zondag 28 maart 2021

Rob de Nijs ~ Niet voor het laatst




 

Gisteren

Rob de Nijs (78) heb ik zestig jaar geleden zien komen en nu zie ik hem gaan. Hij lijdt aan de ziekte van Parkinson. Gisteren was hij de hoofdgast in het tv-programma Matthijs gaat door waarin hij een Edison voor zijn laatste album in ontvangst mocht nemen. Hij zong zelf niet maar wel namen deze beelden van zijn optreden op 13 maart 2020, in het programma DWDD, een prominente plek in het geheel in.

 


Het lied gaat over rouw. Over weer terug willen naar 'toen', terwijl je weet dat dat niet kan. Het roept heel veel herinneringen bij me op, temeer omdat het nu lente is. Ik loop geregeld langs de singels en zie dan al die grasvelden met sneeuwklokjes, krokussen en narcissen. Precies zoals het vijf jaar geleden was toen Khoen aan de laatste etappe van haar leven begon en wij daar soms nog samen liepen. En elk jaar is het weer alsof dat gisteren was. Het is een gevoel dat eerder sterker wordt dan minder. Net zoals de pijn van het gemis.

De foto hieronder hangt, groot ingelijst, bij mij in de kamer. Hij is gemaakt toen Khoen een jaar of zes was. Heel parmantig poseert ze voor de camera. De trots en levensvreugde stralen ervan af. Met op haar gezicht een lach die ze nooit zou verliezen. Zelfs niet op het laatst.

©Huub Drenth

 


zaterdag 20 maart 2021

Met Eefje in het paradijs





Après nous...
Een paar dagen geleden waren er verkiezingen voor de Tweede Kamer. Mijn partij, de Partij voor de Dieren, heeft dik gewonnen. Maar liefst twintig procent meer stemmen dan de vorige keer. Dus hebben we nu zes zetels in plaats van vijf. Nog steeds niet hemeltergend veel maar het resultaat is in ieder geval wel een stuk beter dan wat Groen Links heeft gepresteerd, want die partij werd zo'n beetje gehalveerd.
De mens heeft zichzelf de status van god aangemeten en schaart zichzelf niet meer onder de dieren. Dat al het leven met elkaar verbonden is, en bijgevolg onderling afhankelijk, vormt allang geen dogma meer. En ook niet dat andere levensvormen een bepaalde mate van respect verdienen. Dus sluiten we op, zagen we om, spuiten we vol, schieten we dood en roeien we uit alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. En dat heb ik het nog niet eens over alle troep waarmee we de bodem, de lucht en de rivieren en zeeën vergiftigen.

Inmiddels heeft ons onverantwoordelijke gedrag zelfs een heuse klimaatverandering veroorzaakt. Dat er ook nog zoiets als een habitat voor Homo sapiens bestaat - en dat die habitat gerelateerd is aan die van de planten en de dieren - zijn we kennelijk vergeten. Het menselijk bestaan is een eindeloos festijn van vreten en vertier, dat schijnt tegenwoordig zo'n beetje het adagium te zijn, in ieder geval in onze streken. Het schip vaart recht op de ijsberg af maar in de politiek, zowel op landelijk als op internationaal niveau, hebben ze nog altijd hoofdzakelijk oog voor de wensen van al die decadente potverteerders.

 


Ik zit ook op dat schip, evenals de rest van de mensheid. En afgezien van ons bevinden ook de complete flora en fauna van de wereld zich aan boord. Het lijkt een beetje op de ark van Noach, maar dan omgekeerd want we zitten op een ramkoers, net zoals de Titanic een eeuw geleden. Ik zie weliswaar heel scherp wat er allemaal gebeurt maar koester niet de illusie dat de clash alsnog afgewend kan worden. Daarvoor ligt, naar mijn idee, de reproductiefactor van de wereldbevolking te hoog, met name van het behoeftige deel. Al die mensen willen eten, drinken en een dak boven het hoofd, plus goede scholing voor hun kinderen en in de toekomst een mooie auto, wat al met al volkomen logisch is. Bovendien is er nauwelijks sprake van een bindend beleid op mondiaal niveau. Dus gaat de kaalslag voorlopig onverminderd door, net zoals het stijgen van de zeespiegel.

Maar ik ga hier niet de onheilsprofeet uithangen, ook al ben ik niet bepaald optimistisch gestemd wat de toekomst betreft. In plaats daarvan stel ik voor dat we de schoonheid blijven vieren zolang het kan, bijvoorbeeld door ons te laven aan de zoete klanken van Eefje de Visser en haar band. Want ook het paradijs bestaat nog steeds, al moet je het soms wel erg ver zoeken. En vergeet niet: terwijl de Titanic ten onder ging speelde het orkest gewoon door. Dat wordt beweerd tenminste...

©Huub Drenth



Illustraties: Frans Masereel, Paul Gauguin


dinsdag 23 februari 2021

May Khoen's voorouders ~ deel 14


  

 
Het toppen van het suikerriet voor nieuwe stekken.

Inmiddels ben ik aangekomen bij de laatste periode van May Khoen's overgrootvader Ko Djie Soei's werkzame leven. Gedurende de eerste helft van de jaren negentig van de negentiende eeuw stond hij voornamelijk bekend als eigenaar van de toko Ko Djie Soei en Co. te Magelang, hoewel niet uitgesloten kan worden dat hij zich ook met andere zakelijke activiteiten bezighield. In de tweede helft van dat decennium verlegde hij zijn werkterrein naar Semarang, waar hij zijn geld verdiende als gevolmachtigde van de opiumpachter, zijnde Oei Tiong Ham, en tevens zelf figureerde als pachter en als borg in het toenmalige belastingstelsel, steeds in nauwe samenwerking met diezelfde Oei Tiong Ham. De periode die daarop volgt zou de 'episode van de aandelen, de commissariaten en de bestuursfuncties' genoemd kunnen worden. En ook dan opereert hij nog steeds in het kielzog van Oei Tiong Ham die, na zijn dood in 1924, 'de man van 200 miljoen' genoemd zou gaan worden.

 

Naamloze Vennootschappen

Op 3 maart 1902 wordt onderstaand bericht gepubliceerd in het Soerabaiasch Handelsblad. Gemeld wordt dat de 'Maatschappij tot exploitatie der suikerfabriek Tangoel Angin' is opgericht. Het aandelenkapitaal bedraagt f. 600.00 (omgerekend naar nu is dat zo'n € 8.000.000). Eigenaar van de fabriek te Sidhoardjo, sinds 1896, is Oei Tiong Ham die ook nog vier andere suikerfabrieken bezit. May Khoen's overgrootvader Ko Djie Soei is een van de aandeelhouders en tevens is hij een van de twee commissarissen van de naamloze vennootschap. Mr. C. W. Baron van Heeckeren, al jaren de belangrijkste advocaat van Oei Tiong Ham (en tevens landsadvocaat), treedt op als directeur.

 

 

 

In respectievelijk 1902 en 1904 wordt Ko Djie Soei eveneens tot commissaris van de suikerfabriek Redjo Agoeng in Madioen en de suikerfabriek Pakkies te Pati benoemd, beide ook met een aandelenkapitaal van f. 600.000. Het zijn feiten waaruit blijkt dat Oei Tiong Ham, na het wegvallen van de inkomsten uit de belastingpachten, een andere zakelijke koers is gaan varen en zijn ondernemingen begint onder te brengen in naamloze vennootschappen. In 1906 richt hij de Bankvereeniging Oei Tiong Ham en de Bouw Maatschappij Oei Tiong Ham (de latere Bouw Maatschappij Randoesari) op en ook dan blijkt Ko Djie Soei nog steeds een belangrijke positie in Oei Tiong Hams snel expanderende imperium in te nemen want in beide gevallen wordt hij tot directeur benoemd (klik op de afbeelding). Ongetwijfeld is hij ook nu weer een van de aandeelhouders.

 


In 1908 worden ook Oei Tiong Hams suikerfabrieken Ponen en Krebet, beide gelegen in Oost-Java, naamloze vennootschappen. Volgens een bericht in De Indische Mercuur van 24 maart 1908 hebben beide vennootschappen "ten doel de overname en verdere exploitatie van de suikerfabriek, en om de daarvoor noodige gronden over te nemen, te huren, te beplanten, in eigendom of erfpacht te verkrijgen, de producten te verkoopen en alles te verrichten wat daarmede in verband staat." Het kapitaal van de vennootschappen bedraagt respectievelijk f. 600.000 en f. 1.000.000, steeds in aandelen van f. 50.000. Directeur der beide ondernemingen: Mr. C.W. Baron van Heeckeren. Commissarissen voor beide fabrieken: Oei Tiong Ham en Ko Dji Soei.


Entree van de Suikerfabriek Krebet te Malang.

Randoesari en Pakoenden

Van de vertrouwensband die er tussen Oei Tiong Ham en Ko Djie Soei bestaat getuigt ook het feit dat hij in de Regeringsalmanak voor Nederlandsch-Indië gedurende de jaren 1902 - 1915 steevast als administrateur/huurder van de landerijen Randoesari en Pakoenden vermeld staat. De gebieden worden dan nog gebruikt voor de teelt van gewassen, met als belangrijkste producten padi en klappers, en zijn gelegen aan de zuidrand van de bebouwing van het toenmalige Semarang. De landerijen beslaan samen circa 225 hectare en Oei Tiong Ham is de eigenaar. Er wonen in 1910 zo'n 1350 mensen in de verschillende kampongs en de verpondingswaarde is ongeveer f. 300.000.

Al sinds 1907 ontwikkelt de gemeente Semarang plannen om haar stedelijke bebouwing in zuidelijke richting uit te breiden, en ook om de daar gelegen kampongs van riolering te voorzien, maar zoals onderstaande kaart uit 1914 laat zien stuit ze daar dan al snel op de macht van landheren als Be Kwat King (Peterongan) en Oei Tiong Ham (Pakoenden en Randoesari) die deze plannen zo lang mogelijk proberen tegen te houden teneinde grote financiële verliezen te vermijden (alle grijze gebieden rondom de stad Semarang zijn particuliere landerijen, de paarse zijn in het bezit van de gemeente). Peterongan wordt door Be Kwat King, een zoon van Majoor Be Biauw Tjoan, aan de gemeente verkocht maar Oei Tiong Ham weigert dat. Die weerbarstige houding houdt tot 1920 stand, dan wordt Pakoenden, door veranderde wetgeving, onteigend ten behoeve van woningbouw*1. Dit is wat Pauline van Roosmalen erover schrijft in haar dissertatie Ontwerpen aan de stad. Stedenbouw in Nederlands-Indië en Indonesië (1905-1950)*2:

De vrees van Oei en Be voor onteigening van hun grond was reëel. Het autocratisch bewind dat evenals elders ook op hun landerijen heerste – bewoners van de gronden van Oei bijvoorbeeld betaalden huur en waren daarnaast gedwongen zijn akkers te bewerken en zijn erf schoon te houden – en de vaak uitermate slechte woningen waren namelijk in toenemende mate onderwerp van kritiek. De gemeenteraad van Semarang en met name raadslid D.J.A. Westerveld, die in 1910 en in 1912 uitgebreid onderzoek had gedaan naar de gezondheid en woningen van de inheemse bevolking in Semarang, huldigden wat dat betreft een duidelijk standpunt: verbetering van de woonomstandigheden van de inheemse bevolking op particuliere landen vereiste een consequent gemeentelijke grondbeleid. Onteigening van particuliere grond was daartoe één van de middelen.



 

Colonial Exhibition

In 1914 vindt de internationale Koloniale Tentoonstelling in de stad Semarang plaats en voor dit evenement stelt Oei Tiong Ham een deel van zijn particuliere land Randoesari ter beschikking. Speciaal voor de tentoonstelling worden door de gemeente tal van kostbare infrastructurele maatregelen getroffen maar het zit de organisatie bepaald niet mee want vlak voor de officiële opening breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Een aantal landen ziet op de valreep nog van deelname af en er komen veel minder bezoekers dan op voorhand verwacht mocht worden. De organisatoren van het evenement krijgen uiteindelijk dan ook te maken met een groot financieel deficit. Aangezien May Khoen's overgrootvader Ko Djie Soei in die tijd nog steeds de functie van administrateur van Randoesari vervult - en daar waarschijnlijk ook een landhuis bewoonde - mag men zonder meer aannemen dat hij, bij de totstandkoming van dit internationale gebeuren, een prominente rol heeft gespeeld. Ook ligt het zeer voor de hand dat hij en zijn gezinsleden de tentoonstelling toen bezocht hebben.
 



Gang Besen

Het beeld van het laatste decennium van Ko Djie Soei's leven is enigszins vaag. Ondanks het feit dat hij tot en met 1915 genoemd wordt als administrateur van de landerijen Randoesari en Pakoenden lijkt de band met Oei Tiong Ham toch iets minder sterk te zijn dan voorheen het geval was. Hetgeen ongetwijfeld ook te maken heeft met het feit dat Oei Tiong Ham steeds vaker hoogopgeleide personen (veelal Europeanen) op leidinggevende posities binnen zijn snel-groeiende zakenimperium aanstelt. En ook omdat zijn zonen zitting beginnen te nemen in de top van de onderneming. Het oude systeem van kongsi's wordt rond 1910 voorgoed verlaten en vertrouwelingen als Ko Djie Soei verdwijnen in een dergelijke 'moderne' constellatie, waar inmiddels ook een internationale scheepvaartmaatschappij deel van uitmaakt, langzaam naar de achtergrond. Zelfs van Oei Tiong Bhing, Oei Tiong Hams broer, hoor je dan vrijwel niets meer.

Of Ko Djie Soei dit een betreurenswaardige zaak heeft gevonden is maar zeer de vraag, hij is inmiddels begin vijftig en in de tropen wordt dat in die tijd al min of meer als 'bejaard' beschouwd. En ongetwijfeld heeft hij ook meer dan genoeg kapitaal vergaard om rustig te kunnen gaan rentenieren. Dus komen we in de koloniale media zijn naam steeds minder vaak tegen. Hetgeen niet wegneemt dat hij nog wel eens een lucratief commissariaat accepteert en tevens vanuit zijn kantoor in Gang Besen vastgoed (zowel woonhuizen als kantoorpanden) beheert. Maar na 1915 wordt het toch tamelijk stil rond hem. Op 10 april 1922 overlijdt hij, een paar dagen voor zijn 63e verjaardag.

 


 

  

©Huub Drenth

 

*1 Deze gespannen situatie leidt in 1919 ook tot de rechtszaken die het begrafenisfonds Kian Goan/Kian Gwan en de gemeente Semarang tegen elkaar aanspannen inzake de vaarrechten op de Kali Garang, voor zover deze rivier door het landgoed Simongan loopt (zie kaart boven). Dit grondgebied, gelegen ten zuidwesten van Pakoenden en Randoesari, is eveneens eigendom van Oei Tiong Ham. Vertegenwoordiger van het begrafenisfonds (in feite dus van Oei Tiong Ham) in deze rechtszaken is Oey Tjien To, May Khoen's overgrootvader van moeders zijde. Zie voor de details van deze juridische kwestie mijn post van 11 maart 2020.

(De landerij Karangtempel (18 ha.) op bovenstaand kaartje was in 1919 eigendom van Oey Tjien To. Evenals het land Krapijak of Kalipantjoer (402 ha.) dat in het noordwesten tegen Simongan aan lag. In 1920 richt Oey Tjien To de N.V. Cultuur Handel en Bouw-Maatschappij Kembangan op en brengt ook deze gebieden daarin onder. Tegenwoordig zijn het wijken in de gemeente Semarang.)

*2 P.K.M. van Roosmalen; Ontwerpen aan de stad. Stedenbouw in Nederlands-Indië en Indonesië (1905-1950), Delft 2008 (pag. 42-47). Zie: https://www.researchgate.net/publication/282817401_Ontwerpen_aan_de_stad_Stedenbouw_in_Nederlands-Indie_en_Indonesie_1905-1950

PS Op 23 januari 2022 vernam ik van Peter Post, verbonden aan het NIOD, die i.v.m. zijn studie naar het Oei Tiong Ham Concern ook onderzoek naar deze kwestie heeft gedaan, dat de informatie die Van Roosmalen over de particuliere landen Pakoenden en Peterongan geeft onjuist is. Van Peterongan wordt in 1920 slechts een kleine strook aan de gemeente overgedaan, de rest wordt in 1929 verkocht aan de Javasche Bank. De onteigening van Pakoenden ging in z'n geheel niet door, dit vanwege het feit dat de gemeente Semarang niet over de benodigde financiële middelen beschikte.


Semarang, Gang Besen (l) en Gang Pinggir.

zondag 21 februari 2021

May Khoen's voorouders ~ deel 13

 



Ko Djie Soei (1859 - 1922), May Khoen's overgrootvader in de afstammingslijn die begint bij (Nel) Ko Kiong Nio, de grootmoeder door wie May Khoen mede is opgevoed, is om meerdere redenen een zeer interessante figuur. Zijn geschiedenis is namelijk onlosmakelijk verbonden met de vele maatschappelijke veranderingen die zich in de decennia rond 1900 in Nederlands-Indië, en dan met name op Java, voltrokken. Het eerste deel van z'n leven werd nog bepaald door de oude koloniale verhoudingen, evenals de tradities binnen de peranakan-cultuur, terwijl het laatste deel sterk beïnvloed werd door wat men 'de moderne tijd' zou kunnen noemen. Gedurende de overgangsperiode tussen deze twee tijdvakken, zo tussen 1895 en 1910, was zijn lot in sterke mate gerelateerd aan dat van de Semarangse zakenman Oei Tiong Ham, een samenwerking die waarschijnlijk de basis vormde van de status, het bezit en het vermogen die hij zich uiteindelijk zou weten te verwerven.

Het is belangrijk om te beseffen dat rond de eeuwwisseling het (belasting)pachtstelsel op Java, stukje bij beetje, werd opgeheven en plaats maakte voor een systeem van reguliere belastingheffing door het gouvernement. De belastingpacht was in handen van een kleine peranakan-elite die haar rijkdom voor een groot deel aan dat specifieke systeem ontleende. De pacht 'rouleerde' tussen de leden van de verschillende kongsi's binnen dit maatschappelijk segment, steeds bestaande uit pachters en borgen. De kongsi's konden zowel lokaal als regionaal van aard zijn, dit laatste was met name bij de 'dure' verpachtingen, zoals de opium- en de slachtpacht, het geval. Aangezien leden van deze sociale laag in de regel ook de 'officiersfuncties' bekleedden hadden ze tevens de bestuurlijke macht binnen de eigen etnische groep in handen. Door het onderling uithuwelijken van hun zonen en dochters, over geheel Java, wisten ze die positie tot de eeuwwisseling te handhaven. Voor degenen die zich succesvol wisten aan te passen aan de nieuwe ontwikkelingen gold dat ook nog voor de koloniale periode erna.HD

 

Opiumschuivers op Java.


De kongsi van Oei Tiong Ham

De eerste keer dat in de koloniale media de naam van Ko Djie Soei valt in relatie tot Oei Tiong Ham is op 20 juli 1897 als het Bataviaasch Nieuwsblad mededeelt dat Kho Djie Soei, in zijn functie van gevolmachtigde van de opiumpachter te Semarang (zijnde Oei Tiong Ham), naar Ambarawa, een plaats iets ten zuiden van Semarang, is afgereisd en bij het controleren van de opiumkas aldaar een tekort van f. 2300 vastgesteld heeft.*1 Of Ko Djie Soei, behalve voor de opiumpacht, ook de zaakwaarnemer voor Oei Tiong Hams andere belastingpachten in de residentie Semarang is wordt niet vermeld.

Dat hij dan inmiddels volledig deel uitmaakt van de kongsi van Oei Tiong Ham blijkt wel uit het bericht van 25 september van datzelfde jaar in De Locomotief waarin medegedeeld wordt dat Ko Djie Soei pachter van de slachtpacht voor het jaar 1898 in Semarang is geworden, met als borgen Oei Tiong Ham en diens broer Oei Tiong Bhing. Pachtbedrag voor dat jaar: f 96.120 (zie ook mijn post van 21 januari 2021). Op 25 november 1897, dus twee maanden later, meldt dezelfde krant dat aan Oei Tiong Ham de opiumpacht in de residentie Soerabaja is toegewezen, voor f. 1.180.000 op jaarbasis. Borgen in dit geval: "Oei Tiong Bhing en Kho Dji Soei, respectievelijk luitenant en handelaar van beroep".*2

 

Majoor-titulair Be Biauw Tjoan.

De Semarangse Kong Koan
Begin januari 1900 ontstaat er een soort machtsvacuüm binnen de Kong Koan te Semarang. Majoor Liem Liong Hien wordt op eigen verzoek eervol ontslagen. Hij is de schoonzoon van titulair-Majoor der Chinezen Be Biauw Tjoan en gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw waren zij de twee rijkste en machtigste personen in Semarang.*3 Hun geld hadden ze verdiend met de opiumpacht en ook bezaten ze veel land, vastgoed en andere zaken. De Kong Koan beschikt over twee kapiteins die Liem Liong Hien op zouden kunnen opvolgen: Tan Koen Siong en Oei Tiong Ham. Qua anciënniteit is Tan Koen Siong aan de beurt maar Oei Tiong Ham is veel rijker en machtiger. Dus kiest Tan Koen Siong eieren voor zijn geld en dient een verzoek tot eervol ontslag in, teneinde gezichtsverlies te voorkomen. En hij staat daarin niet alleen want ook luitenant Sie Tjing Lion doet dat. Waarna als enige leden van de Kong Koan overblijven: kapitein Oei Tiong Ham, zijn broer luitenant Oei Tiong Bhing, en (hun naaste verwant) luitenant Oei Mo Sing.

Op 29 januari 1900 meldt De Locomotief dat de Semarangse Kong Koan bij de resident een voordracht ingediend heeft voor 'de vervulling der betrekking van officier' binnen dat orgaan. Tan Siauw Lip en Koo Djie Swie (= Ko Djie Soei) worden genoemd als gegadigden voor de post van luitenant. Kandidaat voor de opengevallen functie van kapitein is luitenant Oei Mo Sing. Op 27 februari van datzelfde jaar meldt het Soerabaijasch handelsblad dat Oei Tiong Ham, op dat moment nog kapitein, ongetwijfeld Majoor der Chinezen te Semarang zal worden en dat de kans groot is dat dan zijn broer, luitenant Oei Tiong Bhing, dan de rang van kapitein gaat krijgen. Ook meldt de krant dat met een eventuele aanstelling van Oei Mo Sing en Ko Djie Soei, respectievelijk een familielid en een vertrouweling van Oei Tiong Ham, het bestuur van de Chinese wijk in Semarang weldra in één hand zal zijn en dat dit op zich een bedenkelijke zaak is.
Op 14 juni 1901 komt er bericht uit Buitenzorg dat Oei Tiong Ham, op eigen verzoek, eervol ontslag als kapitein heeft gekregen, met toekenning van de titulaire rang van Majoor.*4 Op 22 oktober 1901 meldt Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië dat tot luitenant te Semarang zijn benoemd: Tan Siauw Lip*5 en Yap Tiauw Siong.*6 Tot kapitein: Oei Tiong Bhing en Oei Mo Sing. De benoeming tot luitenant is dus aan Ko Djie Soei's neus voorbijgegaan en ook over de aanstelling van een nieuwe majoor wordt niet gerept. Uiteindelijk zal die er twee jaar later wel komen: in augustus 1903 wordt kapitein Oei Tiong Bhing, dus de broer van Oei Tiong Ham, op die post benoemd.*7

 

De Bodjong in Semarang, omstreeks 1930.


Nieuwe tijden

Zoals ik eerder al aangaf wordt vanaf 1900 in snel tempo de belastingpacht afgebouwd in Nederlands-Indië, te beginnen op Java. Dit betekent dat voor een deel van de peranakan-Chinese elite de belangrijkste bron van inkomsten opdroogt en dat ze op zoek moeten gaan naar andere economische activiteiten waarin ze hun kapitaal kunnen investeren teneinde het te laten renderen. Als ze daar al veel ervaring mee hebben, zoals bijvoorbeeld Oei Tiong Ham, vormt dat geen enkel probleem maar voor anderen is dit het begin van het einde.
Ook begint het stelsel van 'Chinese officieren', dat sterk met het systeem van belastingpacht was verbonden (met name de opiumpacht), steeds meer aan betekenis in te boeten waardoor de interne machtsverhoudingen binnen de Cabang Atas eveneens anders komen te liggen. Ondernemers als Sih Khay Hie en Oey Tjien To, twee overgrootvaders van May Khoen waarvan het inkomen en bezit nooit aan de belastingpacht gerelateerd waren geweest, profiteerden duidelijk van deze nieuwe wind en ook haar overgrootvader Ko Djie Soei blijkt in deze veranderde omstandigheden overeind te kunnen te blijven, hetgeen nog steeds te maken heeft met zijn sterke band met Oei Tiong Ham. Voor meer details over die band in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw verwijs ik de geïnteresseerde lezer graag naar deel 14 van mijn ontdekkingen over May Khoen's voorouders (zie onder).

©Huub Drenth

 


*1 De opiumpacht, evenals de verkoop ervan in opiumkitten, was per definitie een nogal obscure bedrijfstak. Diefstal van kasgeld door medewerkers kwam vaak voor. Opiumsmokkel, zowel door pachters, medewerkers als beroepscriminelen, was ook een veel voorkomend verschijnsel aangezien de verkoop van 'illegaal verkregen' opium bijzonder lucratief was. Opium mocht namelijk alleen maar ingevoerd en onder pachters verdeeld worden door het gouvernement. Berovingen van opiumdealers en geldlopers waren ook aan de orde van de dag, waarbij vaak met grof geweld te werk gegaan werd. Op 29 september 1896 werd bijvoorbeeld de gemachtigde van de opiumpachter te Demak, gelegen in de residentie Semarang, met een kris zwaar verwond waarna de dader veroordeeld werd tot tien jaar dwangarbeid 'in de ketting'.

Zie ook mijn post van 28 januari 2021 over de moord op Ko Djie Soen, de oudere broer van May Khoen's overgrootvader Ko Djie Soei. Hem overkwam begin april 1902 exact hetzelfde, hetgeen hij moest bekopen met de dood.

 *2 Dit is de eerste keer dat Ko Djie Soei's naam (hier geschreven als Kho Dji Soei) opduikt in het opiumpachtcircuit en het maakt meteen duidelijk dat ook hij deel uitmaakt van de 'opiumkongsi' van Oei Tiong Ham. Hier valt nog aan toe te voegen dat in september 1897 de opiumpacht in Semarang (f. 1.500.000 per jaar) en Soerakarta/Solo (f. 1.128.120) opnieuw toegewezen werd aan Oei Tiong Ham, wederom voor een periode van drie jaar en ingaande op 1 januari 1898. Die te Djokjakarta (f. 336.240) werd, eveneens voor een periode van drie jaar, toegewezen aan zijn broer Oei Tiong Bhing (met als borg o.a. Oei Tiong Ham).

In al deze laatste gevallen trad Ko Djie Soei weliswaar niet op als pachter of als borg maar er valt wel uit af te leiden dat de kongsi van Oei Tiong Ham rond de eeuwwisseling de opiumpacht in zowel Midden- als Oost-Java controleerde. De pachtbedragen geven tevens weer hoe groot de verslaving aan opium, ook wel 'amfioen' genoemd, onder de (meestal arme) inheemse bevolking was. Zowel in Nederland als in de kolonie zelf kwam aan het eind van de negentiende eeuw dan ook een gestaag groeiende protestbeweging tegen 'de opiumvloek' op gang.



*3 Be Biauw Tjoan en Liem Liong Hien spelen ook een prominente rol in het gedicht Boekoe sair binatang, ofwel: Gedicht over de dieren, van Boen Sing Hoo uit 1889 waar ik in mijn post van 11 augustus 2020 ook al aan refereerde. In dit gedicht wordt Liem Liong Hien, Majoor sinds 1885, aangeduid als Oelar Naga, ofwel Draak, en Be Biauw Tjoan, titulair Majoor sinds 1873, als Koeda Toewa, Paard Senior. Liem Liong Hien was opiumpachter in onder andere Bagelen, Batavia, Krawang, en Banten en maakte deel uit van de kongsi van zijn schoonvader Be Biauw Tjoan die de naam had onmetelijk rijk te zijn. Hetgeen overigens bleek te kloppen want toen Be Biauw Tjoan in 1904 stierf liet hij een een geschat vermogen van ongeveer 30 miljoen gulden aan zijn erfgenamen na (zie: https://en.wikipedia.org/wiki/Be_Biauw_Tjoan).

*4 Oei Tiong Ham was hoogstwaarschijnlijk absoluut niet geïnteresseerd in de functie van Majoor van de Kong Koan te Semarang. Het impliceerde namelijk dat hij voor elk verblijf buiten Nederlands-Indië toestemming moest hebben van 'Batavia' en als internationaal zakenman was een dergelijke gang van zaken natuurlijk wel zo ongeveer het laatste waar hij behoefte aan had. Vanzelfsprekend was het wel in zijn belang dat die positie door een vertrouweling van hem werd bezet, zodat hij indirect alsnog de meeste macht binnen dat orgaan had. Het feit dat hij titulair majoor (van Semarang) werd was overigens niet zonder betekenis, het verschafte hem probleemloos toegang tot de allerhoogste kringen, zowel binnen als buiten de kolonie.

*5 Tan Siauw Lip wordt in 1910 Majoor der Chinezen. Zijn dochter Tan Kien Tjwan Nio trouwt in 1903 met Goei Ing Khien, een broer van Goei Lien Nio, May Khoen's overgrootmoeder van vaders kant. Twee van zijn zonen trouwden later met twee (volle) zussen van May Khoen's grootmoeder van moeders kant Nel Ko Kiong Nio (en bijgevolg dus dochters van overgrootvader Ko Djie Soei). Zie ook mijn post van 11 augustus 2020.

*6 Op 21 november 1901 meldt De Locomotief dat Yap Tiauw Siong voornemens is een request in te dienen met het verzoek zijn benoeming tot luitenant in te trekken, dit in verband met het overlijden van zijn vrouw. Hier wordt nog aan toegevoegd dat hij van plan is om zich elders te vestigen. Dit alles speelt zich amper een maand na zijn benoeming af. Op 17 december 1901 wordt hij vervolgens 'bij Gouvernements Besluit' officieel uit zijn functie ontheven.

Deze hele gang van zaken, met name door de toevoeging van 'eventuele vestiging elders', wekt het vermoeden dat Yap Tiauw Siong onder druk, mogelijk van Oei Tiong Ham c.s., tot dat besluit gekomen is want de zeer statusvolle (en op dat moment ook nog lucratieve) positie van officier in de Semarangse Kong Koan gaf men immers niet zomaar op, zeker niet als men eerst met die benoeming akkoord was gegaan. De situatie lijkt daardoor verdacht veel op die van Tan Koen Siong en Sie Tjing Liong die in januari 1900 ook 'geheel vrijwillig' hun officiers-functie neerlegden (zie boven). Het is echter ook mogelijk dat het overlijden van zijn echtgenote de daadwerkelijke reden vormde, de kosten van een begrafenis konden behoorlijk oplopen en ook moest een bepaalde periode van rouw in acht genomen worden, waardoor het 'vieren' van de benoeming, eveneens een kostbare aangelegenheid, uitgesloten was. Yap Tiauw Siong's terugtrekking heeft niet tot gevolg dat May Khoen's overgrootvader Ko Djie Soei alsnog tot luitenant benoemd wordt (hetgeen waarschijnlijk wel de intentie van Oei Tiong Ham was, en eveneens de ambitie van Ko Djie Soei).

*7 In zijn zeer interessante artikel Founding an Ethnic Chinese Business Empire in Colonial Asia: The Strategic Alliances of Major Oei Tiong Ham, 1895–1905 (JMBRAS, December 2019 Vol. 92 Part 2, Number 317, pp. 29–56) zegt de aan het NIOD verbonden Oei Tiong Ham-expert Peter Post het volgende over de veranderde machtsverhoudingen binnen de Semarangse peranakan-elite: "For Ho Sie Tik, as a defender of the Ho family’s opium interests, the refusal of the government to hand him a certificate of solvency had yet another consequence. Perhaps as a result of not being able to stand Oei’s power, he was forced to retreat from the Chinese Council and, in August 1898, asked to be dismissed as lieutenant. The result was that the Chinese Council of Semarang only counted two lieutenants, Oei Tiong Bhing and Sie Tjing Liong, which was far below the official number required for the formation of the Council. This shortage of officials caused the colonial government much concern, even more so when, in January 1899, both major Liem Liong Hien and captain Tan Koen Siong, close allies of honorary major Be Biauw Tjoan, resigned from office. Partly because of Oei Tiong Ham’s prolonged dominance of Java’s main opium farms, their income had shrunk significantly and their debts rose accordingly. The costs of fulfilling an officer’s position were simply too high for most members of Semarang’s cabang atas, and since personal wealth and the right connections in the colonial bureaucracy were of utmost importance in being appointed, most did not even express interest in the position. In February 1900, it was clear to the Semarang public that only the Oei family and their business associates had the necessary requirements to be appointed as Chinese officers and that their complete control of the Chinese Council of Semarang was imminent."

NB
Ik ontdekte dat Goei Lien Nio, May Khoen's overgrootmoeder in de Tan-lijn, een kleindochter is van bovengenoemde kapitein Tan Koen Siong. Haar moeder, Tan Siek Nio (Tjinta), de vrouw van luitenant Goei Keh Pien, is zijn dochter.
Een aantal van May Khoen's voorzaten, waaronder ook Goei Som Han en Ko Djie Soei, kreeg dus, zowel op directe als indirecte wijze, te maken met de implicaties van de val van de familie Ho.   

 

Dit was deel 13 van May Khoen's voorouders.

Zie voor deel 12: https://maykhoentan.blogspot.com/2021/01/may-khoens-voorouders-deel-12.html

Zie voor deel 14: https://maykhoentan.blogspot.com/2021/02/may-khoens-voorouders-deel-14.html

donderdag 28 januari 2021

De moord op Ko Djie Soen

 


 

Gemachtigde van den opiumpachter

In de Semarangse krant De Locomotief verschijnt op vrijdag 4 april 1902 onderstaand bericht waarvan de strekking is dat te Wates, een plaats dertig kilometer ten westen van Djokjakarta, een geweldsmisdrijf heeft plaats-gevonden. De dag ervoor heeft namelijk de Chinees Tan Nie Toen, employee bij de opiumverkoop aldaar, de Chinees Koo Djie Soen, de gemachtigde van de opiumpachter te Djokjakarta (die pachter blijkt Oei Tiong Ham te zijn*1) ernstig letsel toegebracht met een steekwapen. Kennelijk is op dat moment in Semarang nog niet bekend dat Ko Djie Soen inmiddels aan zijn verwondingen bezweken is en dat er dus in feite sprake is van moord. Het is een zaak die de kranten op Java nog maanden bezig zal houden. Het toeval wil dat Ko Djie Soen de oudere broer is van Ko Djie Soei, de overgrootvader van May Khoen.

 

 

In de Preanger Bode van dinsdag 8 april 1902 is aanvullende informatie te vinden over wat er zich een paar dagen eerder in Wates heeft afgespeeld. Tan Nie Toen wordt in dit bericht Tan Hie Toei genoemd, net zoals Oei Tiong Ham de naam Oei Tjang Ham toebedeeld krijgt. Dit soort verschrijvingen van Chinese namen was vrij normaal in Nederlands-Indische kranten.

De schuldige Tan Hie Toei was vroeger houder van een opiumkit op Patitjan, doch werd wegens herhaaldelijke malversaties door den Semarangschen Oei Tjang Ham als zoodanig ontslagen. Op voorspraak echter van den thans vermoorden Ko Djie Soen werd hij wederom aangenomen en te Wates geplaatst voor de verkoop van opium. Spoedig waren telkens ook daar tekorten en stond Oei Tjang Ham op onmiddellijk ontslag. Daartoe ging zijn hier wonende zaakgelastigde, hoofd van de opiumpacht in Djockjakarta Ko Djie Soen, vroeger luitenant chinees van Magelang naar Wates en deelde dat den beschuldigde mede. Deze hoorde het bericht vrij kalm aan, ging bedaard naar eene 10 meter verder gelegen kamer, haalde zijn kris (een grote dolk, HD) en stak Ko Djie Soen, die voor eene schrijftafel was gezeten, schuin in de linkerzijde, zoodat de kris bij den navelstreek weer uitkwam. Zeer waarschijnlijk werden edele deelen geraakt en stuitte de kris op een rib af, zooals de omgeslagen punt bewijst. De getroffene bleef zeer kalm, trok zelf de kris uit de wonde gaf order voor een telegram aan Dr. Wagener en liet zich met den sneltrein van kwart voor negenen naar Djocja vervoeren. Een ingesteld onderzoek door de doktoren Wagener en Hettinga Tromp had tot resultaat dat een operatie noodzakelijk werd geacht. Wijl de naaste familie echter niet ter plaatse was, kon hiertoe niet worden overgegaan en ook, na de toestemming van de jongere broers, die van Magelang arriveerden, moest gewacht worden op den ouderen broeder Ko Djie Soei, die gisteren avond half 7 van Samarang arriveerde. Toen werd familieraad gehouden en in eene operatie toegestemd. De toestand van de gewonde was echter van dien aard dat aan een operatie niet meer te denken viel en stierf hij omstreeks 10 uur.
De moordenaar werd geconfronteerd met zijn slachtoffer, die verklaarde hem te herkennen als degene, die de wond had toegebracht en ook den getuigen werden door den assistent-resident, in hoedanigheid van hulpofficier van justitie een voorlopig verhoor afgenomen.
Nadere bijzonderheden zijn nog deze. De broer van den moordenaar, Kassie van de opiumpacht te Djocja, werd eenige dagen geleden eveneens ontslagen door Oei Tjang Ham wegens knoeierijen. Verder moet de misdadiger het voornemen gehad hebben eveneens den opium cassir van Wates, die niet met hem wilde knoeien, overhoop te steken. Ten slotte was de kris wel niet speciaal vergiftigd, doch had hij de gewoonte ze met arsenicum in te wrijven.



Tot zover het verslag van De Preangerbode over wat er zich die dag heeft voorgedaan in Wates. Wat meteen opvalt is dat Ko Djie Soen, die kennelijk wel in staat is geweest om een telegram te laten verzenden naar het ziekenhuis in Djokjakarta, en daarna ook nog eigenhandig in de trein naar die stad is geklommen, niet zelfstandig de beslissing kan nemen om zich te laten opereren. Daarvoor moet blijkbaar eerst op de komst van broer nummer twee Ko Djie Soei/Swie worden gewacht. Tegen de tijd dat deze eindelijk uit Semarang arriveert is Ko Djie Soen inmiddels al bijna doodgebloed. Redding is daarna niet meer mogelijk. Waarna er voor de overige gebroeders Ko (te weten: Djie Soei, Djie Han, Djie Siang en Djie Kian) niets anders meer opzit dan zijn uitvaart te regelen. De broers hadden trouwens ook nog een zus, Lien Nio geheten.

Over het slachtoffer Ko Djie Soen is niet zo heel veel bekend. We weten dat hij omstreeks 1858 in Magelang werd geboren en getrouwd was met Tjoa Ing Nio en dat ze samen vijf kinderen hadden.*2 In Magelang was hij eerst enige tijd wijkmeester in de Chinese kamp, waarna hij in 1893 werd benoemd tot Luitenant der Chinezen te Parakan*3, een functie waaruit hij, op eigen verzoek, in 1898 eervol werd ontslagen. Uit zijn positie van gevolmachtigde van Oei Tiong Ham voor de opiumpacht in het sultanaat Djokjakarta valt af te leiden dat hij, net zoals zijn broer Ko Djie Soei, een sterke vertrouwensband met deze had. De opiumpacht in de residentie Djokjakarta bedroeg ongeveer f. 350.000 op jaarbasis (omgerekend naar nu is dat zo'n vijf miljoen euro) en Ko Djie Soen droeg de verantwoordelijkheid voor het, met winst, terugverdienen (en afdragen) van dat bedrag. Een taak waarvoor hij ongetwijfeld rijkelijk beloond werd.


 

Een kastekort

Oorzaak van de aanslag op Ko Djie Soens leven in Wates zou diens ontdekking van een kastekort van f. 500 zijn geweest. Naar verluid zou Tan Nie Toen daarna op staande voet door hem zijn ontslagen. Waarna Tan Nie Toen zijn kris had gepakt en Ko Djie Soen in de onderbuik had gestoken. Het lijk van Ko Djie Soen werd op dinsdag 8 april om tien uur 's avonds per lijkkoets van Djokjakarta naar Magelang vervoerd - een koele en rustige nachtelijke tocht van iets meer dan veertig kilometer, richting Borobudur - om aldaar te worden begraven. Zijn familieleden en vrienden volgden de lijkkoets in twaalf rijtuigen. Dit meldt de correspondent van De Locomotief over de stand van zaken in Djokjakarta ongeveer een week na de moord:

Met veel lawaai, geschreeuw en bekkenslag is de vermoorde Chinees Ko Djie Soen, gisteren-nacht uit het sterfhuis alhier naar Magelang overgebracht om in het familiegraf aldaar te worden bijgezet.*4 In weerwil van het ongewone uur was er een boel volk op de been om getuige te zijn van de plechtige uitvaart. Voor de weinige maanden dat de pacht nog loopt zal naar ik hoor geen vaste gemachtigde benoemd worden en het zaakje worden waargenomen door onzen oud-kapitein Chinees Liem Kie Djwan. Voor de opiumregie is een groot huis gehuurd op Toegoe, tegen over het spoorwegstation, uiterst geschikt gelegen. Omtrent den moordenaar Tan Hie Soei wordt nog medegedeeld dat hij ontkent met voorbedachte rade gehandeld te hebben. Toen Ko Djie Soen te Wates aankwam stond Tan Hie Soei op het perron gereed om naar Djocja te gaan en had hij de kris bij zich zooals hij gewoon is te doen wanneer hij op reis gaat, beiden zijn toen naar de pacht gegaan, alwaar laatstgenoemde ontslagen werd; ook moet in de kas geen tekort zijn geweest daar Tan Hie Soei gefortuneerd is en geen gebrek heeft aan contanten. Hij verklaart bingoeng (in de war, HD) geworden te zijn toen hij na het ontslag door den verslagene werd uitgescholden. De moord moet buitenhuis hebben plaats gehad, terwijl de kassier en een andere Chinees binnen waren. De moordenaar houdt zich zeer kalm en men denkt in de Chineesche kamp dat hij met een 10-jarig verblijf te Pontianak of Benkoelen er af zal komen. Het geval heeft hier weinig sensatie gemaakt, misschien omdat de vermoorde wakil (leidinggevende/chef, HD) bij weinigen bekend was.


Rechtszitting op Java, omstreeks 1900.

Het strafproces

Anders dan tegenwoordig het geval is staat de moordenaar van Ko Djie Soen op zaterdag 14 juni 1902, dus twee maanden later, al voor de rechter. Dit bericht van de  correspondent van De Locomotief te Djokjakarta verschijnt erover in de editie van maandag 16 juni 1902:

Tan Nie Toen, de Chinees die zijn landgenoot Ko Djie Soen, gemachtigde van den opiumpachter, vermoord heeft, verscheen gisteren voor zijn rechters, den residentie-raad, bestaande uit voorzitter en 2 leden, verder bevonden zich daarbij de griffier, de gewestelijke secretaris vertegenwoordigende het openbaar ministerie, de translateur voor de Javaansche taal, de kapitein-Chinees en het hoofd der Arabieren. Als verdediger van beklaagde was tegenwoordig Mr. Wagener van Semarang. De beklaagde is zeer kalm, heeft niets bloeddorstigs in zijn wezen en het gevangenisleven schijnt hem goed te bekomen daar hij er veel beter uitziet dan bij zijn arrestatie. Het Europeesche publiek was niet groot doch buiten op het erf en op de straat verdrongen zich een aanzienlijk aantal Chineezen en inlanders. De geheel open pendoppo (galerij, HD) van het residentie-bijgebouw alwaar de zitting plaats had, is voor gerechtszaal al bijzonder ongeschikt, vlak aan den grooten weg gelegen, alwaar onophoudelijk rijtuigen passeeren met veel rumoer van de straat, daarbij spreken president, getuigen en verdediger zóó zacht dat het publiek, hoewel vlak in de nabijheid gezeten, weinig kan verstaan. Nadat de acte van beschuldiging is voorgelezen begin het getuigenverhoor. Beklaagde blijft volhouden uitgescholden te zijn en niet naar naar binnen te zijn geweest. Het grootste gedeelte van den morgen werd ingenomen door het verhooren der deskundige getuigen, de Doctoren Wagener en Hettinga Tromp, voornamelijk handelende over de manier waarop de stoot is toegebracht en waarom niet geöpereerd is. Het interessantste was om de verdediger Mr. Wagener het visum repertum (schriftelijk verslag van de lijkschouwing, HD), door zijn sprekend op hem gelijkenden broeder Dr. Wagener opgemaakt, te hooren bestrijden. Daarna verschenen achtereenvolgens 2 Chineezen die bij den moord tegenwoordig zijn geweest. Waarom deze getuigen geen stoelen kregen, en de Europeesche wel, weet ik niet, zij hadden dit wel noodig, een hunner was bijzonder zenuwachtig. Tot nu toe zijn de getuigen allen zeer bezwarend voor beklaagde, daar allen volhouden dat beklaagde bij zijn komst te Wates "niet" uitgescholden is.

Het vonnis

Op 20 juni 1902 deelt het Soerabaiasch Handelsblad mee dat "tegen Tan Nie Toen, de moordenaar van Ko Djie Soen, door het openbaar ministerie de doodstraf werd geëischt. Na een zaaklijk pleidooi van den verdediger mr. Wagener, luidde de uitspraak: 20 jaar in de ketting (dwangarbeid, HD)." Op woensdag 15 oktober 1902 wordt pas het definitieve vonnis uitgesproken. Dit omdat de Residentie-raad heeft verzuimd om bij de Kapitein der Chinezen te Djokjakarta te informeren of het vonnis van de Raad in overeenstemming is met het Chinese gewoonterecht (dit was verplicht). Twaalf jaar aan de ketting, acht jaar minder dan de eis van het Openbaar Ministerie, wordt de uiteindelijke straf. Dit is het bericht dat op 16 oktober 1902 over de afloop van deze zaak in Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië verschijnt:

      

 

De media

De wijze waarop er in de koloniale kranten aandacht werd besteed aan de moord op Ko Djie Soei, en ook aan wat er daarna nog allemaal op volgde, geeft een zeer goed beeld van de verhoudingen in het Nederlands-Indië van rond 1900. Zowel van de verhoudingen binnen de Chinese gemeenschap zelf als van die tussen de verschillende etnische groepen onderling. Een treffende illustratie daarvan vormt het verslag van de rechtzaak. Het Europese publiek heeft zitplaatsen in de schaduw van de pendoppo, Chinezen en inlanders moeten het proces staande volgen, vanaf het erf en de straat, dus volop in de hete zon. Zelfs de twee Chinese getuigen krijgen geen stoel aangeboden. Of de naaste verwanten van Ko Djie Soen (of van Tan Nie Toen) bij het proces aanwezig zijn wordt evenmin medegedeeld.

Het antwoord op de vraag waarom er door de artsen niet geopereerd is toen Ko Djie Soen in het ziekenhuis arriveerde vindt de verslaggever trouwens ook niet de moeite van het vermelden waard, terwijl het in deze zaak nou juist daarom gaat; als Ko Djie Soen het had overleefd was er immers geen sprake van moord geweest. Het interessantst vindt hij klaarblijkelijk het feit dat de gebroeders Wagener in de rechtzaal tegenover elkaar staan, in de rol van verdediger en getuige-deskundige, alsof dat de hoofdpersonen in dit drama zijn. De belangrijkste media waren in handen van (en bestemd voor) Europeanen en dat is duidelijk merkbaar, zoals bijvoorbeeld in het laatste bericht. Tegenwoordig zouden we de denigrerende formuleringen die ten aanzien van Tan Nie Toen gebezigd worden uitgesproken racistisch noemen maar in die tijd was dat soort taalgebruik, als het over niet-Europeanen ging, de gewoonste zaak van de wereld. 

©Huub Drenth

*1 De opiumpacht in het sultanaat Djogjakarta (behorend tot de semi-autonome groep van vier Javaanse 'vorstenlanden') was in 1902 nog in handen van Oei Tiong Ham. Vanaf 1 januari 1903 zou de 'opiumregie' er gaan gelden, net zoals in Batavia. In Soerabaja en Semarang, plaatsen waar Oei Tiong Ham de opiumpacht ook jarenlang had gedomineerd, was die regie al eerder ingegaan (respectievelijk in 1899 en 1902). Voortaan bezat het gouvernement het alleenrecht, wat betreft de aan- en verkoop van opium, en vloeiden de winsten dus rechtstreeks naar de staatskas. Eerst werd het nieuwe systeem op Java ingevoerd maar in de koloniale buitengewesten zou het oude stelsel van opiumpacht nog ruim tien jaar blijven bestaan. Zie ook: https://retro.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Drugs/opiummarkt.html

Geïnteresseerden in de geschiedenis van de opiumpacht op Java raad ik aan zich te verdiepen in: James R. Rush; Opium to Java, Revenue Farming and Chinese Enterprise in Colonial Indonesia, 1860 - 1910; New York 1990.

*2 Een van hun zonen, Ko Kwat Tiong (1897-1970), zou zich tijdens zijn leven ontwikkelen tot een befaamd Indonesisch politicus en publicist, die in 1947, volgend op zijn bekering tot de islam, de naam Mohamad Saleh aannam. Na de dood van Ko Djie Soen nam Ko Kwat Tiongs 15 jaar oudere broer, de latere bekende Magelangse sigarenfabrikant Ko Kwat Ie (1882-1938), de zorg voor zijn opvoeding en opleiding op zich (hij studeerde onder meer in Leiden). Het gaat hier dus om twee volle neven van May Khoen's oma Nel Ko Kiong Nio.

Wat Ko Kwat Tiong betreft zou ik hieraan nog willen toevoegen dat hij in 1936, namens de Partai Tionghwa Indonesia (Indonesische Chinese Partij), een van de mede-indieners van de petitie-Soetardjo was. De strekking van deze petitie, van de Indische Volksraad gericht aan koningin Wilhelmina en de Staten Generaal, was dat Nederlands-Indië recht had op autonomie - en daar op dat moment ook zonder meer aan toe was - zij het voorlopig het liefst nog wel binnen het staatkundig bestel van het koninkrijk. Niet bepaald verbazingwekkend werd er door de politici in Den Haag heel anders over dit onderwerp gedacht, hetgeen tien jaar later tot veel onnodige rampspoed zou leiden. Ga voor meer informatie over deze 'petitie-kwestie' naar de site van Historiek.

*3 In Parakan, een plaatsje ten noordwesten van Magelang, woonde ook Oei Sien Tjo, de broer waarmee Oei Tiong Hams vader Oei Tjie Sien in 1858 vanuit Fukien naar Java gekomen was. Mogelijk vormde hij de verbindende schakel in het ontstaan van het samenwerkingsverband tussen de Oei's in Semarang en de gebroeders Ko in Magelang en Parakan.

*4 Zie voor meer informatie over Chinese begrafenisrituelen op Java: https://www.jstor.org/stable/pdf/25733740.pdf (pag. 290 - 295, auteur: prins Aquasie Boachi) en: https://cihc.nl/15-begrafenisrituelen-1-rustplaats/ (deel 1 en verder). Zie verder: https://www.kanhantan.nl/23begrafenissen_en_graven.html


Chinese graven, Semarang rond 1900.


Zie voor meer informatie (mbt de Ko-familie) deel 11 t/m 15 over May Khoen's voorouders: https://maykhoentan.blogspot.com/2021/01/may-khoens-voorouders-deel-11.html