donderdag 17 september 2020

The Kwee Family of Ciledug

 

Pompeï
In mijn rol als onderzoeker naar May Khoen's familieverleden voel ik me vaak meer een archeoloog dan een historicus. Ik leg de spaarzame resten van, doorgaans moeilijk te interpreteren, sociale structuren bloot, daar komt het op neer. Op het leven dat zich ooit binnen die structuren heeft afgespeeld heb ik geen zicht, en die illusie koester ik ook niet. Daarvoor is alles te 'anders' en te onvolledig. Te ver weg bovendien, zowel in afstand als in tijd. Het is een soort Pompeï waar ik naar zit te kijken: een wereld zonder de alledaagse geluiden en geuren van weleer; de laatste overblijfselen van een tijdperk waar vrijwel geen persoonlijke getuigenissen van bekend zijn, een kerkhof louter bestaand uit namen en wat foto's. De cultuur die al die mensen ooit met elkaar verbond is inmiddels volledig verloren gegaan, hetgeen het duiden van het geringe feitenmateriaal waarover ik beschik ook nog eens veel ingewikkelder maakt. Toch doe ik geregeld bijzondere ontdekkingen. Mijn aanvankelijke beeld heb ik daardoor al menig keer grondig bij moeten stellen want voortdurend blijkt het heel anders te zijn (geweest) dan ik dacht. HD

 



Djatipiring

The Kwee Family of Ciledug, het boek waarvan hierboven een afbeelding te zien is, verscheen in december 2018.*1 Het is een echte eye opener wat betreft de leefstijl van een upper class peranakan-Chinese (extended) familie in de eerste helft van de twintigste eeuw, met de focus op de levens van drie broers en hun zus. Het werd geschreven door Peter Post, als senior-onderzoeker verbonden aan het NIOD, in samenwerking met May Ling Thio, geassocieerd onderzoeker bij het NIOD. De inhoud van het boek is gebaseerd op de gigantische foto- en filmcollectie van de familie Kwee, tot begin jaren dertig eigenaar van de suikerfabriek Djatipiring in Ciledug, een dorp ongeveer 25 kilometer ten zuidoosten van Cirebon. Meerdere generaties Kwee woonden in villa's op het terrein van de onderneming, die tot 1924 werd geleid door Kwee Keng Liem en daarna door drie van zijn zonen. Alleen al op het wooncomplex liep vijftig man/vrouw personeel rond maar behalve puissant rijk was de familie ook zeer vooruitstrevend. De opvoeding van de kinderen was op moderne leest geschoeid en vrouwen genoten een grote mate van vrijheid. Ze hielden zich bezig met (westerse) mode maar waren ook actief op het vlak van vrouwenemancipatie.

Tegelijkertijd was de familie, via allerlei huwelijkslijnen, verbonden met het hele Javaanse Cabang Atas-netwerk en onderhielden ze nauwe betrekkingen met verscheidene Javaanse adellijke geslachten. In augustus 1929 bracht koning Prajadhipok (Rama VII) van Siam, het huidige Thailand, samen met zijn vrouw Rambhai Barni, een bezoek aan de onderneming Djatipiring, een niet onbelangrijk memorabel feit. De villa in Lingaddjati, waar in november 1946 over een akkoord werd onderhandeld tussen vertegenwoordigers van de Nederlandse regering en van de (nog niet erkende) Republik Indonesia, was eigendom van de familie, dus ook bij die historische gebeurtenis waren ze prominent aanwezig.*2 Het toeval wil dat Kwee Zwan Ho, de jongste van de drie broers die de onderneming in de jaren twintig runden, de vader was van Kwee Kiem Toen (1929 - 2014), Kwee Lee Sioe Nio (1926) en Kwee Lee Giok Nio (1930 - 1990), en dat die laatste twee in hun volwassen leven respectievelijk May Khoen's tante Irene en tante Giok zouden worden.

 

De koning en koningin van Siam bezoeken Djatipiring.

Semarang

In mijn post van 7 september jl. behandelde ik de Tan-lijn in May Khoen's voorouderlijke geschiedenis.*3 Die lijn bleek uitzonderlijk kort te zijn, verder dan overgrootvader Tan Tjiauw Bo ging het niet. Van hem waren bovendien alleen zijn naam, geboortejaar en sterfdatum bekend; in combinatie met zijn foto vormde dat de hele biografie. Voor May Khoen's grootvader Tan Hway An gold min of meer hetzelfde, al kregen we bij hem wel iets meer inzicht in de wijze waarop hij in z'n levensonderhoud had voorzien. Door het pad van de moderne techniek in te slaan had hij aansluiting gevonden bij tal van nieuwe maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Overgrootvader Oei Djie Sien, de vader van haar grootmoeder Oei Mien Nio, was weliswaar in het eerste kwart van de twintigste eeuw een invloedrijk persoon in de Semarangse peranakan-gemeenschap geweest maar ook van zijn voorouders ontbrak verder elk spoor.

May Khoen's vader had nooit iets verteld over zijn mannelijke voorouders en ik begon te begrijpen waarom dat het geval was geweest: er viel simpelweg niet veel te vertellen (waarbij aangetekend dient te worden dat hij ook over zijn vrouwelijke voorouders nooit mededelingen had gedaan). Haar moeder was al op relatief jonge leeftijd overleden, van haar had ze evenmin ooit iets over de familiehistorie gehoord. May Khoen's oma liet zich sowieso nooit ergens over uit tegen haar kleinkinderen en had met die houding de toegang tot zowel de Oey- als de Ko-afstammingslijnen altijd adequaat weten te blokkeren. Het verleden was bovendien ook in fysieke zin een volstrekt ontoegankelijk gebied geweest, omdat al die voorouders in Nederlands-Indië hadden geleefd, terwijl May Khoen in Nederland en op Aruba was opgegroeid. Voeg daar het vertrek, eind jaren zeventig, van haar vader Tan Swie Tong naar Amerika nog aan toe en het (nogal lege) plaatje is min of meer compleet.

 

Oprijlaan van Kwee Zwan Lwan's villa in Lingaddjati, 1928.
 

Opwaartse sociale mobiliteit

Toch valt er wel het een en ander te destilleren uit de gegevens die beschikbaar zijn. Wat bijvoorbeeld opvalt is dat alle mannen in de Tan-lijn zijn getrouwd met vrouwen uit 'voornamere' families. Waarmee ik bedoel dat al die vrouwen over veel langere afstammingslijnen beschikten, een indicatie dat ze stuk voor stuk deel uitmaakten van families die tot de peranakan-elite behoorden. Het komt erop neer dat Tan Tjiauw Bo, Oei Djie Sien en Tan Hway An allemaal zijn 'ingetrouwd' in oude gerespecteerde lineages, door uithuwelijking vanzelfsprekend.

En het gaat nog verder: ook voor May Khoen's vader en twee van zijn broers blijkt die regel op te gaan, maar dan wel met het verschil dat er in hun geval geen sprake van uithuwelijking is geweest (instemming van de ouders was vanzelfsprekend wel noodzakelijk). Om precies te zijn: May Khoen's vader Tan Swie Tong trouwde met Betty Oey Kiem Liang, een nazaat van Oeij Ing Soan, Kapitein der Chinezen in Pekalongan (en eveneens een nazaat van Tan Tjoen Tiat, Majoor der Chinezen in Batavia, zie mijn post van 13 juni jl.), en zijn broers Tan Soei Tjing en Tan Swie Siang trouwden beiden met vrouwen (zussen) die behoorden tot de, zeer hoog in de Cabang Atas-rangorde genoteerde, Kwee familie van Ciledug. Aangezien binnen de peranakan-elite het principe gold dat 'geld altijd trouwde met geld' - waarbij materiële rijkdom ook symbool stond voor macht, prestige en status - vormt dit een indicatie voor de sociale laag waartoe de nakomelingen van Tan Tjiauw Bo en Tan Hway An waren gaan behoren, maar waaruit tevens de conclusie kan worden getrokken dat het oude 'huwelijks-mechanisme', dat eeuwenlang de sociale stratificatie gereguleerd had binnen de Chinese peranakan-gemeenschap op Java, na de Tweede Wereldoorlog sterk aan betekenis had ingeboet. Je zou daarom net zo goed kunnen stellen dat de Kwee's kennelijk op het niveau van de Tannen waren terechtgekomen. Met andere woorden: er waren duidelijk nieuwe tijden aangebroken.*4

 

Bandung 1948.

Bandung

De verbindende factor tussen de twee, totaal van elkaar verschillende, werelden van de families Tan en Kwee heet 'Bandung' (ook wel 'het Parijs van Java' genoemd). In 1931 verkochten de gebroeders Kwee hun suikerfabriek, daartoe min of meer gedwongen door de wereldwijde economische crisis. Kwee Zwan Ho, de vader van May Khoen's tante Irene en tante Giok, verhuisde daarna met vrouw en kinderen naar een villa in Lingaddjati, gelegen op de koele helling van een vulkaan ten zuiden van Cirebon, een locatie waar z'n oudste broer Zwan Lwan zich al eerder gevestigd had. Zwan Liang, de andere broer, betrok een riante behuizing in Bandung en ging met zijn vrouw Roos (Liem Hwat Nio, afgebeeld op de cover van het boek) deel uitmaken van de elite aldaar. Toen Irene in 1938 de leeftijd had bereikt om naar de HBS te gaan besloot Kwee Zwan Ho om met zijn gezin eveneens naar Bandung te verhuizen. In 1942 bezetten de Japanners de stad maar het lukt de Kwee's om de oorlogsperiode zonder kleerscheuren door te komen, evenals de chaotische jaren die erop volgen.

In Bandung staat ook de Technische Hogeschool waar Irene en haar broer Kwee Kiem Toen (en ook hun neef Kwee Kiem Han) zich in 1947 laten inschrijven. Evenals Tan Soei Tjing, May Khoen's oom (die dan nog Tan Swie Tjing heet). Waarschijnlijk hebben Irene en Soei Tjing elkaar daar voor het eerst ontmoet. Een paar jaar later vertrekt Kwee Kiem Toen naar Nederland om in Delft werktuigbouwkunde te gaan studeren.*5 In 1951 doet Tan Soei Tjing dat eveneens, hij is dan reeds getrouwd met Irene en ook zij reist mee. Omstreeks diezelfde tijd is Soei Tjings broer, Tan Swie Siang, in Bandung eerstejaars student elektrotechniek en komt dan, welhaast onvermijdelijk, Irene's zus Giok tegen, waarmee hij zich in december 1953 verlooft. Ook deze ontmoeting van een Tan en een Kwee resulteert dus in een huwelijk.

 

De voltallige Kwee-familie van Ciledug in 1935, met Irene (18) en Giok (20).

Nieuwe inzichten

Op de volledige inhoud van het zeer gedetailleerde boek over de familie Kwee van Ciledug kan ik in dit verband niet al te diep ingaan, aangezien de Kwee's geen deel uitmaken van de voorouderlijke lijnen van May Khoen, ook al is er op het niveau van neven en nichten natuurlijk sprake van bloedverwantschap. Anderzijds is het wel zo dat het boek nieuw licht werpt op de verhoudingen tussen de leden van de Tan-familie, een nogal losse constellatie van personen, uiteindelijk woonachtig in Nederland (4, waarvan 1 later naar USA), Duitsland (3), Indonesië (1) en Australië (1), waarbinnen oom Soei Tjing min of meer de leidersrol vervulde. Hetgeen, naar nu blijkt, niet alleen te maken had met het feit dat hij de oudste was.

Afgezien van dit inzicht deed ik echter nog meer ontdekkingen door het lezen van het boek. Als gevolg van de toenemende politieke en economische repressie verlieten in de jaren vijftig en zestig steeds meer etnische Chinezen Indonesië. Dat gold niet alleen voor de Tannen maar ook voor de Kwee's. Eind jaren zestig woonden Kwee Zwan Ho en zijn vrouw Tan Ing Nio, alsmede hun drie kinderen (waaronder Irene en Giok) en negen kleinkinderen, inmiddels allemaal in Nederland. Evenals Zwan Ho's zus Der Tjie, haar man Han Tiauw Bing, en schoonzus Roos, sinds 1959 weduwe van broer Zwan Liang.*6 En ook zo'n beetje al die hun nazaten (oudste broer Zwan Lwan was overleden in 1947, zijn weduwe en dochter bleven in Indonesië). Bijna de gehele extended family Kwee van Ciledug was dus naar Nederland geëmigreerd. Toen ik dat ontdekte liepen de rillingen over mijn rug. Het impliceerde namelijk dat May Khoen's neefjes en nichtjes in Nederland een hele 'normale' jeugd hadden gehad, ingebed in een netwerk van grootouders, ooms, tantes, neven, nichten en andere bloedverwanten. Hun identiteit had dus altijd deel uitgemaakt van 'een groter familie-geheel'. En juist dat gevoel had May Khoen tijdens haar jeugd, in allerlei opzichten, moeten missen.


©Huub Drenth



De suikerfabriek Pangka in de residentie Tagal, omstreeks 1869.

*1 Peter Post and May Ling Thio, The Kwee Family of Ciledug - Family, Status, and Modernity in Colonial Java. Volendam 2018.

Zie voor een samenvatting van het boek: https://brill.com/view/journals/bki/175/4/article-p592_14.xml?language=en

Op 11 december 2018 vond, onder grote belangstelling, de presentatie van het boek plaats in academisch-cultureel podium Spui 25, te Amsterdam. Ook May Khoen's tante Irene, toen inmiddels 92, was hierbij aanwezig. De presentatie ging gepaard met een klein symposium, integraal te zien op: https://www.facebook.com/watch/live/?v=299972780636269&ref=watch_permalink

*2 De Nederlandse delegatie, bestaande uit Schermerhorn, Van Poll en De Boer, werd ondergebracht in een van de villa's die oudste broer Kwee Zwan Lwan in Lingaddjati bezat. Het verblijf lag ongeveer honderd meter verwijderd van zijn woonhuis waar, in een naastgelegen villa, de Indonesische onderhandelaar Sjahrir en zijn mensen logeerden. In de villa die de Nederlanders hadden betrokken vonden de politieke besprekingen plaats, onder leiding van Lord Killearn. In de residentie van Kwee Zwan Lwan gebruikten allen, inclusief de aanwezige Britten (die in een nabijgelegen hotel verbleven), gezamenlijk de maaltijden. Lt. Gouverneur-Generaal Van Mook, die ook bij de besprekingen aanwezig was, bracht de nachten elders door omdat Lingaddjati in door 'rebellen' gecontroleerd gebied lag. Zie ook: https://www.anderetijden.nl/programma/1/Andere-Tijden/aflevering/373/Linggadjati

*3 Zie: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/09/may-khoens-voorouders-deel-10.html

 *4 Op pagina 223/24 geeft Post een verklaring voor deze opvallende verschuiving die, volgens hem, in gang treedt als in de jaren dertig, door de wereldwijde economische crisis, veel Javaanse, peranakan-Chinese, upper class families te maken krijgen met gigantische financiële verliezen (en soms zelfs bankroet gaan): "This also influenced their marriage alliances. Strategic alliances based on assets were replaced by family alliances based on a Western (Dutch) education and a mutual Western orientation. Prospective partners should preferably belong to families with equal status, and a similar lifestyle and world-view. Belonging to a traditional Chinese officer's family provided the necessary status, particularly if the family could boast a close connection with the Javanese aristocracy and the Dutch ruling elite."

Met deze laatste 'status'-kwalificaties refereert Post aan de situatie die bestond in het decennium voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en dus niet aan de totaal veranderde sociale en politieke verhoudingen na de capitulatie van Japan. Persoonlijk denk ik dat die kentering al rond 1900 had ingezet, hetgeen met name te maken had met de afschaffing van het pachtstelsel en de daarmee verbonden neergang van het systeem van Chinese officieren. Ook ging in 1901 de 'Ethische politiek' van start - die tot doel had belangrijke maatschappelijke veranderingen in de kolonie te bewerkstelligen - welke vooral op het gebied van onderwijs voor niet-Europeanen grote gevolgen zou hebben. Hierover meer in deel 13 van mijn serie over May Khoen's voorouders. HD

*5 Vanwege de grote toeloop van (meestal Chinese) studenten uit Indonesië in Delft na de oorlog moesten deze, om toegelaten te worden, in het bezit zijn van een getuigschrift van academische bekwaamheid van de TH Bandung (mogelijk de propedeuse, HD). Dit gold eveneens voor bèta-studies aan sommige andere universiteiten. Ook May Khoen's vader, Tan Swie Tong, studeerde in de tweede helft van de jaren veertig in Bandung, maar over de details daarvan is weinig bekend. Wel zijn er een paar foto's uit die tijd.

 

 

*6 Een interview met Kwee Kiem Han, de zoon van Kwee Zwan Liang die de foto's en films in bewaring had, is te lezen in het maandelijkse digitale orgaan van de Haagse Bloemenwijk Wijkwijs (van januari 2019, pagina 8).

Zie ook mijn serie artikelen over May Khoen's voorouders, te beginnen bij: https://maykhoentan.blogspot.com/2019/07/de-voorouders-1.html
Eveneens interessant: https://maykhoentan.blogspot.com/2019/08/de-voorouders-deel-2_5.html

maandag 7 september 2020

May Khoen's voorouders ~ deel 10

 


In deze post ga ik het hebben over May Khoen's mannelijke voorouders in de Tan-lijn, te weten: haar overgrootvaders Oei Djie Sien en Tan Tjiauw Bo, alsmede haar grootvader Tan Hway An. Ik behandel ze allemaal in dezelfde post omdat ik maar weinig gegevens over hen tot mijn beschikking heb. Van beide overgrootvaders is volstrekt onduidelijk wie hun voorouders zijn, hetgeen een mogelijke indicatie is dat ze niet tot de Cabang Atas behoren en waardoor niet uitgesloten kan worden dat beiden afkomstig zijn uit families die pas aan het eind van de negentiende eeuw tot de peranakan-middenklasse gingen behoren. Het was namelijk niet ongebruikelijk dat personen met een nouveau riche-achtergrond, via het huwelijk van een zoon of dochter met een telg van een 'oud geld'-clan, toegang tot de peranakan-Chinese elite probeerden te verkrijgen, teneinde zich te verzekeren van de privileges en de uitgebreide sociale netwerken waarover die families beschikten (ook bij het huwelijk van Oei Tiong Ham met Goei Bing Nio was dat bijvoorbeeld het geval geweest). Ter verduidelijking volgt eerst een korte uitleg over de belangrijkste organisatieprincipes binnen peranakan-Chinese familieverbanden: lineage, clan en maagschap.

 

Lineage en clan

Een belangrijk concept in de Chinese voorouder- en verwantschapscultuur is dat van de 'lineage'. Om precies te zijn gaat het hier om de 'patrilineaire' variant (en dus niet om de 'matrilineaire'). Hiermee worden alle personen bedoeld die, via de mannelijke lijn, afstammen van een en dezelfde voorvader en die zich daar (nog) bewust van zijn. Vrouwelijke nazaten maken deel uit van de lineage van hun vader tot ze gaan trouwen, daarna behoren ze tot de lineage van hun echtgenoot. Als een lineage zich over een groot aantal generaties uitstrekt kan er sprake zijn van honderden of zelfs duizenden personen, waarvan de meesten zich nog enkel met elkaar verbonden voelen door hun familienaam. In dat geval spreken we van een 'clan'.

Het lidmaatschap van de lineage gaat gepaard met een ingewikkeld stelsel van rechten en plichten ten opzichte van elkaar, iets waar de leden zich niet zomaar aan kunnen onttrekken, zelfs niet als ze elkaar totaal niet kennen. De verwantschapsstructuur van de lineage (en ook die van de clan) heeft in sterke mate bijgedragen tot de verspreiding van Chinezen uit de provincie Fukien/Fujian in geheel Zuid-Oost Azië, omdat 'broers' en 'neven' min of meer verplicht waren elkaar in allerlei situaties te helpen en financieel bij te staan. Daardoor ontstonden er tal van sociaal-economische samenwerkingsverbanden die al in een zeer vroeg stadium internationaal (en interkoloniaal) van aard waren.*1

 


Maagschap

In China werden familieverbanden voornamelijk gevormd door netwerken van patrilineaire verwanten maar in de peranakan-cultuur op Java was er ook ruimte voor andere invloeden, hetgeen onder meer te maken had met de minderheidspositie waarin de Chinese populatie zich daar bevond en het feit dat veel echtgenotes/concubines van inheemse, dan wel gemengde, afkomst waren en derhalve een andere culturele achtergrond hadden. Ook de Nederlandse 'koloniale setting', evenals het uit Europa stammende rechtsstelsel, drukten uiteraard hun stempel op de gang van zaken in tal van sociale en juridische aangelegenheden.

De notie wie wel of niet 'familie' was werd derhalve niet zo strikt (zeg maar: confucianistisch) gedefinieerd als in China en daarom speelden ook vrouwen/echtgenotes, evenals mannelijke verwanten uit 'vrouwelijke lijnen', een rol in allerlei zakelijke en juridische aangelegenheden.*6 Daar telde dus in veel situaties ook het meer Europese (en eveneens Javaanse) concept van 'bilineaire verwantschap', of 'maagschap' (alle bloedverwanten), mee. De relatie die May Khoen's overgrootvader Oey Tjien To, en diens broer Oey Tjien Ho, via het huwelijk van hun zus Oey Yan Hie, met de Bataviase Khouw-clan hadden, is daar een voorbeeld van (zie mijn post van 13 juni jl.). 

***


Oei Djie Sien

Oei Djie Sien (1879 - 1931), de vader van May Khoen's grootmoeder Oei Mien Nio, was begin vorige eeuw een prominent zakenman in Semarang maar enige informatie over zijn ouders en voorouders is, vreemd genoeg, tot op heden niet te vinden. Hij trouwde met Sih Ing Nio, de oudste dochter van entrepreneur Sih Khay Hie, en zag tijdens z'n leven diens onderneming, onder leiding van zijn zwager Sih Tiauw Hin, uitgroeien tot een imposant concern (zie mijn post van 8 december 2019).


Over de preciese zakelijke activiteiten van Oei Djie Sien is weinig bekend. Uit een document van de Nederlandsch-Indische Handelsbank (NIHB) uit 1913 blijkt dat hij handelde in een 'assortiment' van (agrarische) producten en dat de limiet van zijn krediet f. 100.000 bedroeg. In november 1918 werd hij op de Britse Zwarte Lijst gezet, waarschijnlijk omdat hij zaken had gedaan met 'de vijand'. In juli 1919 maakte hij deel uit van een driekoppige delegatie van Chinese rijsthandelaren die naar de resident van Semarang gezonden werd teneinde een verhoging van de maximum rijstprijs te bewerkstelligen. Ook bestond er op de Pedamaran in Semarang een toko Oei Djie Sien - met een aanbod van waren waar, volgens onderstaande advertentie, kennelijk zelfs Duitse kluizen en Amerikaanse bascules deel van uitmaakten - en was er op het adres Karrenspoor 226 (waar hij ook woonde), sinds 1916, een melkbedrijf gevestigd dat eveneens zijn naam droeg. Uit de melkrapporten die maandelijks in De Locomotief worden gepubliceerd (betreffende de kwaliteit van de door de Semarangse melkbedrijven geleverde melk) blijkt dat de Melkerij Oei Djie Sien eind 1955 nog steeds bestaat, maar wie dan de eigenaar is heb ik niet kunnen achterhalen.*3 Uit de telefoongids van Semarang, jaargang 1931, blijkt dat het telefoonnummer van het adres op de Karrenweg Sm 327 is, van zijn kantoor op Damaran 86 is het nummer Sm 616.

 

Chinees-Indische krant Sin Po, 10 januari 1921.
 

In een andere bron wordt vermeld dat Oei Djie Sien van 1916 tot 1924 voorzitter was van het zeer elitaire Chinese culturele genootschap Boen Hian Tong (BHT), hetgeen meteen duidelijk maakt tot welke maatschappelijke laag hij behoorde.*2 Hij wordt in datzelfde geschrift 'de rechterhand van Oei Tiong Ham' genoemd, waarmee mogelijk bedoeld wordt dat Oei Tiong Ham het in feite voor het zeggen had binnen dit genootschap.*4 Oei Djie Sien speelde, net zoals zijn schoonvader Sih Khay Hie een aantal jaren eerder, ook een prominente rol in de Tjie Lam Tjay-tak van de Semarangse Kong Koan. Dit was een afdeling die zich met name bezighield met sociaal werk onder de armen, evenals het onderhoud van graven en tempels, en die, behalve aan de Kong Koan, ook gelieerd was aan de Tay Kak Sie-tempel in de Chinese kamp te Semarang. Hetgeen automatisch een indicatie vormt voor de religie die hij aanhing en wederom voor zijn sociale status.

 


Tay Kak Sie-tempel, Semarang 2015.

Tan Tjiauw Bo
 

Over Tan Tjiauw Bo, May Khoen's overgrootvader, heb ik geen enkele informatie, behalve dat hij in 1880 geboren is en in 1960 gestorven. En natuurlijk dat hij met haar overgrootmoeder Goei Lien Nio getrouwd was. Zij was van zeer goede komaf  (zie mijn post van 11 augustus jl.), dus het kan niet anders of hij moet een 'gelijkwaardige partij' geweest zijn, omdat het hier een gearrangeerd huwelijk betrof. Aangezien haar vader Goei Keh Pien de kost verdiende met allerlei belastingpacht-activiteiten (hij was onder andere pandhuishouder) is het niet onwaarschijnlijk dat ook Tan Tjiauw Bo's familie-achtergrond in dat zeer lucratieve verdienmodel gezocht moet worden.*5a-b

Als men de afstammingslijn van zijn echtgenote Goei Lien Nio aan een nadere beschouwing onderwerpt (zie mijn post van 11 augustus 2020) valt meteen op dat veel van haar vrouwelijke voorouders de familienaam Tan dragen. Dit is waarschijnlijk geen toeval, het kwam wel vaker voor dat twee families, vele generaties lang, hun kinderen aan elkaar uithuwelijkten (in de Oey-lijn van May Khoen's voorouders komt de familienaam Liem bijvoorbeeld heel vaak voor). Tan Tjiauw Bo zou dus ook wel eens een 'neef' van Goei Lien Nio kunnen zijn. Misschien dat toekomstig onderzoek daarover meer duidelijkheid kan verschaffen.


Tan Hway An

Over Tan Hway An (1901 - 1965), May Khoen's grootvader, bestaat eveneens maar weinig informatie, ook al leefde hij in de twintigste eeuw en had hij vier zonen en vijf dochters die iets over hem hadden kunnen vertellen. Hij was het tweede kind van Tan Tjiauw Bo en Goei Lien Nio en zou, behalve een oudere zus, in ieder geval ook nog twee jongere broers gehad hebben. Afgezien van hun namen - Tan Goen Nio, Tan Whay Thay en Tan Hway Whan - is over hen verder niets bekend. In de stamboom van de familie Tan op MyHeritage, die feitelijk alleen het nageslacht van Tan Hway An betreft, worden ze ook niet vermeld. Hieronder zal ik op een rij zetten wat ik over hem te weten gekomen ben.

 

Op 11 mei 1917 meldt De Locomotief dat Tan Hway An is geslaagd voor het toelatingsexamen van de Semarangsche Ambachtsschool. Hij is dan 15 jaar. In november 1924 wordt zijn eerste kind geboren, dus is hij waarschijnlijk een of twee jaar eerder getrouwd met May Khoen's grootmoeder Oei Mien Nio. May Khoen's vader Tan Swie Tong wordt geboren in 1926, daarna volgen er nog zeven kinderen.

Op 19 juni 1933 meldt dagblad De Locomotief dat Tan Hway An, woonachtig Djagalan 36 te Semarang, tot penningmeester is benoemd van Hua Chiao. De volledige naam van die organisatie is Hua Chiao Tsing Nien Hui, hetgeen zoiets betekent als Jeugdvereniging voor overzeese Chinezen. Doel van de vereniging was het etnisch bewustzijn van Chinese jongeren in Nederlands-Indië te versterken, om op die manier meer tegenwicht te bieden tegen de culturele en politieke onderdrukking van de Chinese bevolkingsgroep door het Nederlands koloniaal bestuur. De beweging was sterk op China gericht (waar de Kwomintang van Chiang Kai-shek en de communisten van Mao Zedong in een wrede burgeroorlog verwikkeld waren) en werd daarom nauwlettend in de gaten gehouden door de Algemene Recherche Dienst, ressorterend onder de Procureur-Generaal van het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië. Ook voor de Japanners, die Indië eind 1941 binnenvielen, was hij hierdoor waarschijnlijk meteen al een verdacht persoon.

Van de technische kennis die hij zich eigen heeft gemaakt op de Semarangse ambachtsschool - die in eerste instantie was opgericht om de Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij (NISM) van deskundig onderhoudspersoneel te voorzien - heeft Tan Whay An, heel slim, gebruik gemaakt om een eigen garagebedrijf op te zetten. Dit waarschijnlijk met steun van zijn schoonvader Oei Djie Sien.

In meer opzichten is hij trouwens een man van de moderne tijd: in 1931 opent hij een waar advertentie-offensief in De Locomotief en Het Algemeen Handelsblad voor Nederlandsch-Indië om de activiteiten van zijn 'Duco-Atelier' te promoten. Hij heeft een werkplaats op het adres Karangtoeri 46, een weg/wijk aan de toenmalige oostrand van Semarang, niet ver van de plek waar zijn schoonvader Oei Djie Sien woont (Karrenweg 226). In het atelier vinden allerlei cosmetische ingrepen op automobielen plaats en daarnaast beschikt Tan Hway An, op dezelfde locatie, over een showroom waar hij motorfietsen en tweedehands auto's verkoopt. Ook is hij een officiële importeur van motorfietsen (klik op de afbeelding hieronder). Wat 'ducoën' precies inhoudt heb ik tot op heden niet kunnen achterhalen, wel blijkt uit een van de advertenties dat het procedé ook toegepast kan worden op "motorfietsen, brandkasten, frigidaires en meubilaires."

  


In 1937 begint Tan Whay An opnieuw een mediacampagne om zijn handel aan de man te brengen. Maar nu betreft het totaal andere waar: weegapparatuur. Of hij dan nog steeds een duco-werkplaats heeft en in auto's en motorfietsen handelt is niet duidelijk (ik denk van wel, HD). De weegapparatuur importeert hij niet alleen uit het buitenland maar produceert hij ook zelf, met name unsters en gewichten. Hij plaatst advertenties waarin hij aanbiedt om overbodig geel- en roodkoper op te kopen en kennelijk heeft hij ook grote behoefte aan tweedehands draaibanken, zijn bedrijf is dan inmiddels tot een kleine fabriek uitgegroeid. Aangezien hij voornamelijk in dagblad De Locomotief adverteert bestaan zijn afnemers waarschijnlijk vooral uit toko's en warungen in Midden-Java. Uit kleine middenstanders dus.



Na de advertentiecampagne uit 1937 en 1938 verschijnen er geen berichten meer in de media over de activiteiten van de firma Tan Hway An. In de zaterdagedities van De Locomotief van 1939 en 1940 wordt hij echter nog wel regelmatig vermeld bij de goede inzenders van het wekelijkse schaakprobleem. Ook zijn broer Tan Hway Hwan wordt daarin vaak genoemd. Een van de laatste keren dat we van hem horen is in een familiebericht, in De Locomotief van 19 november 1952, waarin het huwelijk wordt aangekondigd van zijn zoon Tan Swie Liem met Grace Theng Hiang Nio. De ouders van de bruid plaatsen die mededeling.

In 1954 wordt de naam van zijn firma genoemd in het bericht waarin de opheffing van de lokale vestiging van de N.V. Ingtraco (een soort warenhuis of groothandel voor huishoudelijke elektronica en auto's) wordt gemeld, waaruit blijkt dat zijn bedrijf nog steeds bestaat, in ieder geal in naam. Daarna wordt het stil rond hem in de Nederlandstalige media, hetgeen wellicht ook te maken heeft met het feit dat de officiële taal inmiddels Bahasa Indonesia is geworden en hij daarom, om als Chinees niet het stigma van anti-Indonesisch op zich gericht te krijgen, de oude 'koloniale' media vermijdt. Op 24 mei 1965 overlijdt hij op 63-jarige leeftijd, dus slechts enkele maanden voor de staatsgreep door generaal Soeharto, een machtswisseling die gevolgd werd door een lange periode van massamoorden op (vermeende) communisten en Indonesiërs van Chinese afkomst.

 

©Huub Drenth

 

*1 Zie voor meer specialistische informatie over dit onderwerp: Kwee Hui Kian: Cultural strategies, economic dominance, The lineage of Tan Bing in nineteenth-century Semarang, Java. Verschenen in: Linking destinies, Trade, towns and kin in Asian history (Eds.: Peter Boomgaard, Dick Kooiman, Henk Schulte Noordhold; Leiden 2008, pag. 207 - 210). In dezelfde uitgave: Song Ping: Traditional lineages in transnational spaces (pag. 219 - 234).
* 2 "BHT was the earliest “social club” in Semarang, founded in 1876 as a Chinese music society and initially open only to wealthy men of high social ranking (Willmott 1960: 130). Over time, this “social club” changed its raison d’être away from elitist mutual-aid activities in order to become social in the broader sense of the word. This means that the organization has provided a venue for both weddings and funerals as well as financial help to destitute citizens, irrespective of their ethnic background. Since the beginning of the twenty-first century the venue is also serving as a location for inter-religious ceremonies." Anna Gabriella Szabó, Vienna 2015: Ethnic Policies Toward People of Chinese Descent in Indonesia and Malaysia (master thesis/pdf, pg. 55-68). Zie ook: https://www.sciendo.com/pdf/10.2478/vjeas-2021-0005 (pg. 150-160).

(De periode gedurende welke Oei Djie Sien voorzitter was van het genootschap wordt in deze scriptie gekenschetst als 'de hoogtijdagen van de BHT'.)

*3 Hoeveel kinderen Oei Djie Sien en Sih Ing Nio hadden is (mij) niet bekend. Wel weten we dat ze, behalve May Khoen's grootmoeder Oei Mien Nio, nog een andere dochter hadden: Frieda Oei Djie Sien, ofwel Oei Hong Nio, geboren in januari 1909. Zij trouwde in september 1934 met Liem King Tjiauw, van beroep belastingambtenaar. Frieda was toen inmiddels 25, ongewoon oud voor een Chinese bruid. Misschien had dit te maken met het overlijden van haar vader, een paar jaar eerder. Ongetwijfeld is zij ook de Oei Djie Sien Nio waarvan De Locomotief op 5 maart 1929 meldt dat ze, te Semarang, geslaagd is voor het diploma Steno-Typist 2e klas (100 lettergrepen per minuut), dus mogelijk heeft ze gedurende een aantal jaren op een kantoor gewerkt voordat ze ging trouwen. Tegelijk met haar slaagde haar nicht Sih Tiauw Hin Nio (Sih Kwie Hwa Nio, dochter van entrepreneur Sih Tiauw Hin en ook geboren in 1909) voor dit examen. Oei Hong Nio kreeg twee zonen en drie dochters en overleed in 1988 in Den Haag, drie jaar na haar echtgenoot. Zij woonde toen al minstens 15 jaar in Nederland maar ik denk niet dat May Khoen op de hoogte was van het bestaan van deze 'Nederlandse' tante van haar vader want in dat geval had ik daar ongetwijfeld wel iets over gehoord (HD).

 


*4 De vader van Oei Tiong Ham, Oei Tjie Sien, kwam in 1858 samen met een broer (Oei Sien Tjo) en een neef/oomzegger (Oei Tjo Pie) vanuit China naar Indië (Semarang). Het zou kunnen dat Oei Djie Sien van een van deze twee afstamt. Als zou blijken dat dit daadwerkelijk het geval is impliceert dit dat May Khoen zowel een verre bloedverwant van Oei Tiong Ham als van zijn (hoofd)vrouw Goei Bing Nio is.

*5a Een mogelijk antwoord op deze vraag is te vinden in mijn post van 21 januari 2021, het betreft dan de persoon van Tan Boen Kiem.
*5b Dagblad De Locomotief maakt gedurende het jaar 1933 een aantal keren melding van ene Tan Tjiauw Bo uit Koetoardjo (gelegen 50 km ten westen van Jogjakarta) die juiste oplossingen van het wekelijkse schaakprobleem inzendt. Deze Tan Tjiauw Bo neemt in september van datzelfde jaar zitting in de Regentschapsraad van Koetoardjo, alwaar hij onderwijzer is op de Hollandsch-Chineesche School. Alleenwonend, dat wordt ook nog over hem vermeld. In september van de jaren 1934 en 1935 neemt hij deel aan regionale tennistoernooien, hetgeen de kans erg klein maakt dat het hier May Khoen's overgrootvader Tan Tjiauw Bo betreft want die is dan immers al halverwege de vijftig.

*6 Zie voor een diepgaande benadering van dit onderwerp: Guo-Quan Seng: The Gender Politics of Confucian Family Law: Contracts, Credit, and Creole Chinese Bilateral Kinship in Dutch Colonial Java (1850s-1900),

Zie voor meer informatie over 20e eeuwse peranakan-Chinese familieverhoudingen ook mijn post van 17 september 2020: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/09/the-kwee-family-of-ciledug.html of mijn post van 8 december 2019: https://maykhoentan.blogspot.com/2019/12/may-khoens-voorouders-deel-3.html of mijn post van 25 november 2019: https://maykhoentan.blogspot.com/2019/11/louis-oey-en-lena-liem.html

 

Dit was deel 10 van May Khoen's voorouders.
Zie voor deel 9: https://maykhoentan.blogspot.com/2020/08/may-khoens-voorouders-deel-9.html

Zie voor deel 11: https://maykhoentan.blogspot.com/2021/01/may-khoens-voorouders-deel-11.html

 

donderdag 13 augustus 2020

Over racisme en identiteit



Er is een discussie op gang gekomen over racisme en discriminatie in de Nederlands samenleving, dit naar aanleiding van de uiterst koelbloedige moord (door een blanke politieagent) op de zwarte Amerikaan George Floyd op 25 mei jl. in Minneapolis. De gruwelijke beelden ervan gingen de hele wereld over. Ook het feit dat de belastingdienst een grote groep allochtone Nederlanders jarenlang, volstrekt onterecht, beschuldigd heeft van het plegen van fraude met de kinderopvangtoeslag speelt in de huidige discussie een belangrijke rol. En laat ik ook de ophef rond Zwarte Piet niet vergeten te noemen. Ik ga niet beweren dat de Nederlandse samenleving, net zoals die in de VS, doordesemd is van rassenhaat en rassendiscriminatie maar ik weet wel zeker dat er in heel veel situaties sprake is van etnisch profileren, bijvoorbeeld op basis van naam of land van herkomst, dus niet direct heel duidelijk 'zichtbaar', hetgeen natuurlijk ook een zware vorm van discriminatie is. Ook May Khoen kreeg daar soms mee te maken. Hoe kwetsbaarder ze zich voelde, des te harder het bij haar binnenkwam, mede omdat ze zich veel minder identificeerde met haar 'Aziatische' dan met haar haar 'Nederlandse' identiteit. Voor haar gevoel werd die laatste identiteit haar dan ontzegd, en daarmee kennelijk ook de rechten en vormen van respect die ermee verbonden waren, en dat terwijl ze nota bene in Amsterdam geboren was. Ik ben me dan ook sterk bewust van het feit dat mij, als 'blanke Nederlander', dit soort zaken niet kunnen overkomen, al word ook ik natuurlijk wel eens puur op mijn uiterlijk beoordeeld.
De oorzaak van al deze ellende ligt voor een groot deel in ons koloniale verleden waar een 'blanke' altijd de positie van 'superieur' innam en zichzelf ook in genetische zin al snel als zodanig ging beschouwen, mocht dat a priori nog niet het geval zijn geweest (de Japanners maakten, tot grote verbijstering van velen, korte metten met dat idee). Aangezien blanken in de koloniën zelf meestal de kleinste etnische groep vormden - zij het wel met het sterkste leger - voerden ze, om de macht te kunnen behouden, overal een verdeel en heerspolitiek. Ook in Nederlands-Indië, vanzelfsprekend. Tot op de dag van vandaag zijn daarvan de gevolgen voelbaar. Zowel daar als hier.



Java 1846, kong a hian speler.

Op 28 februari 1998 publiceerde het dagblad Trouw een artikel van S.L. Oei dat als titel had Langs raciale lijnen. Ik neem het op in deze blog - in geredigeerde vorm en met enkele aanvullingen - omdat het veel duidelijk maakt over de sociaal-economische en culturele positie die Chinezen van oudsher innemen in het Indonesische bestel. In eerste instantie was dat vooral de Javaanse samenleving (al vanaf de 13e eeuw woonden er Chinezen op Java), waar hun snel groeiende aanwezigheid na verloop van tijd de Chinees-Indische peranakan-cultuur zou gaan vormen, aangezien uit China afkomstige mannen zich mengden met 'inlandse' vrouwen. We hebben het dan met name over de periode dat de VOC het voor het zeggen had in die gebieden (1602 - 1800), evenals de eerste honderd jaar daarna. Vanaf 1850 vestigden zich ook nieuwe golven van geëmigreerde Chinezen in de archipel, de zogeheten 'totok-Chinezen'. Deze bleven, sterker dan voorheen, qua taal en cultuur meer op China gericht en mengden zich aanmerkelijk minder met de inheemse bevolking, dit omdat vanaf midden negentiende eeuw ook vrouwen toestemming kregen om China te verlaten. Als S.L. Oei het over 'etnische Chinezen' heeft bedoelt hij/zij dus steeds deze twee groepen.
Aanleiding voor het schrijven van het krantenartikel vormden de hevige voedselrellen die half februari 1998 in Indonesië uitbraken en die een paar maanden later zouden leiden tot de val van het regime van generaal Soeharto. Door de sterke inflatie van de roepia ten opzichte van de dollar, alsmede de grote werkeloosheid en de fors gestegen prijzen van eerste levensbehoeften, richtte de woede van de bevolking zich in mei 1998 niet alleen tegen de regering maar ook tegen de Chinezen. Winkels van Chinese middenstanders werden geplunderd en hun bedrijfspanden, huizen en auto's in brand gestoken. Dit gebeurde met name in de steden Jakarta, Solo en Medan. Er werd straffeloos gemoord en geweld gepleegd en ook was er op grote schaal sprake van verkrachting van jonge meisjes en vrouwen met een 'Chinees uiterlijk', met name in Jakarta. Bij de rellen vielen meer dan duizend doden. In haar/zijn artikel maakt S.L. Oei duidelijk dat dit allesbehalve een incident was in de geschiedenis van de Chinese bevolkingsgroep in Nederlands-Indië en Indonesië.
Huub Drenth

 













Langs raciale lijnen
S.L. Oei 
Trouw, 28 februari 1998


Voor de meeste Nederlanders is etniciteit een vanzelfsprekendheid waarover niet nagedacht hoeft te worden. Je bent Nederlander en uiteraard Nederlandstalig. Misschien waren je voorouders Hugenoten, maar niemand die je daarop zal aanspreken. 

Voor een zogenaamde tweede generatie migrant, allochtoon, etnische minderheid of hoe de dominante meerderheid mij definieert, is etnische identiteit geen vanzelfsprekend gegeven. Ik herinner me een voorval uit mijn kindertijd in Indonesië. Toen ik samen met mijn broer en zus mee wilde spelen met de kinderen uit de buurt, werden wij door Javaanse kinderen uitgescholden. Zij riepen 'tjino' wat Chinees betekent. Zonder enig etnisch besef riepen we 'tjino' terug. In Nederland gekomen werd ik weer uitgescholden, ditmaal voor 'pinda-poep-chinees'. Het 'anders zijn' had beide keren tot gevolg dat ik niet mee mocht spelen. 

De inflatie van de roepia en de gestegen prijzen van primaire levensbehoeften in Indonesië op het moment (februari 1998, HD) hebben niet alleen tot protest geleid over het beleid van president Soeharto, maar ook tot woede tegenover de etnische Chinezen. Winkels van Chinese middenstanders werden geplunderd, hun panden en auto's in brand gestoken.

 

Jan Brandes: Offerdag van de Chinezen in Batavia, ± 1785.

De negatieve beeldvorming over etnische Chinezen in Indonesië kent een lange geschiedenis. De vooroordelen die er heersen vinden hun oorsprong in het vooroorlogs koloniale systeem. Net als de Joden in Europa tijdens de middeleeuwen, werden Chinezen in de Indische Archipel vóór het koloniale tijdperk (dus voor de komst van de Portugezen en de Hollanders, HD) uitgesloten van grondbezit. De autochtone bevolking die het handeldrijven te min vond (op dit punt ontbreekt het Oei duidelijk aan historische kennis, HD), liet de handel over aan Chinezen en Arabieren. De Chinezen, voornamelijk mannen, vermengden zich met de autochtone bevolking.*1 Hierdoor voltrok zich geleidelijk een assimilatieproces. De kinderen uit deze relaties werden 'peranakan' genoemd, hetgeen 'kind van het land' betekent.

Aan dit assimilatieproces kwam een einde met de komst van de Nederlandse kolonialisten begin zeventiende eeuw. De Nederlanders maakten handig gebruik van de kennis van de Chinezen over de cultuur en de heersende normen en waarden van de autochtone bevolking. De meeste Chinezen waren gewone ambachtslieden, vooral die in de steden, maar bepaalde beroepen die ook vaak door hen uitgeoefend werden, zoals handelaar/kredietverlener, belastingpachter en exploitant van gouvernementsgronden (zie mijn posts over May Khoen's voorouders, HD), maakten de groep als geheel niet bepaald populair bij de inheemse bevolking.

Hierdoor vormden ze een buffer tussen de koloniale machthebbers en de agrarische bevolking. Elke keer wanneer er opstand uitbrak onder de agrarische bevolking, richtte de woede zich tegen de Chinezen, en niet tegen de werkelijke machthebbers: de Nederlanders. Pogroms tegen de etnische Chinezen waren geen uitzondering en werden soms van bovenaf georganiseerd opdat de bevolking haar frustraties kon afreageren op de gecreëerde zondebok. Zo vond in 1740 een door hoge functionarissen van de VOC aangewakkerde Chinezenmoord plaats die het leven kostte aan duizenden vreedzame burgers.*2

 

Chinezenmoord, Batavia 1740.
 
De verdeel en heerspolitiek van de Nederlanders werd na de onafhankelijkheid van Indonesië overgenomen door de nieuwe Indonesische machthebbers. Deze politieke strategie kwam ook tot uiting in de volkstelling die de Nederlanders in Nederlands-Indië introduceerden. Om inzicht te krijgen in de aard van de bevolking werd deze geclassificeerd langs raciale lijnen. De classificatie had een hiërarchische karakter. Aan de top stonden de Europeanen, vervolgens kwamen de Vreemde Oosterlingen (waartoe, naast bijvoorbeeld de Indiërs en Arabieren, ook de Chinezen behoorden, HD) en onderaan stonden de Inlanders. De VOC eiste dat iedereen die volgens deze indeling als Chinees gedefinieerd werd, ook als zodanig gekleed ging*3 en bovendien in een afgezonderde wijk woonde, een 'Chinees kamp', met een eigen 'Chinese' vorm van rechtspraak en bestuur (uitgeoefend door Luitenants, Kapiteins en Majoors der Chinezen, HD). De Chinezen kregen van de Nederlanders een aparte juridische status binnen de groep van Vreemde Oosterlingen en werden onderworpen aan een passen-stelsel met allerlei verplichtingen en verboden, waardoor vrij reizen onmogelijk was. Ook in de wetgeving op het gebied van onderwijs en grondbezit werden ze systematisch achtergesteld (vanwege hun grote aantal en hun gestadig toenemende economische macht, HD).






In het onafhankelijke Indonesië van na de Tweede Wereldoorlog werden nieuwe definities ingevoerd om de etnische Chinezen van de inheemse bevolking te onderscheiden. Alleen de autochtonen mochten zich echte Indonesiërs noemen. In de jaren tachtig kwamen er wederom nieuwe definities en werd er onderscheid gemaakt tussen pribumi (inheems) en non-pribumi (uitheems). Nog altijd werden de Chinezen gezien als anders dan andere etnische groepen in Indonesië, en derhalve minder geaccepteerd. Rond 1967 werden etnische Chinezen opgeroepen om hun naam te veranderen in een Indonesische naam. Dit 'perintah halus' (zachte bevel) maakte deel uit van het ver doorgevoerde assimilatiebeleid van generaal Soeharto.
De beeldvorming over de etnische Chinezen bleef na de onafhankelijkheid van Indonesië uiterst negatief. Men veronderstelde dat ze onwillig waren om te assimileren vanwege de bevoorrechte positie die ze tijdens het koloniaal bewind zouden hebben ingenomen. Ze werden gezien als economische uitbuiters en men verdacht hen van politiek opportunisme. Ze zouden gecollaboreerd hebben met zowel de Nederlanders als de Japanners. Ook zouden ze de 'Vijfde colonne' van communistisch China vormen. In 1965/1966, tijdens de coup van Soeharto, vonden er massale moordpartijen onder vermeende communisten plaats. Naar schatting werden tussen de 500.000 en één miljoen mensen vermoord, waaronder vele tienduizenden etnische Chinezen. Iedere Chinees was per definitie verdacht, alleen al op basis van z'n naam en uiterlijk. Het hardnekkigste stereotype beeld is overigens niet dat van de Chinees met communistische sympathieën maar dat van de rijke Chinese ondernemer. Het feit dat menige prominente Indonesische zakenman 'totok' is (honderd procent Chinees bloed heeft en vaak ook de Chinese taal nog beheerst, HD), versterkt het 'buitenlandse' imago van de etnische Chinezen nog eens.

 


De rol van zondebok die de etnische Chinezen in Indonesië in de loop van de geschiedenis steeds meer kregen, deed velen in 1965/1966 besluiten om naar de Chinese Volksrepubliek te vertrekken (dit waren met name totok-Chinezen, HD). Wie dacht daar met open armen te worden verwelkomd, kwam bedrogen uit. De culturele revolutie die in China gaande was maakte alles wat met kapitalisme te maken had verdacht. Werden de etnische Chinezen in Indonesië massaal als communisten beschouwd, in de Chinese Volksrepubliek waren ze ineens allemaal kapitalisten geworden. En opnieuw werden ze als vreemdelingen bestempeld, maar nu dus als Indonesiërs. Eenmaal in China kregen ze geen identiteitskaart en ook geen toestemming om het land te verlaten. Zonder identiteitskaart hadden ze geen recht op onderwijs en ook geen recht op huisvesting. Toen de aanvragen om te vertrekken zich bleven opstapelen sloot China begin jaren zeventig een verdrag met Macau en Hong Kong om degenen die uit China weg wilden alsnog te lozen. Andere opties waren er niet. De mogelijkheid om terug te keren naar Indonesië was afgesneden omdat men, door naar China te emigreren, het Indonesische staatsburgerschap verloren had. De Chinezen die naar de Portugese kolonie Macau gingen, konden kiezen tussen de status van 'statenloos' of voor het verlengen van hun Chinese paspoort. Kiezen voor de Portugese nationaliteit was niet mogelijk.
Meer geluk hadden de etnische Chinezen die na de coup van Soeharto in 1965 naar andere landen vluchtten. Zij gingen naar Australië, Canada, de VS, Hong Kong, Singapore en Duitsland. Velen kwamen naar Nederland omdat ze reeds een Nederlandse opleiding hadden genoten en de taal al kenden. In Nederland vormen etnische Chinezen uit Indonesië opnieuw een etnische minderheid. Hun aantal wordt geschat op enkele duizenden.


***

 Chinese klontong met koelie, Semarang 1913.

*1 There can be little doubt that the Chinese had been in Java for a long time. No doubt that in these long settled communities, Chinese took local wives and established families. There was in these Islamic societies a barrier to the local assimilation of the Chinese. It is apparent that the Chinese took wives from the lowest social classes, or slaves, from non-Islamic groups or the Balinese. The inferior status of these women precluded their capacity to culturally assimilate the offspring of these marriages so decisively in favor of native culture as did Thai wives. Furthermore, if sons and daughters remained within the Chinese community, after a few generations, native-Chinese intermarriage would decline, as the Chinese community provided its own wives. We know that the first headmen or kapitans of the Chinese in seventeenth century Batavia had Balinese wives, but by the eighteenth century their successors were marrying daughters of other Chinese officers. (Mary F. Somers-Heidhues; Chinese Minorities in Southeast Asia, pg. 36-37; zie: http://www.lewismicropublishing.com/Publications/Peranakan/PeranakanBeginnings.htm)
*2 De Chinezenmoord of Bataviase Furie (van 9 tot 22 oktober 1740) was een slachting onder de Chinese bevolking van Batavia (nu Jakarta), waarbij tussen 5.000 en 10.000 Chinezen, met name door zeelieden van de VOC, werden vermoord. De eerste paar dagen werd er door de VOC, die onder bevel stond van gouverneur-generaal Valckenier, geen enkele poging ondernomen om het moorden, waarbij zelfs artillerie werd ingezet om Chinese kampongs te beschieten, een halt toe te roepen (zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Chinezenmoord en https://www.historischnieuwsblad.nl/hoe-de-voc-5000-tot-10-000-chinezen-doodde/).

 

 

*3 Dit hield in dat zij, in alle opzichten, meteen als 'Chinees' herkenbaar moesten zijn, dus niet alleen door hun kleding maar ook bijvoorbeeld door de haardracht zoals die in China door de Mantsjoes verplicht gesteld was voor Han-Chinezen. Mannen en jongens hadden daardoor een voor de helft kaal hoofd met aan de achterkant een zogeheten 'pigtail'. Pas in 1919 kwam er officieel een eind aan deze vernederende voorschriften die, qua specifieke kledingvoorschriften, trouwens ook golden voor andere 'Vreemde Oosterlingen'. In essentie kwam het erop neer dat zij zich geen 'Europees uiterlijk' aan mochten meten (indien ze dat wilden).
https://www.trouw.nl/nieuws/langs-raciale-lijnen~b91574656/

Zie ook: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/de-mythe-van-etnische-identiteit-is-heel-hardnekkig~b23e7bbd/
Afbeeldingen: Cornelis Jetses, Door de kali (1918), Ernest Hardouin, De Kong-A-Hian Speler (litho ± 1873, naar een tekening uit 1846).

 

Chinese toko, Batavia eind 19e eeuw.