zaterdag 30 november 2019

De slag om Semarang




Bersiap

Op 15 augustus 1945 capituleert Japan en komt er een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Dit betekent echter niet dat er op dat moment ook een einde aan de vijandelijkheden in de Indische archipel komt.

Nadat Japan op 15 augustus 1945 gecapituleerd had riepen Soekarno en Hatta op 17 augustus de Republik Indonesia uit. Maar de nieuwe republiek wordt niet door Nederland erkend. De koloniale autoriteiten proberen hun macht te herstellen, maar de komst van geallieerden en Nederlanders laat op zich wachten. Indonesische strijdgroepen die voortkomen uit jeugdbewegingen (pemuda’s) proberen er, desnoods met geweld, voor te zorgen dat Indonesiërs de bestuurlijke en militaire leiding van de Japanners kunnen overnemen. De bloedige Bersiap-periode (Bersiap = ‘wees paraat’ in het Indonesisch) duurt tot het voorjaar van 1946. Het mondde uit in een uiterst gewelddadige revolutionaire explosie, een poging tot een vernietigende afrekening met alles wat zweemde naar enige vorm van buitenlands gezag, of dat nu Japans, Brits of Nederlands was. Het was volstrekt duidelijk: het koloniale tijdperk behoorde, wat de Indonesiërs betrof, definitief tot het verleden.

 

Semarang 3 oktober 1945.
Semarang

Semarang vormde in de laatste maanden van 1945 een brandpunt van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Die strijd richtte zich in eerste instantie vooral tegen de Japanners en later ook tegen de Britten.

Op woensdag 15 augustus werd ook in Semarang het nieuws bekend dat Japan de wapens had neergelegd. Enkele dagen later – op vrijdag 17 augustus – werd in Batavia (nu: Jakarta) de onafhankelijke Republik Indonesia uitgeroepen. De voorbereidingen voor de onafhankelijkheid waren al tijdens de Japanse bezetting in gang gezet. Japan had de Indonesische bevolking namelijk beloofd dat ze in de toekomst onafhankelijk zouden worden.

In Semarang was vooral de strijdlust onder de jonge Indonesiërs groot. Een klein deel van het Japanse leger bleef daarom in Semarang om voor de veiligheid van de Nederlanders in de kampen te zorgen. Die moesten daar voorlopig blijven. Alleen de Indische Nederlanders mochten naar huis. Iedereen verwachtte dat de Nederlandse regering weer de baas zou worden op Java. De Indonesische bevolking liet echter merken dat zij daar tegen was. Zo werd bijvoorbeeld het hijsen van de Nederlandse vlag ter gelegenheid van Koninginnedag (31 augustus) in Semarang verboden. In de stad werden anti-Nederlandse pamfletten verspreid. Tijdens massabijeenkomsten van vele duizenden jonge Indonesiërs werd gedemonstreerd tegen de Nederlanders, zowel in als buiten de kampen. De Japanse militaire politie probeerde de menigte rustig te houden. Maar de strijdlustige jonge rebellen (pemuda’s) kregen steeds meer invloed. Bij een overval op een Japanse vrachtauto maakten zij een grote hoeveelheid wapens en munitie buit. Daarmee wilden ze vechten tegen de Japanners, de Britten en de Nederlanders.



Vijf dagen strijd

De toestand in Semarang werd steeds onveiliger voor met name de Nederlanders die buiten de kampen woonden. De Japanners probeerden met geweld de Indonesische strijdgroepen te verdrijven uit de wijken waar Nederlanders woonden en waar interneringskampen met Nederlanders waren. De rebellen op hun beurt hielden voedseltransporten tegen, bestemd voor de Nederlanders in de kampen en die daarbuiten woonden. Het gerucht ging dat alle buiten de kampen verblijvende Nederlandse mannen en jongens gearresteerd zouden worden.

Op zondag 14 oktober begonnen de pemuda’s een gewapende actie om de wapens van de Japanners in handen te krijgen. Die gevechten duurden tot en met vrijdag 19 oktober. Deze ’Slag om Semarang’ wordt ook wel de ’Vijfdaagse Strijd’ genoemd. Ongeveer 1200 buiten de kampen verblijvende Europeanen werden door Indonesische politieagenten en pemuda’s gevangen genomen. Zij werden later heelhuids weer vrijgelaten. Maar ongeveer 100 Japanse gevangenen bleken door de pemuda’s op gruwelijke wijze te zijn vermoord. Het Japanse leger nam wraak door veel Indonesiërs te executeren. Enkele dagen later werden achter een kantoorgebouw nog eens 75 vermoorde Japanners aangetroffen. Ze waren met benzine overgoten en in brand gestoken. Op 19 oktober ten slotte hadden de Japanners de stad weer in handen. De strijd had aan ongeveer 150 Japanse soldaten en ongeveer 300 Indonesiërs het leven gekost. Op diezelfde vrijdag 19 oktober gingen ’s morgens vroeg de eerste Britse troepen in Semarang aan land. Het waren ongeveer 800 Gurkah’s (Brits-Indische militairen). Zij moesten de orde en rust in Semarang herstellen en de interneringskampen bewaken.

Bronnen:
mr. Han Bing Siong: Geschiedenis van de Vijfdaagse Strijd in Semarang 14-19 oktober 1945, 1995
drs. J.G.L. Palte/drs. G.J. Tempelman: Indonesië, 1978, Semarang.nl, Wikipedia en Tweede wereldoorlog.

Tekst: https://www.s-i-d.nl/bersiap/


 

MSN Nieuws, 17 februari 2022:

Bij 'Bersiap' zijn volgens onderzoekers zesduizend doden gevallen

Bij het geweld tegen Nederlanders, Ambonezen en anderen gepleegd door Indonesische nationalisten tijdens de zogeheten 'Bersiap' in 1945 en 1946, zijn zesduizend mensen omgekomen. Dat blijkt uit een onderzoek naar de gewelddadigheden in Indonesië dat deze donderdag wordt gepresenteerd.

Na de Japanse capitulatie op 17 augustus 1945 kwam het tot gewelddadigheden van Indonesische nationalisten tegen Nederlanders en Indische Nederlanders die waren bevrijd uit de Japanse interneringskampen. Deze periode, die duurde tot de komst van Nederlandse troepen in maart 1946, wordt in Nederland de 'Bersiap' genoemd.

Het getal zesduizend is veel lager dan recente schattingen die uitkwamen op twintig- tot dertigduizend doden, maar die nu worden tegengesproken. Hierbij was volgens de onderzoekers sprake van "weinig onderbouwde" aannames.

"Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het aantal doden veel hoger is geweest," lichtte een van de betrokken onderzoekers toe tijdens de presentatie van het rapport.

Term 'Bersiap' is omstreden

De onderzoekers baseren hun cijfers niet alleen op gegevens van de Oorlogsgravendienst, maar ook op rapporten van de Opsporingsdienst Overledenen en andere gegevens uit Nederlandse archieven en kranten.

In 1947 werd een eerste schatting gemaakt van 3.500 doden, maar dat ging toen alleen om Nederlanders en Indo-Europeanen. In het huidige onderzoek worden ook 226 Molukkers, 48 Chinezen, 93 Menadonezen, 15 Timorezen en 168 Indonesiërs meegerekend.

In 1949 werden naast de doden ook tweeduizend vermisten meegeteld. De onderzoekers gaan ervan uit dat al die vermisten zijn omgekomen. Daarnaast worden 125 omgekomen personen meegeteld die opduiken in de archieven, maar daarin geen overlijdensdatum hebben.

De term 'bersiap' is omstreden. Het betekent letterlijk: sta paraat. Gastcurator Bonnie Triyana, betrokken bij de tentoonstelling Revolusi! die op dit moment in het Rijksmuseum is te zien, zei tegen NRC dat het woord "niet geheel vrij is van rassenhaat", omdat "bij het begrip 'bersiap' altijd primitieve, ongeciviliseerde Indonesiërs als daders van de gewelddadigheden worden opgevoerd".




maandag 25 november 2019

Louis Oey en Lena Liem




Wie is precies wie

Dit is een zeer interessante foto. En wel omdat er drie generaties van May Khoen's 'Semarangse' familie op te zien zijn. Het betreft hier de verloving van (Helena) Liem Lena Nio en (Louis) Oey Oen Liong, de broer van May Khoen's moeder Betty Oey. Het jonge stel zit in het midden, geflankeerd door hun moeders (r) en grootmoeders (l) die, saillant detail, bijna allemaal weduwe zijn.

De foto is waarschijnlijk genomen op zaterdag 14 of zondag 15 augustus 1948, dus in de woelige tijd van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, een strijd die zich voor een groot deel op Java afspeelde. Louis en Lena zijn op 14 augustus 1949 getrouwd, in de St. Jozefkerk te Semarang. Hun eerste kind, Tiong To (Franky), werd geboren op 30 mei 1950. Later kregen ze ook nog vijf dochters. Ze zouden altijd in Semarang blijven wonen.

De vrouw naast Lena is haar moeder Tan Nomer Nio. De oudere dame helemaal links is waarschijnlijk de moeder van Lena's moeder, ze lijken namelijk erg veel op elkaar. Meteen daarnaast zit Louis' grootmoeder van vaders kant. Zij heet Liem Ko(tjie) Nio en is de weduwe van zijn grootvader Oey Tjien To die in december 1947 overleden is, dus nog niet zo lang daarvoor. Naast haar, met bril, zit Lie Hiang Nio, Louis' grootmoeder van moeders kant. Zij is in 1878 in Djokjakarta geboren en sinds 1922 de weduwe van grootvader Ko Djie Soei. Ze was zijn derde vrouw en bijna twintig jaar jonger dan haar echtgenoot.

Lie Hiang Nio, of janda/weduwe Ko Djie Soei, is de moeder van Louis' moeder, (Nel) Ko Kiong Nio, die helemaal rechts zit, dus naast de moeder van Lena. Nel is de weduwe van Willy Oey, de vader van Louis en Betty die in 1928 zelfmoord pleegde, en dus de oma van May Khoen. In mei 1952 vertrok ze naar Nederland en maakte vervolgens bijna twintig jaar deel uit van het gezin van haar dochter Betty en haar schoonzoon Tan Swie Tong. In juli 1971, minder dan een jaar na de dood van haar dochter, betrok ze een flatje in Buitenveldert, op instigatie van haar schoonzoon. In januari 1999
overleed ze in verzorgingshuis Brentano te Amstelveen, ze was toen bijna 94. Voor emak/mááh/oma Oey Tjien To (Liem Ko Nio) namen Louis en Lena de zorg op zich. Zij stierf in 1974 op 87-jarige leeftijd bij hen thuis in Semarang.


De Locomotief, 16 augustus 1948.

De culturele setting

Louis is opgegroeid in het huis van zijn grootvader Oey Tjien To. Zowel in Krengseng, een streek/dorp ten westen van Semarang, als later ook in deze stad zelf. Vanzelfsprekend samen met zijn moeder en zusje. Na de dood van zijn vader Willy Oey in 1928 (en zijn grootvader Oey Tjien To in 1947) was hij de stamhouder want broers had hij niet. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat er enige druk op hem is uitgeoefend om te gaan trouwen, teneinde de mannelijke lijn voort te zetten
. Dat Liem Ko Nio, de grootmoeder die hem mede heeft opgevoed, op deze 'staatsiefoto' niet naast hem zit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de andere grootmoeder een hogere leeftijd heeft en daardoor meer respect geniet.*1

Op de foto staan wel grootmoeders maar geen grootvaders, de man links is Lena's vader, Liem Kien Ien/Liem Kim In. Naast hem staan (Betty) Oey Kiem Lian en (Max) Tan Swie Tong, May Khoen's ouders. De priester is waarschijnlijk een jezuiet die verbonden is aan de St. Jozefkerk in Semarang, waar een jaar later het huwelijk ingezegend zou worden. De twee meisjes zijn ongetwijfeld zussen van Lena. En de jongeman helemaal rechts een broer of de verloofde van een van de twee.

Het uitstallen van de gekregen bloemstukken op foto's als deze was gebruikelijk bij peranakan-Chinezen. Je ziet het ook bij bruiloften en begrafenissen. Aan de kleding is goed te zien dat de peranakan-cultuur op Java inmiddels een belangrijk veranderingsproces doorgemaakt heeft, aangezien jonge vrouwen inmiddels allemaal westerse kleding dragen. Voor de Tweede Wereldoorlog was dat namelijk, in die mate, nog niet het geval. Toen droegen vrouwen vaak nog sarong en kabaja, zeker bij gelegenheden als deze. De twee moeders rechts van het verloofde stel hebben dus duidelijk verschillende keuzes gemaakt wat betreft modern of traditioneel.



De Locomotief, 12 augustus 1949.


©Huub Drenth

*1 Anciënniteit is een aspect dat in Chinese familieverhoudingen tot op de dag van vandaag een zeer belangrijke rol speelt. Ook in veel andere culturen is dat trouwens zo.


zondag 10 november 2019

De hemelpoort





May Khoen, januari 1977.

Pro Civibus

Woensdag 10 november 1926 werd May Khoen's vader geboren. In Semarang, op Java. Als tweede telg in een gezin dat uiteindelijk negen kinderen zou tellen. Vier jongens en vijf meisjes. Meer informatie over die gezinssituatie, afgezien van de namen, heb ik eigenlijk niet. Ik ken dus geen verhalen.

De eerste keer dat ik Khoen's vader zag was halverwege mei 1977. Een paar weken eerder was Khoen in het academisch ziekenhuis opgenomen omdat haar nieren het plotseling hadden laten afweten. Hierdoor had zich veel vocht in haar lichaam opgehoopt en door de doktoren werd naarstig naar een oplossing gezocht.*1 Khoen's vader was apotheker, dus een leek op medisch gebied was hij bepaald niet. Hij zal daarom wel enig idee hebben gehad wat er aan de hand was en hoe dat eventueel af kon lopen. Toch had hij niet eerder de moeite genomen om zijn dochter te bezoeken. Hetgeen, achteraf gezien, een belangrijk voorteken bleek te zijn van wat er allemaal nog zou volgen, door de jaren heen. Op het gebied van 'nalatigheid', bedoel ik.

Ik herinner me dat die bewuste dag zo'n beetje Khoen's hele klas van de kunstacademie zich om haar bed verzameld had. Dat gebeurde wel vaker want Khoen's ziekenhuiskamer had zich al snel ontwikkeld tot een soort ontmoetingsplek voor haar medestudenten. Dit omdat ze al een tijdje geen reguliere les meer kregen - aangezien ze in de eindexamenfase zaten - en de kunstacademie geen hoofdgebouw met een kantine had. En nu was Khoen's vader er dus ook en had hij zelfs haar zusje Xenia van elf meegenomen. Wat een verrassing! Hij was zonder meer een charmante man, dat vond iedereen, en Khoen straalde helemaal.

Ik weet niet meer hoe lang hij daar toen precies aanwezig is geweest maar langer dan drie kwartier zal het niet geduurd hebben. Op een gegeven moment stond hij op en werd er afscheid genomen, zowel van Khoen als van de groep. De veerboot van Puttgarden naar Rødby moest namelijk gehaald worden. Of was het die van Travemünde naar Trelleborg? Want wat bleek: hij was op doorreis naar Stockholm, waar Khoen's zus Ling woonde, en had het bezoek aan z'n zieke dochter als een soort van tussenstop gebruikt. En natuurlijk ook om zich op op de hoogte te stellen van het een en ander. Hij kon met een gerust hart van een korte vakantie in Zweden gaan genieten want Khoen bleek een ziektekostenverzekering te hebben. Bij Pro Civibus, om precies te zijn. Dat was namelijk zijn vrees geweest: dat ze niet verzekerd was en dat hij voor de kosten zou moeten opdraaien.*2 Opgelucht vertrok hij dus weer, samen met de toen nog heel schuchtere Xenia.


May Khoen en haar vader, de allerlaatste ontmoeting,
 Den Haag - zaterdag 12 juli 2008.

The absent father

Die zomer heeft Khoen haar vader niet meer gezien. Op de terugweg vanuit Zweden heeft hij, vanaf Hamburg, de route via Enschede naar Amsterdam genomen. Die was korter, denk ik. Ook schreef hij geen kaartjes en telefoneerde hij nooit met haar gedurende de vijf maanden dat ze opgenomen was. En eerlijk gezegd vond ze dat de gewoonste zaak van de wereld. Ikzelf vond zijn gedrag wel bijzonder vreemd maar ik ging ervan uit dat mijn visie op die gang van zaken mogelijk met 'etnocentrisme' en 'het niet respecteren van cultuurverschillen' te maken had. Ik studeerde culturele antropologie en wilde me beslist niet branden aan etnische vooroordelen. En al helemaal niet aan discriminatie. Zo gaat dat kennelijk bij Chinezen, besloot ik dus maar om van het dilemma af te zijn. Dat hij zich simpelweg nooit door morele of ethische codes, laat staan door empathische gevoelens, liet leiden ging op dat moment zowel mijn voorstellings- als bevattingsvermogen nog te boven.

Na die eerste keer in het ziekenhuis heb ik Khoen's vader nog drie keer ontmoet. En dan heb ik het over een tijdsbestek van bijna veertig jaar. 'Ontmoet' is eigenlijk een te groot woord, ik kan beter zeggen dat ik nog drie keer met hem in dezelfde ruimte heb verkeerd, altijd in situaties met andere mensen. Tot een echt gesprek is het al die keren niet gekomen, het bleef bij het uitwisselen van plichtplegingen, 'persoonlijk' werd het derhalve nooit. Ook toen hij wist dat Khoen ging sterven liet hij niets van zich horen. Mijn 'schoonvader' zou ik hem dus beslist niet willen noemen, daarvoor is hij in mijn ogen, qua emotionele ontwikkeling, altijd te veel een narcistische kleuter gebleven - dus een uitgesproken egocentrisch persoon met beperkte communicatieve vaardigheden en een, per definitie, nog(al) gebrekkige gewetensfunctie. Iemand, kortom, die niet bepaald op een betrokken manier op de medemens gericht is, zelfs niet op z'n eigen kinderen en kleinkinderen (in een volgende post zal ik hier eventueel nog wat uitgebreider op ingaan).


Berlijn, 9 november 1989.


De muur

Gisteren precies dertig jaar geleden viel de Berlijnse Muur. Aan knechting, intimidatie en vernedering kwam een einde en de bevolking van Oost-Berlijn stormde uitgelaten de vrijheid tegemoet. De hemelpoort, zo noemde iemand in een documentaire op tv de grensovergang naar West-Berlijn die plotseling wagenwijd open stond. Vreemd genoeg moest ik daardoor aan May Khoen's vader denken. Hij is inmiddels 93 en begint enigszins aan vergeetachtigheid te lijden. Veel van de pijnlijke gebeurtenissen uit het verleden herinnert hij zich daardoor waarschijnlijk niet meer. Ze zijn uitgewist. Voorgoed. De hemelpoort is dus in zekere zin ook voor hem opengegaan. Maar of die regeling na de 'absolute Wende' ook nog geldt zal, met name in religieuze kringen, altijd wel een onderwerp van discussie blijven.


©Huub Drenth

 

*1 Dat deze opeenhoping van vocht al een tijdje gaande was bewijst de foto aan het begin van deze post, daterend van januari 1977. May Khoen's gezicht en arm zijn duidelijk opgezwollen.

*2 Toen May Khoen's moeder in 1970 ernstig ziek werd, en op een gegeven moment in het ziekenhuis opgenomen moest worden, bleek dat ze niet verzekerd was. Dat vertelde May Khoen mij eens. De ziekenhuiskosten liepen niet torenhoog op omdat ze al vrij snel overleed. Was dat niet het geval geweest dan zou haar vader mogelijk failliet zijn gegaan.

zaterdag 2 november 2019

Joop ging dromend van ons heen





Plotseling

Vorige week vrijdagavond laat, dus nog net op 25 oktober 2019, ontving ik het bericht dat onze vroegere buurman Joop Boer was overleden. Dat schreef een uitvaartbegeleidster in een email maar over de toedracht van zijn overlijden ontbrak elke vorm van informatie. De volgende dag nam ik contact op met een goede vriendin van hem in Groningen en zij wist me te vertellen dat Joop in de nacht van donderdag 24 op vrijdag 25 oktober was overleden in z'n slaap. Dat was best wel schrikken want ik kende Joop alleen maar als een sterke en gezonde kerel. Bovendien was hij pas 74 en dat is nou niet bepaald stokoud. Toen zijn vriendin Alexandra, tot haar grote ontsteltenis, merkte dat hij niet meer ademde had ze hem nog proberen te reanimeren maar helaas had dat niet meer mogen baten.

Afgelopen maandag, 28 oktober, heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben ik naar De Steeg afgereisd, want daar wonen ze. Eenmaal ter plekke aangekomen heb ik een tijd naast Joop gezeten die in de woonkamer lag opgebaard. Niet in een kist maar gewoon op bed. Hij zag er zeer vredig uit, het was net alsof hij sliep. Alexandra heb ik niet gezien. Ze was er wel maar kon het niet aan om bezoek te ontvangen, zo in shock was ze. Met de vriendin die de honneurs waarnam heb ik een poos over Joop zitten praten. En ook over Alexandra natuurlijk (over wie ze zich grote zorgen maakte). Na ongeveer een uur ben ik weer gegaan.

 


Joop en May Khoen, 27 oktober 1979.


Activist en veganist

Bioloog Joop Boer/joop boer (zelf schreef hij zijn naam altijd met kleine letters) was zonder meer een bijzonder mens. Nog een idealist van de oude stempel, zou je kunnen zeggen. Full time milieuactivist en veganist, lang voordat dat mode werd. In die kringen kende dan ook iedereen zijn naam, van Den Helder tot Maastricht. Een mensheid die zorg draagt voor de aarde, dat was zijn grote droom. Vurig, integer en bescheiden, zo zou ik hem willen definiëren. Iemand met een gigantisch doorzettingsvermogen in alles wat hij ondernam en bovendien wars van elke vorm van bekeringsdrang.

Voor May Khoen vormde Joop een rots in de branding omdat het zo totaal vanzelfsprekend was dat hij haar buurman was. Ruim veertig jaar heeft ze hem gekend. Ik ontmoette hem een paar jaar later maar uiteindelijk is hij net zo lang in mijn leven geweest. Toen hij in 2011 besloot om te verhuizen naar De Steeg, waar Alexandra woonde, voelde dat voor ons beiden als een amputatie. Immers: nooit zou zijn typische stemgeluid nog klinken in de straat, nooit meer de geur van zijn houtkachel tussen de huizen hangen, nooit meer zijn fietskar voor de deur staan, en last but not least: nooit zouden we ons nog beschermd voelen door zijn zo vertrouwde aanwezigheid.

 

 Wij en Joop, 19 september 2015.


Een aandenken

In september 2015 gaf hij in De Steeg een feest omdat hij zeventig werd, daar zijn we samen nog naartoe geweest. Ook liet hij ons toen z'n grote moestuin zien, pal tegenover hun huis. Want uiteraard teelde hij nog steeds al z'n groente zelf, net zoals z'n fruit. Samen met Alexandra. Hij had het daar goed en ze woonden daar mooi, dus vol begrip reisden we die avond met de trein terug naar Groningen. Ik denk dat May Khoen wel een vermoeden had dat het waarschijnlijk de laatste keer zou zijn dat ze elkaar zagen want ze gaf hem een zelfgemaakt tiffany-lampje, met daarin een waxinelichtje, cadeau. Zodat hij aan haar zou blijven denken als ze er niet meer was. In die tijd deed ze dat wel vaker als iemand veel voor haar betekende. Amper negen maanden later was het al zover en op haar uitvaart waren hij en Alexandra vanzelfsprekend ook aanwezig.




Overal in Nederland heeft Joop zichtbare sporen achtergelaten in het landschap. En trouwens ook middenin de stad. Naast en tegenover ons/mijn huis staan twee bomen. Jaren geleden heeft hij die geplant en inmiddels torenen ze hoog boven alles uit. Dat aanplanten gebeurde illegaal maar het fleurde de straat meteen wel behoorlijk op. Inmiddels zijn ze door de gemeente geadopteerd en vormen ze ook na zijn dood een levende herinnering aan alles wat hij vertegenwoordigde en waarvoor hij streed.

Rust zacht, Joop.


©Huub Drenth


PS
1. Zie ook het In Memoriam voor Joop dat op 11 november 2019 in De Volkskrant verscheen: https://www.volkskrant.nl/mensen/joop-boer-1945-2019-was-actievoerder-en-tomeloze-minimalist~b31d4f2e/ 
2. Zie eveneens de necrologie over Joop die op 6 december 2019 in het NRC verscheen: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/12/06/hij-leed-onder-zijn-eigen-kennis-a3982944n
3. Zie ook mijn post van 24 december 2019, De stem van een duif geheten.

dinsdag 22 oktober 2019

House of Flying Daggers



 


De beelden en de muziek van deze clip zijn afkomstig uit de film House of Flying Daggers (2004). May Khoen hield erg van dit soort films, ook E.T., Harry Potter en In de ban van de ring konden op haar onverwoestbare jeugdige enthousiasme rekenen. De regisseur van de film is Zhang Yimou* en de muziek is gecomponeerd door Shigeru Umebayashi, die ook meewerkte aan films als In the Mood for Love (Wong Kar-wai, 2000) en A Single Man (Tom Ford, 2009).

HD


* Zie ook mijn post van 10 augustus 2019.


dinsdag 15 oktober 2019

Nog meer eigen familiegeschiedenis

 


Jan Welsman en Anna Ketting




In een vorige post had ik het erover dat er vroeger bij mijn vader thuis drie verschillende versies van het Nedersaksisch werden gesproken en dat dit, voor zover mijn vader zich dat kon herinneren, niet tot spraakverwarringen had geleid. Bij mijn moeder thuis werd door beide ouders wel min of meer hetzelfde dialect gesproken aangezien mijn opa uit Kampen kwam en mijn oma uit Zwolle. Johannes Cornelis (Jan) Welsman en Johanna Maria (Anna) Ketting heetten ze, respectievelijk geboren in 1892 en 1894. Ze trouwden in 1916. Toen ik op het Thomas à Kempislyceum in Zwolle zat kwam ik wel eens in een deel van de oude binnenstad dat 't Eiland heette en waarvan ik wist dat mijn oma daar geboren was. Maar ze was toen al overleden, zodoende heb ik haar nooit kunnen vragen waar precies. Die hele buurt is in de jaren zeventig gesloopt - ervoor in de plaats kwam een oerlelijk winkelcomplex - dus alle sporen van dat verleden zijn voorgoed uitgewist.

Mijn moeder kwam uit een gezin met acht kinderen en zes ervan waren meisjes. Ze waren daar op een heel andere manier katholiek dan bij mijn vader thuis. Hemel en hel, en dus ook het begrip 'zonde', speelden een belangrijke rol in de dagelijkse gang van zaken. Er werd gebeden en gebiecht dat het een lieve lust was. De opvoeding was streng en een van mijn tantes werd zelfs non. De Welsmannen waren oorspronkelijk uit West-Brabant afkomstig, misschien was dat de reden van al die devotie. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat mijn opa, die een erg strenge patriarch schijnt te zijn geweest, beslist wilde voorkomen dat een van zijn dochters ongehuwd zwanger zou raken. Want dat was toen zo'n beetje de grootste schande die er bestond. Onderstaande schoolfoto (fragment) dateert uit het midden van de jaren dertig. Het meisje links is mijn moeder Gerry Welsman en het meisje rechts is haar een jaar oudere zus Dinie, mijn latere tante Dien.




In tegenstelling tot die van vaderszijde heb ik mijn opa en oma van moeders-zijde, Jan en Anna Welsman, beiden wel gekend. Mijn oma leed aan een chronische nierziekte en was daardoor de laatste jaren van haar leven aan bed gekluisterd. Op zaterdagavond ging ik vaak naar haar toe om met z'n tweeën naar een cowboyserie te kijken. Ik zat dan naast haar bed. Het heeft decennia geduurd voordat ik besefte dat het bij haar waarschijnlijk meer om mijn jeugdig enthousiasme dan om die serie ging. Ze overleed in de zomer van 1963. Ik was nog maar net tien. Toen ze opgebaard lag, in een zijkamertje, wilde ik haar graag zien. Voor de laatste keer. Samen met mijn neefje Arnold en mijn tante Dien ben ik gaan kijken. Zij was de eerste dode die ik zag.

Mijn opa stierf in 1973. Hij heeft me geleerd hoe je een band moest plakken. Tante Dien, die altijd vrijgezel gebleven is, woonde bij hem in. Omdat hij overdag vaak alleen was ging ik 's middags wel eens bij hem langs om een kopje thee te drinken. Hij vertelde graag over vroeger en zodoende weet ik veel over de familie van die kant. Volgens hem was zijn grootmoeder van adel geweest maar was ze door haar familie verstoten en onterfd toen ze zich, vanwege een liefdesgeschiedenis, tot het katholicisme had bekeerd.*1 Ook was zijn vader eens naar het verre Breda afgereisd in verband met een nalatenschap.*2 De naam Welsman was afkomstig uit Engeland, zei hij, maar hoe het precies zat wist hij niet, dus dat moest ik maar eens uitzoeken.*3 Hij was werkzaam geweest bij een sigarenfabrikant en had jarenlang de functie van voorzitter van de plaatselijke vakbond bekleed. Zodoende had hij vaak vergaderingen in andere delen van het land moeten bijwonen. Meestal in Utrecht, geloof ik, maar het kan ook best zijn dat het Hilversum was. Daar mocht hij het eveneens graag over hebben.
  

Ik groeide op met de neefjes en nichtjes van moederskant. Die van vaderskant waren namelijk allemaal veel ouder. In de familie van mijn moeder vond er in de jaren vijftig een ware geboortegolf plaats. En veel van die kinderen zaten bij mij op school. Ik bedoel de jongens want de meisjes zaten op de katholieke meisjesschool. Op zondag, na de hoogmis, kwamen we allemaal samen in het huis van mijn opa en oma. Daar werd koffie gedronken en de preek besproken. En ook roddels uitgewisseld, natuurlijk. De kinderen speelden meestal buiten. Iets verderop lag een gracht met aan de overkant de oude gasfabriek. Daar is deze foto eind jaren vijftig genomen. Het jongetje rechts vooraan ben ik.   


©Huub Drenth


*1 De achternaam van mijn betovergrootmoeder was Van Detten van Limburg. Ik heb het uitgezocht: ze was niet van adel, in ieder geval niet meer officieel (dit had te maken met de reorganisatie van de adel door koning Willem I in 1814). Wel stamde ze af van Gelderse, Utrechtse en Hollandse (en ook belangrijke Duitse en Franse) adellijke geslachten, waarvan de lijnen teruggaan tot de twaalfde eeuw en (zelfs heel veel) verder. Of ze van protestants katholiek is geworden is niet geheel duidelijk, die gebeurtenis kan net zo goed in een latere generatie hebben plaatsgevonden. Haar ouders waren absoluut niet (meer) vermogend, het overgeleverde bericht over haar onterving is dus (waarschijnlijk) ook niet helemaal juist. Mogelijk heeft een ingrijpende nalatenschaps-kwestie wel gespeeld toen haar grootvader Jhr. Hermannus van Limburg (1713 - 1790) overleed. Een aantal losstaande historische gebeurtenissen hebben dus kennelijk een gemythologiseerde vorm gekregen en dat verhaal werd van generatie op generatie binnen de familie doorgegeven.
*2 Waarschijnlijk was dat naar aanleiding van het overlijden van een oom of tante van hem, want daar waren er begin twintigste eeuw nog drie van in leven. De laatste, zijn tante Anna, stierf in 1913.
*3 De naam Welsman is inderdaad van oorsprong een Engelse naam. Hij kwam onder meer voor in Breda maar is inmiddels in Nederland bijna uitgestorven. Zie ook: https://onzetaal.nl/taaladvies/wales-welsh-welshman


Wapen van het geslacht Van Limburg.



donderdag 10 oktober 2019

Soms loop ik door de Torenstraat


Roots
Ik heb het afgelopen half jaar veel onderzoek verricht naar het verleden van May Khoen's familie en kwam daardoor automatisch in mijn eigen herinneringen terecht. Dat werkte als een soort warm bad waar ik zo nu en dan emotioneel tot rust kon komen, moet ik eerlijk bekennen. Want ik besefte steeds meer dat alles wat ik had, aan roots en identiteit, voor May Khoen altijd terra incognita was geweest en dat dit behoorlijke impact op haar leven had gehad. Ze was opgegroeid zonder de aanwezigheid van familie (ooms, tantes, neefjes, nichtjes, enzovoort), zonder verhalen over voorouders, zonder enige regionale verbondenheid, zonder kerkhoven met overleden verwanten, zonder foto's of brieven, en zelfs zonder de vertrouwdheid van een vaste woonplaats (want voortdurend werd er verhuisd). Bovendien was haar moeder overleden toen zij zelf net achttien was. Alles wat ik volkomen normaal vond ontbrak bij haar. Ze wist werkelijk niets van haar eigen familiegeschiedenis en de personen die daar wel iets over hadden kunnen vertellen, zoals haar vader, moeder en oma, hadden het belang ervan nooit onderkend. Jullie zijn eigenlijk een soort bootvluchtelingen, had ik wel eens schertsend tegen haar gezegd, en pas nu voelde ik hoeveel pijn en isolement er in mijn woorden verscholen had gelegen.*1 HD




De Torenstraat

Ik woon in het centrum van Groningen en soms loop ik door de Torenstraat, want die ligt op de kortste route van mijn huis naar de Vismarkt. De Torenstraat is niet meer dan honderd meter lang, toch is het best wel een heel bijzondere straat want in die straat is mijn grootmoeder Tecla Wessels in 1872 geboren en heeft ze tot haar achtste jaar gewoond. Ik weet ook waar ongeveer: in het midden aan de linkerkant, vanaf de Munnekeholm gezien. In 1937 werd die huizenrij gesloopt en uit dat jaar stamt bovenstaande foto. De Torenstraat ligt dichtbij de synagoge en daarom woonden er, in de tijd dat mijn oma daar opgroeide, veel joden in deze buurt; met de kinderen daarvan zal ze dus wel gespeeld hebben. Op haar geboorteplek staat nu sociale woningbouw, driehoog en opgetrokken in rode baksteen, maar toch moet ik vaak aan haar denken als ik daar loop. En dat is best wel vreemd want ik heb haar nooit gekend, ze overleed drie maanden voor mijn geboorte, in december 1952.


Tecla Wessels



Mijn grootmoeder Tecla is de persoon links. Ze had vuurrood haar en gaf dat door aan verscheidene kinderen en kleinkinderen. Naast haar staat haar jongere zus Rika en op het bankje zit hun moeder Margaretha van Marm. De foto dateert van rond 1900. Overgroot-moeder Margaretha, die 'Ete' genoemd werd, is gekleed in Groninger klederdracht. Zij werd geboren in 1839 en stierf in 1913. Haar echtgenoot Harmen Wessels, smid bij de spoorwegen van beroep, overleed in 1892, dus was ze op dat moment al jaren weduwe. Tante Rika heb ik in levenden lijve ontmoet, ze was toen reeds ver in de tachtig en nagenoeg blind, en werd verzorgd in het Maria Pension, een bejaardentehuis in de binnenstad van Groningen. Zij leefde van 1877 tot 1967 en woonde een groot deel van haar leven in de Piet Heinstraat. Toevallig ligt die op steenworp afstand van waar ik woon, het is daarom niet onwaarschijnlijk dat ze honderd jaar geleden wel eens bij mij door de straat liep, op weg naar de stad of het station.


Berend Drenth 


Mijn grootmoeder Tecla was getrouwd met Berend Drenth. Hij was afkomstig uit Hijkersmilde, een buurtschap dat aan de Drentsche Hoofdvaart ligt. Als je langs de Wittewijk richting Appelscha rijdt kom je langs de plek waar hij in 1869 (!) werd geboren, niet ver van de grens met Friesland. Al op jeugdige leeftijd vertrok Berend uit Drenthe en belandde, via Winterswijk en Oldenzaal waar hij het vak van koperslager uitoefende, in Kampen waar hij een baan bij H. Berk & Zoon - toen nog lang niet de grote emaillefabriek die het later zou worden - had gevonden.

In 1894 trad hij in het huwelijk met Maria Johanna (Marie) Meulenbroek. Zij stierf kort na de geboorte van hun tweede kind en niet lang daarna heeft hij mijn Groningse grootmoeder ontmoet (mogelijk op de meikermis in Groningen die als een soort noordelijke koppelmarkt fungeerde). Met haar trouwde hij in 1900 en samen kregen ze elf kinderen, waarvan er negen volwassen werden. Mijn grootmoeder Tecla ging in Kampen wonen en dat zal niet gemakkelijk voor haar zijn geweest want ze kwam uit een veel 'wereldser' stad en een zeer hechte en warme familie, terwijl de sfeer in Kampen nogal achterdochtig en bekrompen was. Officieel heet ik Bernardus Hubertus Josephus, dus ik ben naar hem vernoemd. Hij overleed in 1955. De foto hierboven stamt uit 1896, hij was toen 27.




 

 

 

 

De Kerkstraat

Ik heb die beide grootouders nooit gekend maar wel was het huis waarin ze gewoond hadden me zeer vertrouwd. In mijn jeugd woonde daar namelijk tante Lies (1903 - 1975), een zus van mijn vader. Ze was nooit getrouwd en had altijd voor mijn grootouders gezorgd. Na hun dood was het interieur van de woning min of meer hetzelfde gebleven. Zij was zestien jaar ouder dan mijn vader, die de jongste was, en in feite had zij hem grootgebracht. Ik kwam als kind vaak bij haar over de vloer want ze woonde in de Kerkstraat, vlakbij de lagere school en de rooms-katholieke kerk. Kampen mocht dan in de loop der tijd misschien wel een streng calvinistisch bolwerk geworden zijn maar bij ons in de familie waren ze nog gewoon ouderwets 'Rooms', iets wat ik tot op de dag van vandaag als een grote zegen heb beschouwd aangezien de levensvreugde in onze geleding nou eenmaal een stuk groter was dan bij de vele doemdenkers om ons heen.

Er werd bij mijn vader thuis dialect gesproken en ik heb hem wel eens gevraagd hoe dat dan precies ging. Sprak mijn grootmoeder Gronings (Stads), mijn grootvader Drents (Stellingwerfs) en de kinderen Sallands (Kampers)? Mijn vader kon zich het niet herinneren, volgens hem spraken ze 'gewoon hetzelfde'. Ik denk dat hij daarmee bedoelde dat ze allemaal een variant van het Nedersaksisch spraken en dat het daarom geen moeite kostte om elkaar te verstaan. Dat de verschillen hem nooit waren opgevallen zegt eigenlijk wel genoeg.*2


Tante Lies

 

De familie Drenth was wel katholiek maar ik denk dat het ze eigenlijk meer om het lidmaatschap dan om de religieuze overtuiging ging. Aan het katholieke verenigingsleven werd wel druk deelgenomen maar met de theologie bemoeide de generatie van mijn vader zich liever niet. Misschien kwam dat doordat mijn grootvader Berend pas katholiek was geworden toen hij z'n eerste vrouw ontmoet had, van huis uit was hij namelijk Nederlands Hervormd.*3 Mijn tante Lies ging alleen op hoogtijdagen naar de kerk. Het tochtte daar te veel, zei ze, en ook was de akoestiek er erg slecht, niemand die daar moeilijk over deed. Heel sterk aan Kampen gebonden waren de Drenthen ook niet, twee broers en een zus van mijn vader gingen in Amsterdam wonen en een andere broer vestigde zich in Den Haag.


©Huub Drenth

*1 Met 'bootvluchtelingen' bedoelde ik Vietnamese burgers (vaak van Chinese afkomst) die vanaf midden jaren zeventig in kleine bootjes aan het communistische regime probeerden te ontsnappen. Met achterlating van alles wat hen vertrouwd en dierbaar was. Als de ontsnapping slaagde kregen ze meestal asiel in westerse landen.  

*2 Nedersaksisch wordt gesproken in oostelijk Friesland (Stellingwerfs), Groningen, Drenthe, Overijssel en een groot deel van Gelderland, evenals in het noorden van Duitsland en het uiterste zuiden van Denemarken. In de late middeleeuwen was het de voertaal van de Hanze (met als hoofdstad Lübeck) en heeft zodoende ook op de ontwikkeling van de Scandinavische talen een belangrijke stempel gedrukt, waardoor deze talen voor Nederlands- en Duitstaligen nog steeds tamelijk gemakkelijk te leren zijn. Voor zowel het Deens, Zweeds en Noors geldt dat minstens 25 procent van de woordenschat van Nedersaksische oorsprong is. Het IJslands en Faeröers, die zich ontwikkeld hebben uit het Oudnoors, zijn in veel mindere mate aan deze invloeden blootgesteld geweest waardoor in deze talen veel van de authentieke 'Scandinavische' taalkenmerken tot op heden behouden zijn gebleven.

In 1998 werden in Nederland het Nedersaksisch, Limburgs en Fries als streektalen erkend. Sinds 2013 is Fries bovendien een van de twee officiële talen in de provincie Friesland. Het Nedersaksisch, dat in vijf provincies gesproken wordt, heeft deze status in Nederland en Duitsland niet, aangezien het geen gestandaardiseerde grammatica, uitspraak of schrijfwijze kent (hetzelfde geldt voor het Limburgs, dat ook in België en Duitsland gesproken wordt). Feitelijk bestaat het uit een grote groep, zeer nauw aan elkaar verwante, dialecten die ook wel West-Nederduits wordt genoemd. Varianten ervan worden ook nog steeds op bepaalde plekken in Polen en Rusland gesproken. Het totaal aantal actieve sprekers bedraagt momenteel nog ongeveer vijf miljoen personen (klik op de afbeeldingen).
*3 Mijn grootmoeder Tecla Wessels was rooms-katholiek, dus ik denk dat het de bewuste intentie van mijn grootvader is geweest om wederom met een katholieke vrouw te trouwen. Het feit dat hij, door zijn huwelijk en de banden met de familie van zijn eerste vrouw, bij de Kamper katholieke gemeenschap was gaan horen zal daarin zeker een rol hebben gespeeld. Want andere nauwe banden had hij daar, als 'nieuwkomer' in die nogal gereformeerde stad, waarschijnlijk niet.

Zie ook mijn post van 8 september 2019.