poelestraat. In de jaren tachtig was dat mijn stamkroeg. Iemand had het er, links onder de stortbak, ongeveer op hoofdhoogte en in een zee van vunzige graffiti, met een ballpoint in de kalk gekrast, dus terwijl je je blaas aan het legen was konden je ogen het vrijwel niet missen. Het is geschreven in een Gronings dialect - ik denk Hogelandsters - en dat is best wel bijzonder want in De Opera kwamen toen weliswaar veel kunstenaars en andersoortige creatievelingen maar over het algemeen waren dat geen geboren Groningers.

Ik heb het gedicht ooit genoteerd op een bierviltje - ik kwam het onlangs toevallig tegen in een doos met spullen uit die tijd - maar de naam van de dichter heb ik helaas nooit kunnen achterhalen. Vanwege de locatie van publicatie ben ik er altijd van uitgegaan dat het door een man gemaakt was, en dat denk ik eigenlijk nog steeds omdat, voor mij althans, ook het bondige taalgebruik heel sterk in die richting wijst. Ik moet hier echter voor de volledigheid wel aan toevoegen dat dit laatste aspect ook op veel Groningse dames van toepassing is. Een typische Noorderling gaat trouwens sowieso uiterst efficiënt om met taal, een zin van meer dan tien woorden wordt door de meesten dan ook al gauw beschouwd als een complete verhandeling.




Het is een gelaagd gedicht, zo betekent het woord mist in de titel bijvoorbeeld zowel 'mist' als 'gemist'. Met Stad (Stáád) wordt in Noordoost-Nederland de stad Groningen bedoeld, van oudsher een metropool met veel studenten en cafés, en met een uitgaanscultuur die zich voor een deel ook op straat afspeelt; want er wordt letterlijk veel kroeggelopen in de oude binnenstad, en niet alleen door studenten. De titel zou daarom, naast het min of meer neutrale 'Mist in de stad', ook heel goed iets zeer specifieks als 'Gemist in het Groningse nachtleven' kunnen betekenen. Dat iemand deze tekst toentertijd heeft toevertrouwd aan de wc-muur van De Opera is dus waarschijnlijk geen toeval.

Het gedicht gaat over gemis en verlangen. Over volledig overgeleverd zijn aan die gemoedstoestand. De afwezigheid van de ander is in alles voelbaar en vormt daardoor, paradoxaal genoeg, tegelijkertijd een voortdurende 'aanwezigheid'; het is een nevel die de ik-figuur altijd en overal omringt. Tastend en zoekend dwaalt hij rond in een wereld die plotseling grijs en onbestemd geworden is, een universum van vaagheid en verstilling.

Misschien is het een liefdesgedicht en betekent mist hier 'misgelopen' of 'niet tegengekomen', in dat geval is er nog hoop. Maar het zou net zo goed kunnen dat het een treurdicht is en dan rest er enkel eenzaamheid en leegte. De ander is weg en komt niet meer terug. Het leven (in de stad) gaat door, in alle hevigheid, maar voor de ik-persoon geldt dat niet: voor hem staat alles stil.

 


Frans Masereel, houtsnede uit zijn album De stad (1925).


©Huub Drenth


woensdag 1 januari 2020

Wende - Voor alles...



 

Zangeres: Wende Snijders
Tekst: Joost Zwagerman

 

Zondag 6 december 2020
Schrijver/dichter Joost Zwagerman (1963-2015) was, net zoals ik, een groot bewonderaar van de Amerikaanse kunstenaar Mark Rothko (1903-1970). Anders dan zijn abstracte werk in eerste instantie misschien doet vermoeden was Rothko, in essentie, vooral een spiritueel ingestelde schilder.

 


De opname van het gedicht/lied Voor alles altijd bang geweest is afkomstig uit het tv-programma De Wereld Draait Door van 6 maart 2018. Mogelijk moet een VPN gebruikt worden om de video te kunnen zien.

Huub Drenth


dinsdag 31 december 2019

Kari Bremnes - Denne veien





Denne veien

Denne veien tar mæ dit vi va
Og te dit vi aldri meire kommer
Bildan som har åpna sæ igjen
Blande sæ med blåbærløng og sommer

Vannet her e stille og forlatt
Ingen kaste stein og lage ringa
Over kommer flygandes ei ørn
Kanskje e det du som har fått vinga

Ønske at æ også kunne fly
Kommet dæ i møte over vannet
fløgge med dæ over land og by
letta uten tanke på å lande

Denne veien tar mæ dit vi va
Og te dit vi aldri meire kommer
Bildan som har åpna sæ igjen
Blande sæ med blåbærløng,
og sommer...


Tekst og Musikk: Kari Bremnes




Blåbærløng og sommer

Kari Bremnes (1956) is een bekende Noorse zangeres. Zij zingt in het dialect van de Lofoten, een eilandengroep in het noorden van Noorwegen. Khoen en ik waren daar in 1978, toen we met de boot van Narvik naar Bodø reisden. Het is een dialect dat ik redelijk goed kan verstaan (ik heb ooit een jaar Noors gedaan). Voor Noren is het normaal om zich in hun eigen dialect uit te drukken omdat de spreektaal nauwelijks gestandaardiseerd is. Wel bestaan er twee officiële schrijftalen: Bokmål en Nynorsk.

Dit lied, met als titel Deze weg, gaat over het pad naar een bepaalde plek aan het water, waar Kari vroeger vaak kwam met iemand die kennelijk overleden is. Hoog boven haar vliegt een arend en ze vraagt zich af of dat wellicht die ander is, maar nu met vleugels.

Steeds als ik ernaar luister roept het herinneringen op aan een groot meer in de buurt van Zuidlaren, waar Khoen en ik geregeld kwamen. We namen de bus richting Annen en stapten uit in Westlaren. Via een zandweg en smalle paadjes gingen we op weg. Al snel kwamen we dan bij het brede water dat in feite een volgelopen zandafgraving was. We liepen een min of meer vaste route - die we door de jaren heen 'De wandeling' waren gaan noemen - met als eindbestemming Haren. We deden dat gedurende alle seizoenen, dus ook als het regende of sneeuwde. De natuur was er prachtig en heel afwisselend, bovendien kwam je er amper iemand tegen. Gaandeweg ontstond er dan een soort meditatieve sfeer en vielen er lange stiltes.




Aan de dood ontsnapt

Op een keer werden we, halverwege het smalle pad langs het meer, overvallen door hevig noodweer en sloeg de bliksem op ongeveer tien meter afstand van ons in. Loodrecht in een hekwerk en wat lage bomen. Knallen, vlammen en geknetter. Ik kan de rookslierten nog over het wateroppervlak zien trekken. Verbrand hout, die geur komt ook weer boven. Een paar seconden eerder hadden wij daar nog gestaan. Beiden waren we absoluut niet bang voor al het natuurgeweld om ons heen. Op de een of andere manier voelden we ons, in al onze nietigheid, volstrekt onkwetsbaar. Wel baalden we er ontzettend van dat we in no time tot op de huid doorweekt waren. Waardoor er niks anders opzat dan de bus terug naar huis te nemen.

Khoen wilde graag dat een deel van haar as verstrooid zou worden in dat meer...

Tivoli

Onderstaande foto stamt uit juni 1978 toen we met de trein, via Kopenhagen en Stockholm, op weg naar Narvik waren. Hij is gemaakt op de avond die we in Tivoli doorbrachten. Op de achtergrond zie je het Chinees Paviljoen. Khoen was ooit in Tivoli geweest toen ze elf of twaalf was, dus mogelijk staat ze hier te mijmeren over het verleden.


©Huub Drenth


Kopenhagen, juni 1978

  

NB De kleurenfoto van het meer in Westlaren heb ik gemaakt op 20 juni 2020. Toen was ik daar weer terug, voor het eerst sinds jaren. Het is ongeveer de plek waar we toen stonden, maar alles was ondertussen dichtgegroeid.



dinsdag 24 december 2019

De stem van een duif





 

 

Dinsdag 24 december 2019

Gisteren ontving ik, per email, het droeve bericht dat Alexandra, de vriendin/partner van Joop Boer, vorige week dinsdag overleden is. Minder dan twee maanden na Joops plotselinge dood. Pas 52 was ze. Alexandra kon en wilde niet verder leven zonder hem, iets wat velen met mij al vreesden. In besloten kring is ze begraven, in hetzelfde graf als Joop. Dit gedicht, oorspronkelijk een tanka van de Japanse Zen-monnik Saigyo, stond op de digitale rouwkaart die aan de mail toegevoegd was:


Uit een boom die staat
naast een verwilderde akker,
de stem van een duif
roepende om haar makker;
eenzame vreselijke avond


Donderdag 2 januari 2020

Ik ben nu wat verder en ook de feestdagen zijn achter de rug. Ik ben nog steeds lichtelijk in shock vanwege Alexandra's drastische besluit. Khoen en ik hebben ontzettend veel geluk gehad, omdat we ook de allerlaatste etappe samen af hebben kunnen leggen, dat besef is opnieuw heel sterk. Het was de meest intense en intieme ervaring van ons leven, daar waren we het beiden over eens. En daarbij werden we ook nog eens omringd door de schoonheid van de lente, op een bepaalde manier gaf dat kracht. Dus wie ben ik om te oordelen over Alexandra's keuze?

Door het gebeuren moest ik ineens weer denken aan het nummer Who knows where the time goes van Sandy Denny (Fairport Convention, 1969) dat ik vaak draaide toen ik net in Groningen studeerde. Het gaat over het raadsel van de tijd, de liefde en het leven. Dus zocht ik het op en luisterde ernaar. En dat gaf troost. Want zij gingen, maar wij bleven.



 

Across the evening sky, all the birds are leaving
But how can they know it's time for them to go?
Before the winter fire, I will still be dreaming
I have no thought of time
For who knows where the time goes?
Who knows where the time goes?

Sad, deserted shore, your fickle friends are leaving
Ah, but then you know it's time for them to go
But I will still be here, I have no thought of leaving
I do not count the time
For who knows where the time goes?
Who knows where the time goes?

And I am not alone while my love is near me
I know it will be so until it's time to go
So come the storms of winter and then
The birds in spring again
I have no fear of time
For who knows how my love grows?
And who knows where the time goes?



***




 ~ Rust zacht, Alexandra ~


Huub Drenth
 

* Zie ook mijn post van 2 november 2019 die ik schreef naar aanleiding van het overlijden van Joop Boer.


zondag 22 december 2019

May Khoen's voorouders ~ deel 4

 

 

Het is vandaag 22 december, precies een half jaar nadat ik begonnen ben met deze blog. Toen was het midzomer en nu is het midwinter. Ik voeg er nog steeds heel regelmatig nieuwe posts aan toe en het is mijn intentie om daar het komende jaar gewoon mee door te gaan. IJs en weder dienende. HD

 

Hoe de bloedlijnen Oey en Ko elkaar kruisten

Wat May Khoen's stamboom betreft ben ik inmiddels aangekomen bij de lijn van haar moeder, Betty Oey Kiem Lian, waarvan hierboven een weergave uit May Khoen's site op MyHeritage te zien is (klik op de afbeelding). Deze lijn is, wat mij betreft althans, interessanter dan die van haar vader, simpelweg omdat ik er tot op heden veel meer informatie over tegengekomen ben tijdens mijn onderzoekingen naar May Khoen's familiegeschiedenis.


Oei Tiong Ham   1866 - 1924

Zo ontdekte ik bijvoorbeeld dat haar overgrootvader Ko Djie Soei, eind negentiende/begin twintigste eeuw, een belangrijke positie innam in het handelsimperium van Oei Tiong Ham, verreweg de rijkste zakenman van heel Zuidoost Azië in die tijd. Ook kwam ik er op een gegeven moment achter dat haar andere overgrootvader in deze lijn, te weten Oey Tjien To, soms eveneens een prominente rol speelde in het behartigen van de belangen van Oei Tiong Ham. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat beide mannen elkaar in die (Semarangse) setting hebben leren kennen en het klaarblijkelijk zo goed met elkaar konden vinden, dan wel zodanig grote gezamenlijke economische belangen hadden, dat ze op een gegeven moment besloten hebben om hun kinderen aan elkaar uit te huwelijken. Dit had tot gevolg dat de (enige) twee kinderen van Oey Tjien To in 1921 in het huwelijk traden met twee (van de in totaal vijftien) kinderen van Ko Djie Soei. Om precies te zijn: dochter Corry Oey trouwde met Ko Hong Liem en zoon Willy Oey met Nel Ko Kiong Nio. Uit deze laatste verbintenis werd May Khoen's moeder geboren.*1

Dergelijke 'dubbelhuwelijken' kwamen vaker voor tussen peranakan-Chinese families, dus heel bijzonder was dit op zich niet (zie ook mijn post van 12 augustus jl). Wel bijzonder is het gegeven dat Oey Tjien To, die immers 'maar' twee kinderen had, zijn beíde kinderen liet 'introuwen' bij een en dezelfde familie. Zoveel waarde hechtte hij kennelijk aan een sterke band met de familie Ko. Voor Ko Djie Soei lag het vermoedelijk anders, hij was al enigszins op leeftijd en zag het waarschijnlijk als een belangrijke plicht om ook voor zijn jongste kinderen goede echtverbintenissen te arrangeren als ze eenmaal de huwbare leeftijd bereikt hadden. Op 10 april 1922 overleed hij. Hij was toen bijna 63 jaar.


Ko Djie Soei    1859 - 1922                 Oey Tjien To   1885 - 1947

©Huub Drenth


*1 Zie ook mijn post over Willy Oey van 16 september 2019.


Dit was deel 4 van May Khoen's voorouders.

Zie voor deel 3: https://maykhoentan.blogspot.com/2019/12/may-khoens-voorouders-deel-3.html

Zie voor deel 5: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/03/may-khoens-voorouders-deel-5_11.html


vrijdag 20 december 2019

Sainkho - Dance of Eagle





Tuva, Troms en Nordland

Sainkho Namtchylak leerde ik kennen door mijn vriend Adrie Snoek met wie ik in de jaren zeventig in Groningen culturele antropologie studeerde. Hij beschikte over een grote verzameling 'moderne wereldmuziek' en wist dat ik zeer geïnteresseerd was in Siberisch/Arctisch sjamanisme, zodoende kreeg ik twintig jaar geleden een exemplaar van Sainkho's cd Out of Tuva van hem cadeau. Door hem raakte ik ook bekend met de joik-achtige liederen van de Samische zangeres Mari Boine, eveneens iemand waarvan ik nog nooit had gehoord.

Adrie en ik waren in 1978 beiden in het noorden van Noorwegen om onderzoek te doen bij de Sámi (Lappen), hij in de provincie Troms en ik in Nordland. Later wisselden we nog wel eens wat zinnen in het Noors met elkaar uit, als dat zo te pas kwam of gewoon voor de lol. Ook na de studie hielden we contact, zij het veel minder frequent dan voorheen. Adrie was een zeer aimabel en intelligent mens, met een grote kennis van literatuur en poëzie, maar ook met een niet altijd even gemakkelijk liefdesleven. Op 13 oktober 2011 is hij aan kanker overleden, hij was toen pas 59. Maaike, zijn ex en grote liefde, is die laatste weken 's nachts niet meer van zijn zijde geweken en ongetwijfeld heeft hem dat veel rust gegeven.

Dit nummer van Sainkho, afkomstig van de cd Stepmother City (zie YouTube), hebben May Khoen en ik samen uitgekozen om op haar uitvaart ten gehore te brengen. Wat Sainkho, afkomstig uit Tuva en opgeleid aan het conservatorium in Moskou, precies zingt heb ik tot op heden niet kunnen achterhalen maar wel heb ik er altijd veel troost en energie uit geput. En dat lijkt me zonder meer in lijn met zowel de sjamanistische traditie als met Adrie's ideeën over de functie en betekenis van muziek.

©Huub Drenth




Sainkho Namtchylak is an experimental singer, born in 1957 in a secluded village in the south of Tuva. She is proficient in overtone singing; her music encompasses avant-jazz, electronica, modern composition and Tuvan influences. In Tuva, numerous cultural influences collide, (...) All of these, to extents, impact on Namtchylak's voice, although the Siberian influences dominate: her thesis produced while studying voice, first at the University of Kyzyl, then in the Gnesins Institute in Moscow during the 1980s focussed on Lamaistic and cult musics of minority groups across Siberia, and her music frequently shows tendencies towards Tungus-style imitative singing.

Sainkho claims that music and spirituality are related by desire, or the tension that yells to reawaken people. Eager to take part in the process of remembering what has been forgotten, Stepmother City presents itself like a map, proposing routes to connect Western physicality with Eastern spirituality (Wikipedia).


 Adrie Snoek 1952 - 2011



zondag 8 december 2019

May Khoen's voorouders ~ deel 3




Sih Khay Hie en Liem Kiem Hong Nio

In bovenstaande afbeelding valt de verwantschapslijn te zien van May Khoen naar Sih Khay Hie (1851 - 1936) en Liem Kiem Hong Nio (1864 - 1935), via haar vader Tan Swie Tong, haar grootmoeder Oei Mien Nio en haar overgrootmoeder Sih Ing Nio. Sih Khay Hie en Liem Kiem Hong Nio zijn dus haar betovergrootouders (waarvan ieder mens er zestien heeft). Gezien het geboortejaar van May Khoen's vader, 1926, en het sterfjaar van beide voorouders, respectievelijk 1936 en 1935, ligt het voor de hand dat ze elkaar ontmoet hebben, temeer omdat ze allen in Semarang woonden en er in Chinese families groot belang werd gehecht aan respect voor de oudere generaties. Helaas ontbreekt daarover tot op heden echter elke informatie, simpelweg omdat daar nooit mededelingen over zijn gedaan door May Khoen's vader.

Sih Khay Hie werd geboren in China (Changtai, Fujian) en is in 1878 per schip, via Singapore, naar Semarang gereisd. Daar trad hij in dienst bij Tan Theng Tjhiang, een neef met een warung/zaak in textiel, en trouwde omstreeks 1880/81 met Liem Kiem Hong Nio, een dochter uit een welvarende Semarangse peranakan-familie. Ze kregen vijf kinderen waarvan Sih Ing Nio, May Khoen's overgrootmoeder, de oudste was. Zij werd geboren in 1882, hetzelfde jaar als waarin Sih Khay Hie zelfstandig ondernemer werd in Gang Warung, de hoofdstraat van de Chinese wijk in Semarang. Ook hij handelde in textiel en was daarin, ondanks economisch soms moeilijke tijden, zeer succesvol.




Sih Khay Hie, een firma en een familie

Over Sih Khay Hie is veel bekend omdat zijn achterkleindochter (Dr.) Patricia Tjiook-Liem een boek over hem geschreven heeft (verkrijgbaar in het Nederlands en Engels). Patricia stamt af van Sih Tiauw Hin, een jongere broer van May Khoen's voormoeder Sih Ing Nio, en bovendien de zoon die de onderneming van z'n vader tot nog grotere bloei wist te brengen nadat hij op een gegeven moment de leiding overgenomen had. Ook hiervan doet Patricia uitgebreid verslag. Om het boek te kunnen schrijven is ze in de Semarangse (familie)archieven gedoken, heeft ze tal van familieleden geïnterviewd en is ze bovendien naar China gereisd om de geboortegrond van Sih Khay Hie te bezoeken. Zij heeft haar onderzoek, en ook de weergave ervan, op een zeer gedegen en integere manier uitgevoerd, hierin voortdurend bijgestaan door haar dochter Mei Lan Tjiook.*1

Patricia Tjiook-Liem is de eerste persoon die ik bij mijn naspeuringen tegengekomen ben die een enigszins 'inleefbaar' beeld weet te schetsen van de verhoudingen binnen een peranakan-Chinese handelsfamilie, zoals die bestonden in de laatste zeventig jaar van de koloniale tijd en de eerste decennia van de onafhankelijke Republik Indonesia. Haar boek is zeer de moeite van het lezen waard en ik beveel het dan ook aan eenieder aan die een dieper inzicht wil verwerven in de Javaanse (Semarangse) peranakan-cultuur gedurende die specifieke periode van de geschiedenis.

Hier volgt een beschrijving van de inhoud van het boek, zoals weergegeven op de website van wetenschappelijke uitgeverij Brill N.V.: *2 

Sih Khay Hie (1851-1936), the great-grandfather of Patricia Tjiook-Liem (1939), who earned a Ph.D with a study on the legal position of the Chinese in colonial Indies, emigrated from mainland China to Semarang in 1878. He embarked on a long and successful career as a trader, first in textiles, later as an intermediate trader. His son Sih Tiauw Hin (1886-1964) next contributed to the growth of the firm, until war and anti-Chinese policies of independent Indonesia caused its downfall and ultimately its liquidation in 1970. The extended family of progenitor Sih Khay Hie then dispersed to Singapore, the Netherlands, United States, and Canada. Tjiook-Liem has recorded the history of family and firm on the basis of family documents and interviews. She follows the ups and downs of the firm, embedded in the general history of Chinese entrepreneurship in the Indies. Next she relates the specific Sih ancestor worship, with temples, altars, and artefacts still kept and venerated in Semarang and China. Her own personal memories of her forebears supplement this well-illustrated book, interesting as a rare insider's case-study, with 169 footnotes. Its publication is also part of an effort to document the history of the Chinese in Indonesia, for which the Chinese Indonesian Heritage Center was founded, and in which KITLV is also involved.*3



Patricia Tjiook-Liem: Sih Khay Hie, een firma en een familie. Amsterdam 2015


©Huub Drenth


*1 Ga voor de uitleg van haar aanpak naar De familiegeschiedenis als erfgoed op Docplayer. Zie voor meer informatie over Patricia Tjiook-Liem, en het CHIC waarvan zij mede-oprichter is, mijn post van 26 januari 2023

*2 https://brill.com/view/journals/bki/171/4/article-p599_19.xml?lang=en

*3 KITLV: Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde

 

Sih Ing Nio

donderdag 5 december 2019

Got the picture?





Piet

Deze foto is me zeer dierbaar. Hij is begin december 2007 door Kris Elzer gemaakt in de foyer van de Groningse Schouwburg, waar May Khoen werkzaam was als assistent van programmeur René van der Pluijm. Het was tijdens de pauze van een voorstelling. De landelijke Zwarte Pieten-discussie bestond toen nog niet, al waren er, her en der in de samenleving, onderhuids wel spanningen voelbaar vanwege het feit dat Zwarte Piets verschijning heel sterk refereert aan het koloniale verleden van Nederland, en dan met name aan de tijd van slavenhandel en slavernij. Bovenstaande Piet getuigt, weliswaar nog op een zeer symbolische manier, in zekere zin ook al van dat spanningsveld.

Persoonlijk vind ik het geen ramp als Zwarte Piet een andere kleur krijgt of als Sinterklaas ook van het vrouwelijk geslacht blijkt te kunnen zijn. Je kunt kinderen immers alles wijsmaken. Ik vind het veel belangrijker dat het feest blijft bestaan en geen plaats hoeft te maken voor de volkomen kleurloze figuur van de (Amerikaanse) kerstman.

©Huub Drenth